Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9517
2026-07-15
Civiel recht
C/10/712124 / HA ZA 25-1124
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geschil over de afrekening voor geleverde druiven en citroenen en over de (schade)vergoeding (van kosten) voor niet geleverde druiven. Partijen moeten elkaar over en weer betalen. Verrekening.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BM6088 Hoge Raad 17-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (46.804 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712124 / HA ZA 25-1124
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
EOSTA B.V.,
te Waddinxveen,
eisende partij,
hierna te noemen: Eosta,
advocaat: mr. J.P. Hellinga,
tegen
AGROMARINE LIMITADA,
te Santiaga, Chili,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Agromarine,
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen.
1De zaak in het kort
Eosta verhandelt biologische druiven en citroenen. Agromarine leverde deze aan Eosta. Partijen twisten over de afrekening voor geleverde druiven en citroenen en over de vraag of Agromarine misgelopen commissie aan Eosta moet vergoeden, omdat Agromarine een aantal containers met druiven niet heeft geleverd. Partijen hebben hiervoor over en weer vorderingen ingesteld. De rechtbank oordeelt dat partijen elkaar over en weer moeten betalen. Na verrekening resteert een vordering van Eosta op Agromarine van € 70.423,82, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2025, met producties 1 tot en met 3 en 5 tot en met 10;
- de brief van Eosta van 8 december 2025, met onder meer een exploot van betekening van de dagvaarding en beslagexploten;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 4 februari 2026, met producties 1 tot en met 8c;
- de brieven van de rechtbank van 17 februari 2026, waarin mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 18 maart 2026, met producties 11 en 12;
- het bericht van de rechtbank van 19 maart 2026, met daarin een zittingsagenda;
- de mondelinge behandeling van 24 april 2026, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Linssen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Eosta is een in Nederland gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de import van en handel in biologisch fruit, waaronder druiven en citroenen.
3.2.
Agromarine is een in Chili gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de export van en handel in biologisch fruit, zoals druiven en citroenen.
3.3.
In december 2023 zijn partijen de ‘Supply agreement grapes season 2024’ (hierna: SAG 2024) overeengekomen. Daarin is bepaald, voor zover relevant:
“13. Contract types
MGP Consignment (commission basis)
Details MGP per variety/box, see annex 1
(…)
17Quality Inspection & Report
- Eosta to inspect quality of fruit within 48 working hours after discharge and present Quality Reports to supplier. Supplier to carry out counter survey within 24 hours thereafter. QR’s are conclusive unless supplier proves otherwise through counter survey.
(…)
18Liability of Supplier for damages.
- (…) supplier also liable for damages as a result of untimely deliveries.
- Supplier liable for claims related to inherent vice as well quality claims and to safeguard Eosta from claims of third parties.
(…)
20. Law of the contract and place of justice. Dutch law applies and Courts in Rotterdam have jurisdiction. Vienna Convention on International Sale of Goods not applicable.”
3.4.
In december 2023 zijn partijen eveneens de ‘Supply agreement Lemon season 2024’ (hierna: SAL 2024) overeengekomen. Daarin is bepaald, voor zover relevant:
“13. Contract types
Consignment (commission basis)”
Het hierboven geciteerde artikel 20 van de SAG 2024, is ook in de SAL 2024 opgenomen.
3.5.
Op 9 juli 2024 stuurt Eosta een statusupdate aan Agromarine met betrekking tot de voorlopige balans betreffende afrekening van de in 2024 geleverde druiven.
3.6.
Op 25 juli 2024 reageert Agromarine: “column "V" MGP difference, does this mean that you say the result would be a total of EUR 74.386,55 below de MG invoiced ??”
3.7.
Op 1 augustus 2024 antwoordt Eosta:
“As discussed; yes, that € 74.386,55 is the difference on MGP level. This can we considered as the ‘loss’ of the season. The real loss is obviously to be appointed to those last 6 containers, arriving late with on top inferior quality compared to other arrivals.
Our proposal: we will split the loss of the 74K by Eosta and by Agromarine. We will make the last accountsales as per overview we send you but we will pay you additionally € 74.386,55 / 2 = € 37.193,28 on those results.”
3.8.
Op 1 augustus 2024 stuurt Agromarine aan Eosta een creditnota voor € 37.293,00. Daarop staat vermeld:
“Total value MG Invoiced EUR 738.479,50Less credit agreed 37.293,00Final Value Season 2024 701.186,50”
3.9.
