Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9521
2026-07-15
Civiel recht
C/10/704755 / HA ZA 25-654
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 220 Rv. Verwijzing naar de familiekamer.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.695 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/704755 / HA ZA 25-654
Vonnis van 15 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Kandemir,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T. Erdal.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 4 augustus 2025, met producties 1 tot en met 11;
de conclusie van antwoord van 25 september 2025, met producties 1 tot en met 3;
de brieven van de rechtbank van 8 oktober 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 10 februari 2026;
het B16-formulier van de vrouw van 9 februari 2026, waarin wordt verzocht om verplaatsing van de mondelinge behandeling;
het bericht van de rechtbank van 9 februari 2026, waarin onder meer is meegedeeld de mondelinge behandeling wordt uitgesteld;
het B16-formulier van de man van 9 februari 2026;
het bericht van de rechtbank van 23 februari 2026;
het B16-formulier van de man van 23 februari 2026;
het bericht van de vrouw van 25 februari 2026, met daarbij de beschikking van de familierechter van 15 november 2024;
de brieven van de rechtbank, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 7 juli 2026;
het bericht van de rechtbank van 7 april 2026, waarin een wijziging van rechter is medegedeeld;
het bericht van de vrouw van 24 juni 2026, met daarbij de beschikking van de familierechter van 19 juni 2026 en nogmaals die van 15 november 2024;
het bericht van de rechtbank van 26 juni 2026, waarin is medegedeeld dat de mondelinge behandeling zich zal beperken tot de vraag of de zaak door deze kamer van de rechtbank moet worden verwezen naar de familiekamer van deze rechtbank;
de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarbij alleen de advocaten van partijen zijn verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd in [plaats] op [datum 1] 2020.
2.2.
Op [datum 2] 2023 is het verzoek van de vrouw tot echtscheiding bij de familiekamer van deze rechtbank ingekomen.
2.3.
In de hierop volgende procedure met zaaknummers / rekestnummers: C/10/661712 / FA RK 23-4962 en C/10/665997 / FA RK 23-6950 (gezamenlijk behandeld) heeft de rechtbank (team familie) op 15 november 2024 beschikking gegeven. Daarin is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De behandeling van de zaak is “ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap” pro forma aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen in overleg te gaan over de waardering van de activa van de eenmanszaak van de man, [bedrijf] .
2.4.
In de hiervoor onder 2.3. genoemde procedure is op 19 juni 2026 door de rechtbank (team familie) weer een beschikking gegeven, waarin een deskundige is benoemd om onderzoek te doen naar de waarde van het ondernemingsvermogen van [bedrijf] . Daarbij is de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap tussen partijen weer pro forma aangehouden, te weten tot 1 december 2026.
2.5.
De man en de vrouw hadden tijdens hun huwelijk samen een woning (hierna: de woning). De woning is na de echtscheiding verkocht.
3Het geschil
3.1.
De man vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw veroordeelt:
I. € 37.031,53 aan de man te betalen;
II. in de proceskosten.
3.2.
Het in 3.1 genoemde bedrag bestaat volgens de man uit de volgende bedragen:
€ 21.700,00: een geldvordering betreffende de gemeenschappelijke inboedel;
het restant: vorderingen van de man in verband met de lasten die hij heeft betaald voor de gemeenschappelijke woning in de periode van 1 juli 2023 tot de datum van levering door de man en de vrouw aan de koper (hypotheekrente, hypotheekaflossing, gemeentebelastingen, waterschapsbelasting en kosten ENECO).
3.3.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van de man in de proceskosten, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
4De beoordeling
4.1.
In artikel 220 Rv is bepaald dat in zaken die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, of in geval de zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter kan worden gevorderd. In deze zaken kan de rechter ook ambtshalve naar die andere rechter verwijzen, nadat partijen hierover zijn gehoord.
4.2.
