Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9524

2026-06-25 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/721656 / JE RK 26-1201
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-06-25
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/721656 / JE RK 26-1201
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De kinderrechter trekt de verleende machtiging tot uithuisplaatsing in en verwijst de zaak voor verdere beoordeling van de opvoedsituatie naar de bevoegde rechtbank.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.210 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Team Jeugd



Zaaknummer: C/10/721656 / JE RK 26-1201
Datum uitspraak: 25 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over intrekking van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing en bevoegdheid van de kinderrechter




in de zaak van




de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.M. Kooij, kantoorhoudende in Noordwijkerhout,





[de vader]
,
ingeschreven in [plaats 1] , feitelijk verblijvende in [plaats 2] , hierna te noemen: de vader.






1Het (verdere) verloop van de procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 juni 2026, waarbij een (spoed)machtiging is verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en de beslissing op het resterende deel van het verzoek is uitgesteld.



1.2.
Op 23 juni 2026 is ontvangen een brief (met bijlagen) van (de advocaat van) de moeder.



1.3.
Op 25 juni 2026 is ontvangen een e-mail (met bijlagen) van de vader.



1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:


de advocaat van de moeder, namens de moeder;


de vader;


- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .



1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.
De vader en de moeder zijn uit elkaar. [minderjarige] woont bij de vader.



2.3.
Op 5 december 2025 is [minderjarige] door de kinderrechter in de rechtbank Den Haag onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 5 december 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter toen een machtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader, bij wie [minderjarige] al woonde. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst op 7 mei 2026. De machtiging geldt tot 5 december 2026.





3Het (aangehouden) verzoek


3.1.
De GI heeft verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en, aansluitend, voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 5 december 2026. De GI heeft verzocht op het eerste deel van het verzoek te beslissen zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De GI heeft het verzoek ter zitting – samengevat – toegelicht als volgt. Over de ontwikkeling van [minderjarige] bestaan al langer grote zorgen. De aanleiding voor het indienen van het verzoek is gelegen in de zorgelijke uitspraken die [minderjarige] tegenover de GI heeft gedaan over zijn leefomstandigheden en over de communicatie tussen hem, de vader en zijn broertje. De GI heeft die uitspraken serieus genomen, mede omdat de zorgen die de moeder eerder heeft geuit hierdoor worden bevestigd. [minderjarige] had aangegeven niet langer bij de vader te kunnen blijven wonen, omdat de situatie onhoudbaar is. De GI heeft toen de mogelijkheden onderzocht voor een plaatsing ergens anders. Omdat [minderjarige] had aangegeven op straat te willen gaan slapen, is hij op de crisisopvang geplaatst. De dag daarna is gekeken naar een plek waar hij onder begeleiding zelfstandig kan wonen. [minderjarige] heeft een studio bezichtigd van Cara Care, maar die heeft hij afgewezen. Vervolgens is hij teruggekeerd naar de vader. Vanwege de ernst van de zorgen, is plaatsing van [minderjarige] op een neutrale plek het meest in zijn belang. Van daaruit kunnen de uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan verder worden onderzocht en kan meer zicht worden verkregen op de situatie. Als [minderjarige] toch bij de vader blijft, moet hulpverlening worden ingezet. Gedacht kan worden aan Ambulante Spoedhulp, of het traject ‘kort maar krachtig’.





4Het standpunt van de vader


4.1.
De vader verzet zich tegen plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Hij brengt – samengevat – het volgende naar voren. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de vader thuis. Er gelden regels, waarmee [minderjarige] het niet altijd eens is. [minderjarige] wil graag op zichzelf wonen. Hij heeft een gesprek gevoerd met de jeugdbeschermer om de mogelijkheden te verkennen. Daarbij is tegen hem gezegd dat de situatie aangedikt moest worden om zijn kans op zelfstandig wonen te vergroten. De GI heeft niet juist gehandeld door [minderjarige] op de crisisopvang te plaatsen. [minderjarige] wil daar niet verblijven en wordt er ongelukkig van.