Op 7 augustus 2024 heeft Eosta € 37.193,28 aan Agromarine voldaan.
3.10.
Op 11 september 2024 zijn partijen de ‘Supply agreement grapes season 2025’ (hierna: SAG 2025) overeengekomen. In artikel 8 daarvan is overeengekomen dat Agromarine circa 19 containers druiven zou leveren in de periode van week 12 tot en met week 19 van 2025. Verder is daarin bepaald, voor zover relevant:
“13. Contract types
Target MGP Consignment (commission basis)
Details Target MGP per variety/box, see annex 1
(…)
15Advance Payments
All prepayments to be paid in EUR against currency rate of payment date
-
Pre-season advance USD 325.000 in total
;
(…)
- Advance payment (
per presentation of shipping documents):
o First 5 containers USD 5.000 per container
(…)
(…)
o (…)
1. Advance-payments -pre- season or otherwise -or balance thereof shall be paid back and is due without further notice if supplier does misuse advance payment, and/or in case supplier does not start supplying as per time schedule, and/or does not continue supplying as per same.
(…)
16Payment conditions commission basis
1. Eosta sells the fruit for the account and risk of supplier on a commission basis. Commission is 10 % of the gross proceeds.
2. Costs to be deducted from gross proceeds; usual costs, like (ocean/air) freight and trucking costs, import duties and related penalties, fines and levies, handling and storage, (re)packing, destruction, grayed out related costs, laboratory, surveyor as well as quality claims or claims about non organic status from buyers.”
Het hiervoor geciteerde artikel 20 van de SAG 2024, is ook in de SAG 2025 opgenomen.
3.11.
Eosta heeft de ‘pre-season advance’ van USD 325.000 voldaan.
3.12.
Op 12 december 2024 heeft Eosta ten aanzien van de in 2024 geleverde citroenen aan Agromarine geschreven dat en waarom zij het niet eens is met het standpunt van Agromarine dat Eosta verantwoordelijk zou zijn voor de door Agromarine geleden verliezen betreffende de citroenen in 2024. Verder schrijft Eosta:
“Nevertheless, as I said during our previous conversations, I am convinced your financial problems are serious.
And we have to continue like the partners we consider each other, despite the things said.
We are willing to share the loss of € 135.000,- as described with 50-50%: € 67.500,-
However, as I also shared in confidence with you; we are currently in a very bad financial shape, and are simply not able to physically wire over this amount. We can give you our commitment to transfer this seasonal support on the first of May, 2025. If you want, I can make a formally signed statement confirming this. Perhaps you can use this for [naam 1] and for [naam 2] . Currently we can not antedate this date, as we have other priorities that need prior payment, like for example our agreement for the table grapes. Another construction could be we delay the current payment schedule of grapes with € 67.500,- until May, and use this reserved money for your bills on lemon.”
3.13.
Agromarine schrijft op 21 januari 2025 aan Eosta, onder andere:
“It was good to see each other again and talk about many things related to our cooperation so far.
Herewith I would like to summarize the most relevant points we talked about.
As explained to you , last season and the results presented by Eosta to us have been a real disaster for us.
1. Season 2024 Lemons
EOSTA will pay to Agromarine EUR 67.500 between March and May 2025.
Please provide a payment calendar.
2. Grapes 2024
After the agreement with [naam 3] ( credit note of EUR 37.293 ) and as explained several times, there is a balance open in our accounting of EUR 158.550 ( see previous emails )
We have paid in Chile according to the Agreement with [naam 3] , as explained to you, so we have still a huge minus in the grape operation which is causing severe impact on our cash flow and commitments in Chile.
Specially because of the financial support provided to [naam 4] which has been much more than your payments, as explained to you.
So as agreed, we need you to reimburse us this amount during 2025 and until June.
[As] a proof of our goodwill we will issue an additional credit note of eur 18.550, being then the outstanding amount a total of EUR 140.000
Im sure you will understand this, we cannot charge [naam 4] in 2025 with this issue of 2024, he needs good results for his retirement and we too as we are investing and recovering the farm as you saw in person.”
3.14.
Agromarine heeft in 2025 drie containers druiven verscheept aan Eosta, te weten steeds één container op 1 maart 2025 respectievelijk 7 maart 2025 en 14 maart 2025. De overige zestien containers die Agromarine op grond van SAG 2025 zou verschepen, zijn nooit geleverd aan Eosta.