De vrouw heeft – samengevat – aangevoerd dat de vorderingen van de man thuishoren in de al lopende verzoekschriftprocedure bij de familierechter, omdat daarin de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de orde is en van een eindbeschikking ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap geen sprake is. Door deze dagvaardingsprocedure omzeilt de man de verdelingsprocedure bij de familierechter. Dat brengt een risico met zich op tegenstrijdige beslissingen indien onderhavige procedure gelijktijdig wordt voortgezet met de eerder gestarte procedure bij de familiekamer. Daarnaast jaagt de man de vrouw met deze dagvaardingsprocedure onnodig op dubbele kosten. In de conclusie van antwoord heeft de vrouw geconcludeerd dat de man om de hiervoor genoemde redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ter zitting heeft de vrouw (bij monde van haar advocaat) zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden verwezen naar de familiekamer.
4.3.
Waar de reactie van de man – samengevat – aanvankelijk erop neer kwam dat er geen grond was om de zaak te verwijzen naar de familierechter, heeft de man (bij monde van zijn advocaat) tijdens de zitting gezegd dat hij ook wil dat de zaak wordt verwezen naar de familiekamer.
4.4.
De rechtbank verwijst de zaak op grond van artikel 220 Rv naar de kamer voor familiezaken van deze rechtbank. Wat de man in deze procedure vordert, ziet naar het voorlopig oordeel van de rechtbank op de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap (inboedel) alsmede op lasten van de gemeenschappelijke (voormalige echtelijke) woning die zijn ontstaan na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Dat maakt dat in onderhavige procedure sprake is van een zaak tussen partijen die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is gemaakt, dan wel in ieder geval verknocht is aan de procedure die tussen partijen aanhangig is bij de familiekamer. De verwijzing van deze zaak naar de familiekamer past ook bij het uitgangspunt dat de gevolgen van een echtscheiding – vanwege de samenhang die daar vaak tussen bestaat – zo veel als mogelijk gezamenlijk behandeld worden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kamer voor familiezaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam, voor verdere behandeling van de zaak volgens de regels die gelden voor verzoekschriftprocedures;
5.2.
wijst partijen erop dat de familierechter zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.3718/2334
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/704755 / HA ZA 25-654
Vonnis van 15 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Kandemir,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T. Erdal.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 4 augustus 2025, met producties 1 tot en met 11;
de conclusie van antwoord van 25 september 2025, met producties 1 tot en met 3;
de brieven van de rechtbank van 8 oktober 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 10 februari 2026;
het B16-formulier van de vrouw van 9 februari 2026, waarin wordt verzocht om verplaatsing van de mondelinge behandeling;
het bericht van de rechtbank van 9 februari 2026, waarin onder meer is meegedeeld de mondelinge behandeling wordt uitgesteld;
het B16-formulier van de man van 9 februari 2026;
het bericht van de rechtbank van 23 februari 2026;
het B16-formulier van de man van 23 februari 2026;
het bericht van de vrouw van 25 februari 2026, met daarbij de beschikking van de familierechter van 15 november 2024;
de brieven van de rechtbank, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 7 juli 2026;
het bericht van de rechtbank van 7 april 2026, waarin een wijziging van rechter is medegedeeld;
het bericht van de vrouw van 24 juni 2026, met daarbij de beschikking van de familierechter van 19 juni 2026 en nogmaals die van 15 november 2024;
het bericht van de rechtbank van 26 juni 2026, waarin is medegedeeld dat de mondelinge behandeling zich zal beperken tot de vraag of de zaak door deze kamer van de rechtbank moet worden verwezen naar de familiekamer van deze rechtbank;
de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarbij alleen de advocaten van partijen zijn verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd in [plaats] op [datum 1] 2020.
2.2.
Op [datum 2] 2023 is het verzoek van de vrouw tot echtscheiding bij de familiekamer van deze rechtbank ingekomen.
2.3.