5Het standpunt van de moeder


5.1.
De moeder staat achter de plaatsing van [minderjarige] op een neutrale plek. Namens haar wordt – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft al langere tijd zorgen over de situatie bij de vader thuis. Wat [minderjarige] aan de GI heeft verteld, bevestigt die zorgen. Dat [minderjarige] nu terugkomt op wat hij heeft gezegd, duidt erop dat hij onder druk staat. [minderjarige] moet op een neutrale plek loskomen uit de greep van de vader, zijn eigen identiteit ontwikkelen en daar hulp bij krijgen. Dat kan niet als hij bij de vader blijft.





6De beoordeling



Over de bevoegdheid van de kinderrechter




6.1.
Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de GI. Artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een minderjarige de woonplaats volgt van degene die het gezag over hem uitoefent.



6.2.
De moeder oefent het gezag over [minderjarige] uit. Zij woont in [plaats 3] . Dat betekent dat niet de rechtbank Rotterdam, maar de rechtbank Den Haag bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de GI.



6.3.
Zoals voorgeschreven in artikel 270 lid 1 Rv, verwijst de kinderrechter de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de wel bevoegde rechter.



6.4.
Omdat op een deel van het verzoek van de GI al is beslist door de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam en de ouders en [minderjarige] – op grond van de artikelen 800 lid 3 Rv en 809 lid 3 Rv – binnen twee weken na het nemen van die beslissing in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun mening over die beslissing kenbaar te maken, heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam hen wel daarover gehoord. Partijen hebben daar ter zitting mee ingestemd.



Over de al verleende (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing





6.5.
De kinderrechter heeft op 16 juni 2026 een (spoed)machtiging verleend tot plaatsing van de 16-jarige [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken (dus tot 14 juli 2026), omdat er – samengevat – zorgen waren over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader thuis en [minderjarige] aan de GI te kennen had gegeven dat hij het niet meer trekt en dat hij ergens anders wil verblijven. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] vrijwel direct na zijn plaatsing op de crisisopvang terug is gegaan naar de vader en dat hij daar ook is gebleven. [minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat hij terug naar huis is gegaan omdat hij het vreselijk vond op de crisisopvang, dat het thuis niet slecht gaat, en dat hij daar wil blijven. Volgens hem heeft de GI overhaastig gehandeld en is er niet geluisterd naar wat hij wil. Wat hij wil is naar een kamertrainingscentrum, omdat hij op termijn graag zelfstandig wil wonen. Wat hij niet wilde, was naar een crisisopvang. En zeker niet nu, want hij heeft toetsweek en die toetsweek is heel belangrijk voor hem, omdat hij graag van havo 3 naar vwo 4 wil. Wat hij ook niet wilde, was dat zijn gesprek met de GI gevolgen zou hebben voor zijn broertje, voor wie nu (bij de rechtbank in Den Haag) ook een verzoek is ingediend tot plaatsing op een groep. Volgens [minderjarige] klopt de informatie die de GI aan de kinderrechter heeft gegeven ook niet helemaal en zijn de leefomstandigheden op de boot waar hij met zijn vader en broertje woont goed. Volgens hem moet de GI niet afgaan op wat een tiener zegt, omdat tieners periodes hebben waarin zij even niets willen.



6.6.
De kinderrechter ziet in dit alles aanleiding om de op 16 juni 2026 verleende machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder in te trekken. Op basis van de nu beschikbare informatie kan niet worden geconcludeerd dat plaatsing van [minderjarige] op een groep noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Aan het in artikel 1:265b BW neergelegde criterium wordt daardoor op dit moment niet voldaan. Daarvoor is nader onderzoek naar de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vader thuis nodig.





7De beslissing


De kinderrechter:



7.1.
trekt de op 16 juni 2026 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder in met ingang van 25 juni 2026;



7.2.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, ter verdere behandeling naar de rechtbank Den Haag.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 29 juni 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.