3.15.
Voor de drie de containers die Agromarine wel heeft geleverd, heeft Eosta aan Agromarine een advance payment van USD 5.000,00 per container betaald.
3.16.
Op 18 maart 2025 schrijft Agromarine aan Eosta, in een e-mailbericht met als onderwerp “RE: starting grape loads / perspectives”, voor zover relevant:
“Can you help paying this week the lemons ?
Make me a proposal for [grapes] 2024, we are ready to make an extra effort but we are running a crisis since the unpayments of last year”
3.17.
Op 28 april 2025 schrijft Eosta aan Agromarine, onder meer:
“We have paid an aggregate pre season advance amount to you of € 335.445,00 and you have only shipped 3 containers instead of the 19 as agreed.
(…) We have suspended payment, because you did not ship any containers as you had committed yourself to do and had again promised to do when we were in Chile in January of this year. We repeat we are still willing to pay, provided you without any delay comply with your commitment to ship the remaining 16 containers of grapes. (…)
You have a clear cut obligation to supply us with another 16 containers with grapes and there no excuses whatsoever not to ship these containers, which you despite our many requests, have refused to do. Instead you sold and delivered to other importers, leaving us completely empty handed. That is unacceptable. We pay you € 335.000,00 up front, much more than usual, to help you and in then after shipping only shipping only 3 containers to us, (…)
We once more must ask you to redirect to us any containers currently being shipped to Europe - with a minimum of 16 - within 8 days from now allowing us to receive same before contract's end. If you sent us the shipping documents, we are perfectly willing to pay you the extra money for the lemons.”
Eosta wijst Agromarine daarbij ook op een openstaande balans waarbij Eosta nog € 216.000,00 van Agromarine tegoed heeft en dat zij bij uitblijven van levering de schade op Agromarine zal verhalen.
3.18.
Op 9 mei 2025 heeft Eosta van de Voorzieningenrechter verlof verkregen tot het leggen van twee conservatoire derdenbeslagen. Op 20 mei 2025 heeft Eosta die conservatoire derdenbeslagen gelegd. Eosta heeft Agromarine vervolgens bij exploot daarover geïnformeerd, op 27 mei 2025.
3.19.
Op 20 mei 2025 stuurt Eosta een e-mail aan Agromarine met onderwerp “Closing grapes season 2025” waarbij zij de afrekening van de derde container stuurt en aangeeft dat Agromarine aan haar na verrekening van de opbrengst van ook die derde container nog € 219.281,00 verschuldigd is, exclusief eventuele claims van retail-klanten die niet konden worden bediend door Eosta. Voor specificatie van het bedrag verwijst Eosta naar een bijgevoegd overzicht. Dat overzicht is in deze procedure niet ingebracht. Daarbij schrijft Eosta in diezelfde e-mail € 96.000,00 aan schadevergoeding te willen ontvangen omdat Agromarine in 2025 16 containers druiven minder heeft geleverd dan was overeengekomen. Eosta verzoekt om in totaal € 315.291,00 over te maken binnen acht dagen na de e-mail.
3.20.
Op 20 mei 2025 reageert Agromarine afwijzend. Zij wijst erop dat er voor de in 2024 geleverde druiven nog een rekening van ongeveer € 158.000,00 openstaat en dat de € 67.500,00 voor de citroenen van 2024 nog niet is betaald.
4Het geschil
in conventie
4.1.
Eosta vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Agromarine veroordeelt:
I. primair; tot betaling aan Eosta van € 315.291,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente per 7 mei 2025;
subsidiair; tot betaling aan Eosta van € 247.791,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente per 7 mei 2025;
II. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;
III. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
4.2.
Agromarine voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Eosta in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen. Ingeval toewijzing van de vorderingen van Eosta verzoekt Agromarine deze niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel deze uitsluitend uitvoerbaar bij voorraad te verklaren onder de voorwaarde dat Eosta voor een gelijk bedrag ten behoeve van Agromarine zekerheid stelt zolang dit vonnis geen kracht van gewijsde heeft gekregen. Voorts vraagt Agromarine om veroordeling van Eosta in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
4.3.
Agromarine vordert, na eisvermindering, dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Eosta veroordeelt:
I. tot betaling aan Agromarine van € 21.315,56, dan wel € 224.343,17, indien verrekening niet is toegestaan, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de betreffende factuurbedragen steeds vanaf de eenendertigste dag na de factuurdatum;
II. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
4.4.