In de hierop volgende procedure met zaaknummers / rekestnummers: C/10/661712 / FA RK 23-4962 en C/10/665997 / FA RK 23-6950 (gezamenlijk behandeld) heeft de rechtbank (team familie) op 15 november 2024 beschikking gegeven. Daarin is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De behandeling van de zaak is “ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap” pro forma aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen in overleg te gaan over de waardering van de activa van de eenmanszaak van de man, [bedrijf] .
2.4.
In de hiervoor onder 2.3. genoemde procedure is op 19 juni 2026 door de rechtbank (team familie) weer een beschikking gegeven, waarin een deskundige is benoemd om onderzoek te doen naar de waarde van het ondernemingsvermogen van [bedrijf] . Daarbij is de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap tussen partijen weer pro forma aangehouden, te weten tot 1 december 2026.
2.5.
De man en de vrouw hadden tijdens hun huwelijk samen een woning (hierna: de woning). De woning is na de echtscheiding verkocht.
3Het geschil
3.1.
De man vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw veroordeelt:
I. € 37.031,53 aan de man te betalen;
II. in de proceskosten.
3.2.
Het in 3.1 genoemde bedrag bestaat volgens de man uit de volgende bedragen:
€ 21.700,00: een geldvordering betreffende de gemeenschappelijke inboedel;
het restant: vorderingen van de man in verband met de lasten die hij heeft betaald voor de gemeenschappelijke woning in de periode van 1 juli 2023 tot de datum van levering door de man en de vrouw aan de koper (hypotheekrente, hypotheekaflossing, gemeentebelastingen, waterschapsbelasting en kosten ENECO).
3.3.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van de man in de proceskosten, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
4De beoordeling
4.1.
In artikel 220 Rv is bepaald dat in zaken die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, of in geval de zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter kan worden gevorderd. In deze zaken kan de rechter ook ambtshalve naar die andere rechter verwijzen, nadat partijen hierover zijn gehoord.
4.2.
De vrouw heeft – samengevat – aangevoerd dat de vorderingen van de man thuishoren in de al lopende verzoekschriftprocedure bij de familierechter, omdat daarin de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan de orde is en van een eindbeschikking ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap geen sprake is. Door deze dagvaardingsprocedure omzeilt de man de verdelingsprocedure bij de familierechter. Dat brengt een risico met zich op tegenstrijdige beslissingen indien onderhavige procedure gelijktijdig wordt voortgezet met de eerder gestarte procedure bij de familiekamer. Daarnaast jaagt de man de vrouw met deze dagvaardingsprocedure onnodig op dubbele kosten. In de conclusie van antwoord heeft de vrouw geconcludeerd dat de man om de hiervoor genoemde redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ter zitting heeft de vrouw (bij monde van haar advocaat) zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden verwezen naar de familiekamer.
4.3.
Waar de reactie van de man – samengevat – aanvankelijk erop neer kwam dat er geen grond was om de zaak te verwijzen naar de familierechter, heeft de man (bij monde van zijn advocaat) tijdens de zitting gezegd dat hij ook wil dat de zaak wordt verwezen naar de familiekamer.
4.4.
De rechtbank verwijst de zaak op grond van artikel 220 Rv naar de kamer voor familiezaken van deze rechtbank. Wat de man in deze procedure vordert, ziet naar het voorlopig oordeel van de rechtbank op de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap (inboedel) alsmede op lasten van de gemeenschappelijke (voormalige echtelijke) woning die zijn ontstaan na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Dat maakt dat in onderhavige procedure sprake is van een zaak tussen partijen die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is gemaakt, dan wel in ieder geval verknocht is aan de procedure die tussen partijen aanhangig is bij de familiekamer. De verwijzing van deze zaak naar de familiekamer past ook bij het uitgangspunt dat de gevolgen van een echtscheiding – vanwege de samenhang die daar vaak tussen bestaat – zo veel als mogelijk gezamenlijk behandeld worden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kamer voor familiezaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam, voor verdere behandeling van de zaak volgens de regels die gelden voor verzoekschriftprocedures;
5.2.
wijst partijen erop dat de familierechter zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.3718/2334