Eosta voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Agromarine in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van Eosta in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
5De beoordeling in conventie en reconventie
De rechtbank Rotterdam is (internationaal) bevoegd en Nederlands recht is van toepassing
5.1.
De zaak heeft een internationaal karakter, omdat Agromarine buiten Nederland is gevestigd. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht van toepassing is.
5.2.
Partijen zijn in artikel 20 SAG 2024, artikel 20 SAL 2024 en artikel 20 SAG 2025 overeengekomen dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van geschillen voortvloeiende uit de overeenkomsten. Het geschil tussen partijen gaat over die overeenkomsten. De rechtbank Rotterdam is daarom bevoegd kennis te nemen van dit geschil (artikel 25 Brussel I-bis).
5.3.
In artikel 20 van de drie voornoemde overeenkomsten is voorts bepaald dat deze overeenkomsten worden beheerst door Nederlands recht, met uitsluiting van het Weens Koopverdrag (artikel 6 Weens Koopverdrag). Nederlands recht is zodoende van toepassing op dit geschil (artikel 3 Rome I).
Achtergrond van de geschillen in conventie en reconventie; gezamenlijke behandeling
5.4.
In conventie ligt de vraag voor of en met name wat Agromarine aan Eosta moet (terug)betalen ten aanzien van de in 2025 al dan niet geleverde druiven, omdat – kort gezegd – zij wel vooruitbetalingen van Eosta heeft ontvangen, terwijl zij uiteindelijk maar drie in plaats van negentien containers druiven heeft geleverd, en Eosta daardoor winst in de vorm van commissie heeft misgelopen. Daartegenover staat dat Agromarine stelt dat Eosta nog een openstaande rekening heeft voor de in 2024 geleverde druiven gelet op de afgesproken minimum gegarandeerde prijs en aangaande de in 2024 geleverde citroenen vanwege latere afspraken. In conventie beroept Agromarine zich op verrekening en in reconventie vordert zij betaling van het meerdere, dan wel van het geheel als verrekening in conventie niet mogelijk is.
5.5.
Gelet op deze samenhang worden de zaken in conventie en reconventie gezamenlijk behandeld.
Druiven 2025 (conventie); Agromarine is € 198.876,00 verschuldigd
5.6.
Ter zake van de al dan niet in 2025 geleverde druiven (hierna ook: de 2025-druiven) zijn partijen het erover eens:
- dat Eosta een pre-season advance van USD 325.000,00 heeft betaald en driemaal een advance payment van USD 5.000,00 voor de geleverde containers druiven;
- dat Agromarine een vordering op Eosta heeft van € 130.179,79 vanwege de doorverkoop door Eosta van de drie geleverde containers (zonder dat daarvan de advance payments zijn afgetrokken); en
- dat Agromarine de door Eosta voorgeschoten verpakkingskosten van € 34.005,00 dient te vergoeden.
5.7.
Eosta heeft onbetwist – afgezien van de door Agromarine gevoerde verrekenings- en opschortingsverweer – gesteld dat op grond van artikel 15 lid 1 SAG 2025 de pre-season advance op 21 april 2025 opeisbaar is geworden, omdat de resterende zestien containers met 2025-druiven uiterlijk op 20 april 2025 verscheept hadden moeten worden om tijdig te leveren en nakoming niet meer te verwachten was omdat het oogstseizoen voor druiven in Chili op dat moment reeds ten einde was.
5.8.
Over de koers waarmee de bedragen in USD moeten worden omgerekend zijn partijen het niet eens, blijkt uit de omrekeningen van partijen met verschillende uitkomsten. Over de precieze dag waarop deze bedragen zijn voldaan of welk bedrag in euro’s daarvoor dan is betaald, zijn geen stellingen ingenomen en is niet (in afdoende mate) ter herleiden uit de onderbouwende stukken. De rechtbank neemt de wisselkoers van 21 april 2025 tot uitgangspunt. De pre-season advance is tegen die wisselkoers € 282.033,00. De advance payments bedragen tegen die koers ieder € 4.339,00, dus gezamenlijk € 13.017,00.
5.9.
Ter zake van de 2025-druiven is Agromarine zodoende een hoofdsom verschuldigd van (€ 282.033,00 + € 13.017,00 + € 34.005,00 - € 130.179,79 =) € 198.876,00.
Druiven 2025 (conventie); Agromarine kan zich niet op opschorting beroepen en moet de gederfde winst van € 96.000,00 vergoeden
5.10.
Eosta stelt per in 2025 niet geleverde container druiven € 6.000,00 schade te hebben geleden. De commissie die Eosta op de drie wel geleverde containers gemiddeld heeft ontvangen bedraagt namelijk € 6.146,22. Volgens Eosta heeft zij die schade terughoudend begroot, omdat de marktprijzen voor biologische druiven uit Chili in de periode april 2025 tot en met mei 2025 steeds heel sterk zijn geweest.
5.11.
Agromarine betwist dat Eosta schade heeft geleden. Als Eosta afzetmogelijkheden had, dan had Eosta volgens Agromarine ook bij andere producenten druiven kunnen inkopen. Daarnaast heeft Agromarine aangevoerd dat zij haar leveringsverplichtingen voor de 2025 druiven heeft opgeschort, totdat Eosta het openstaande bedrag voor seizoen 2024 volledig had betaald.
5.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat het oogstseizoen voor druiven in Chili grofweg van februari tot en met april loopt en dat alle druiven al zijn verhandeld voordat het oogstseizoen begint.
5.13.
Eosta heeft gesteld dat het voor haar op het moment dat Agromarine na 14 maart 2025 niet meer verscheepte niet mogelijk was om terstond of op zeer korte termijn dekkingskopen te verrichten. Het is midden in het oogstseizoen bij een gespannen markt met stijgende prijzen namelijk onmogelijk om zestien containers met Chileense biologische druiven bij een andere teler/exporteur te kopen en deze tijdig in Rotterdam te krijgen. Daarnaast, stelt Eosta onbetwist dat Agromarine de zestien containers druiven heeft doorverkocht aan een derde. Gelet daarop en op de stijgende markt had Eosta de afgesproken zestien containers zeker kunnen verkopen, aldus Eosta.
5.14.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Agromarine hiertegen niets (nieuws) meer ingebracht. De rechtbank oordeelt daarom dat Agromarine haar betwisting dat Eosta geen schade zou hebben geleden, onvoldoende heeft gemotiveerd en gaat daaraan voorbij. De hoogte van de door Eosta gesteld schade (16 containers x € 6.000,00 gederfde winst per container = € 96.000,00) heeft Agromarine niet betwist.
5.15.
Agromarine stelt dat zij per e-mail in februari 2025 aan Eosta heeft medegedeeld dat zij de levering van de 2025-druiven heeft opgeschort. Eosta betwist dit en geeft aan niet bekend te zijn met het bericht waarnaar Agromarine verwijst en ook anderszins niet bekend te zijn geweest met opschorting door Agromarine.
5.16.
Voor een beroep op opschorting geldt in zijn algemeenheid niet dat het opschorten van een prestatie aan de wederpartij kenbaar moet zijn gemaakt. Evenwel kan onder omstandigheden uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij aan zijn wederpartij heeft meegedeeld dat hij opschort en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen.
5.17.
Vast staat dat Agromarine op 14 maart 2025 nog een container druiven heeft verscheept. Verder heeft Agromarine op 18 maart 2025 een bericht gestuurd met als onderwerp “RE: starting grape loads / perspectives” waarin zij Eosta vraagt om met een voorstel te komen voor de 2024-druiven én aangeeft dat zij bereid is een tandje bij te zetten. Gelet op het onderwerp van het bericht begrijpt de rechtbank dit als dat het laatste gaat om de bereidheid een tandje bij te zetten voor de in 2025 nog te leveren druiven. Eosta is in ieder geval tot en met 28 april 2025 aan Agromarine blijven vragen naar de resterende zestien containers druiven. Deze feiten stroken niet met (bekendheid met) een mededing van een opschorting in februari 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet vast komen te staan dat sprake is geweest van een (duidelijke) opschortingsmededeling van Agromarine aan Eosta in februari 2025. Hieruit volgt dat Agromarine zich eerst gedurende deze procedure (met terugwerkende kracht) is gaan beroepen op opschorting.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat het niet redelijk is dat Agromarine zich thans op opschorting beroept. Niet is vast komen staan dat Agromarine een opschortingsmededeling heeft gedaan voordat zij is gestopt met het verschepen van de druiven en gesteld noch gebleken is dat Eosta anderszins had behoren te begrijpen dat Agromarine de leveringen had opgeschort, omdat Agromarine wilde dat eerst haar vordering ten aanzien van 2024 was voldaan. Door midden in het oogstseizoen, zonder een aankondiging en zonder de grond daarvoor aan te geven, te stoppen met het verschepen van de druiven was schade voor Eosta niet meer te voorkomen. De rechtbank acht het beroep op opschorting dat Agromarine (pas) in deze procedure doet onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan ook onaanvaardbaar en gaat daaraan voorbij.
5.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat Agromarine haar verbintenis om de betreffende zestien containers druiven aan Eosta te leveren niet is nagekomen. Zodoende moet Agromarine € 96.000,00 aan schadevergoeding betalen aan Eosta (artikel 6:74 lid 1 en 6:96 lid 1 BW).
Wettelijke (handels)rente (conventie)
5.20.
Agromarine vordert de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over alle door haar gevorderde bedragen vanaf 7 mei 2025.
5.21.
De rechtbank beoordeelt dit voor de in conventie toe te wijzen bedragen per deelbedrag, te weten (i) € 164.871,00 ter zake van de terug te betalen aanbetalingen, (ii) € 34.005,00 aan voorgeschoten verpakkingskosten, en (iii) € 96.000,00 aan schadevergoeding.
5.22.
Ten aanzien van de aanbetalingen (i) vordert Eosta terecht de wettelijke handelsrente, omdat het gaat om de vertraging in de voldoening van een geldsom die verschuldigd is op grond van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a lid 1 BW; artikel 15 lid 1 SAG 2025). Uit artikel 15 lid 1 SAG 2025 volgt echter geen overeengekomen uiterste dag van betaling. Deze is anderszins ook niet gesteld of gebleken. In samenhang met het bericht van 28 april 2025, begrijpt de rechtbank het bericht 20 mei 2025 als het moment waarop Eosta aan Agromarine een ‘factuur’ heeft verzonden, in de zin van artikel 6:119a lid 2 BW. De wettelijke handelsrente over de terug te betalen aanbetalingen is daarom eerst vanaf 30 dagen daarna verschuldigd, te weten 21 juni 2025 (artikel 6:119a lid 2 aanhef en onder a BW).
5.23.
Ook ten aanzien van de voorgeschoten verpakkingskosten (ii) vordert Eosta terecht de wettelijke handelsrente, omdat het gaat om de vertraging in de voldoening van een geldsom die verschuldigd is op grond van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a lid 1 BW). Eosta heeft echter niets gesteld over het moment waarop deze kosten uiterlijk hadden moeten zijn betaald. Daarom is de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over de te betalen voorgeschoten verpakkingskosten van € 34.005,00 toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding, te weten 16 juni 2026.
5.24.
Over de schadevergoeding van € 96.000,00 is de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar. Een schadevergoeding is namelijk niet een geldsom die verschuldigd is op grond van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a lid 1 BW). De gewone wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW is daarop wel van toepassing. Op 28 april 2025 heeft Eosta Agromarine aangemaand de resterende 2025-druiven binnen acht dagen alsnog te leveren. Op 6 mei 2025 heeft Agromarine daar niet aan voldaan. Daarom is Agromarine vanaf 7 mei 2025 daarmee in verzuim (artikel 6:83 aanhef en onder b BW). Daarom is de gewone wettelijke rente toewijsbaar over de gederfde winst vanaf 7 mei 2025 (artikel 6:119 lid 1 BW).
Druiven 2024 (reconventie); Eosta moet nog € 156.843,17 betalen
5.25.
Ter zake van de in 2024 geleverde druiven (hierna ook: de 2024-druiven) stelt Agromarine dat er nog een vordering op Eosta openstaat. Er is volgens haar een gegarandeerde minimum prijs overeengekomen (‘MGP’), opgenomen in bijlage 1 bij de SAG 2024. In reconventie wil Agromarine, onder meer, betaling van hetgeen op grond van die minimumprijzen nog verschuldigd is, te weten € 156.843,17.
5.26.
Eosta betwist niet dat die MGP is overeengekomen. Zij voert wel het verweer dat die MGP niet altijd van toepassing is. Deze geldt volgens haar namelijk niet als de geleverde druiven mindere kwaliteit hadden dan is overeengekomen of als de druiven te laat zijn geleverd. Volgens Eosta is dat allebei ook het geval geweest met de 2024-druiven en is zij daarom niet de MGP verschuldigd.
5.27.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de 2024-druiven een creditering van € 37.293,00 is afgesproken. Eosta stelt dat de 2024-druiven-overeenkomst volledig en definitief was afgewikkeld met de afgesproken creditering en haar betaling ter voldoening van die creditering op 7 augustus 2024. Agromarine betwist dat en wijst in dat verband onder meer naar haar (pro-forma) facturen, waaronder haar factuur van 1 augustus 2024 waarop staat dat na creditering de totale vordering van Agromarine op Eosta voor de 2024-druiven € 701.186,50 bedraagt. Volgens Eosta zeggen die facturen echter niets over de tussen partijen gemaakte afspraken.
5.28.
De rechtbank overweegt dat een MGP gebruikelijk wordt overeengekomen om een deel van het marktrisico en extreme prijsschommelingen op de markt af te dekken. Als er iets mis is met de kwaliteit of de levertijd hoort dat niet ten koste te gaan van de MGP. Daar zijn gebruikelijk andere mechanismen voor, zoals die door partijen ook zijn overeengekomen in artikel 17 en 18 SAG 2024. Als Eosta schade heeft geleden op grond van te late levering of kwaliteitsclaims dan had zij dit apart en inzichtelijk als schade op Agromarine moeten verhalen. Gesteld noch gebleken is dat Eosta dit heeft gedaan. Nu heeft Eosta de druiven kennelijk voor minder verkocht dan de MGP. Het verschil tussen de behaalde opbrengst en de MGP komt voor rekening en risico van Eosta.
5.29.
Tussen partijen is niet in geschil dat Eosta € 544.343,33 heeft betaald voor de 2024-druiven. Anders dan Eosta meent, oordeelt de rechtbank dat Agromarine met haar factuur van 1 augustus 2024 wel kenbaar heeft gemaakt dat er na de creditering nog een bedrag openstaat. Eosta heeft op deze factuur niet gereageerd. Daarbij heeft Agromarine later nogmaals kenbaar gemaakt dat er nog een bedrag openstaat voor de 2024-druiven, zoals in haar berichten van 21 januari 2025, 18 maart 2025 en 20 mei 2025. De stelling van Eosta dat Agromarine pas in onderhavige procedure is teruggekomen op het voor die druiven volgens haar openstaande bedrag, is dan ook niet juist. De rechtbank kan Eosta daarom niet volgen in haar stelling dat de 2024-druiven-overeenkomst volledig en definitief is afgewikkeld met de afgesproken creditering en haar betaling van € 37.193,28 op 7 augustus 2024.
5.30.
Eosta heeft voorts niet betwist dat de MGP voor de 2024-druiven, minus de creditering, uitkomt op het bedrag € 701.186,50 en dat zodoende een verschil resteert van (€ 701.186,50 - € 544.343,33 =) € 156.843,17.
5.31.
De rechtbank oordeelt dan ook dat Eosta aan Agromarine € 156.843,17 moet betalen voor de 2024-druiven.
Citroenen 2024 (reconventie); Eosta moet € 67.500,00 betalen
5.32.
Ten aanzien van de in 2024 geleverde citroenen (hierna ook: de 2024-citroenen) stelt Agromarine dat Eosta haar nog € 67.500,00 heeft te voldoen, zoals blijkt uit het e-mailbericht van 12 december 2024.
5.33.
Tussen partijen is niet in geschil dat Eosta dat bedrag nog niet aan Agromarine heeft voldaan. Eosta stelt echter dat partijen zijn overeengekomen dat deze betaling was gekoppeld aan het nakomen van de overeenkomst ter zake van de 2025-druiven, en dat zij die € 67.500,00 niet verschuldigd is, omdat Agromarine die afspraken niet is nagekomen.
5.34.
Agromarine betwist dat de betaling van € 67.500,00 zou zijn verbonden aan het nakomen van de afspraken voor de 2025-druiven.
5.35.
De rechtbank oordeelt als volgt. In de mail van 12 december 2024 schrijft Eosta over het betalen van de extra € 67.500,00 voor de 2024-citroenen alleen; “We can give you our commintment to transfer this seasonal support on the first of May, 2025.” Hieruit blijkt niet dat een voorwaarde is verbonden aan de betaling. Een dergelijk voorwaardelijk verband is ook nergens anders uit gebleken. Eosta voert aan dat 1 mei 2025 bewust is gekozen, gelet op de levertermijnen voor de 2025-druiven. De rechtbank volgt Eosta daar echter niet in, omdat uit haar e-mail van 12 december 2024 volgt dat die termijn voortkomt uit betalingsonmacht aan de zijde van Eosta.
5.36.
Pas in de mail van 28 april 2025 schrijft Eosta dat zij de extra betaling ter zake van de 2024-citroenen afhankelijk stelt aan de nakoming van de 2025-druiven. Het uitgangspunt is echter wat partijen in december 2024 zijn overeengekomen. Niet is gesteld of gebleken dat Agromarine er in april 2025 mee heeft ingestemd de in december 2024 gemaakte afspraak te wijzigen.
5.37.
De rechtbank oordeelt dan ook dat Eosta € 67.500,00 aan Agromarine moet betalen voor de 2024-citroenen omdat partijen dat in december 2024 zijn overeengekomen.
Wettelijke (handels)rente (reconventie)
5.38.
Agromarine vordert in reconventie de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over de gevorderde hoofdsom vanaf de eenendertigste dag na de factuurdatum.
5.39.
Het gaat hier om de vertraging in de voldoening van een geldsom die verschuldigd is op grond van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a lid 1 BW). De wettelijke handelsrente is dan ook verschuldigd.
5.40.
Ter zake van de 2024-druiven heeft Agromarine niets gesteld over de factuurdata, dan wel over de uiterste dag van betaling (artikel 6:119a lid 1 en 2 BW). De wettelijke handelsrente over het bedrag van € 156.843,17 wordt daarom toegewezen vanaf de datum waarop Agromarine haar conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie heeft ingediend, te weten 4 februari 2026.
5.41.
Met betrekking tot de € 67.500,00 voor de 2024-citroenen was de afspraak dat deze op 1 mei 2025 zou zijn betaald. Daarom is daarover de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 2 mei 2025 (artikel 6:119a lid 1 BW).
Door Eosta gevorderde BIK worden afgewezen (conventie)
5.42.
De door Eosta gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Voor buitengerechtelijke kosten moet worden gesteld dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang van die kosten redelijk zijn (artikel 6:96 lid 2 sub c BW). Eosta heeft slechts terloops gesteld een buitengerechtelijke handeling te hebben verricht, maar geheel niets gesteld over de kosten daarvan.
Verrekening vorderingen conventie en reconventie
5.43.
De rechtbank verrekent de vorderingen van partijen. Daardoor gaan deze tot hun gemeenschappelijk beloop teniet (artikel 6:127 lid 1 BW). Daarbij geldt dat de verrekening terugwerkt tot op het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan (artikel 6:129 lid 1 BW). Voorts geldt bij de verrekening dat deze eerst op de verschenen rente in mindering moet worden gebracht en daarna pas op de hoofdsom en de lopende rente (artikel 6:44 lid 1 BW).
5.44.
Eosta heeft van Agromarine te vorderen:
€ 164.871,00 aan terug te betalen aanbetalingen, opeisbaar vanaf 21 april 2025, en vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 21 juni 2025;
€ 34.005,00 aan te betalen voorgeschoten verpakkingskosten, opeisbaar vanaf 16 juni 2026 (overeenkomstig het in 5.23 gegeven oordeel), en vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 16 juni 2026; en
€ 96.000,00 aan schadevergoeding, opeisbaar vanaf 7 mei 2025 (zoals volgt uit het in 5.24 gegeven oordeel), en vermeerderd met de gewone wettelijke rente daarover vanaf 7 mei 2025.
5.45.
Agromarine heeft van Eosta te vorderen:
€ 156.843,17 ter zake van de 2024-druiven, voor zover in de procedure kan worden vastgesteld in ieder geval opeisbaar vanaf 1 augustus 2024 (zie 3.8), en vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 4 februari 2026; en
€ 67.500,00 ter zake van de 2024-citroenen, opeisbaar vanaf 2 mei 2025 (zoals volgt uit het in 5.41 gegeven oordeel), en vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 2 mei 2025.
5.46.
Dat betekent dat op 21 april 2025 voor het eerst kon worden verrekend, te weten vordering a. van Agromarine met vordering a. van Eosta. Op dat moment is er nog geen rente verlopen. Zodoende resteert op dat moment een vordering van (€ 164.871,00 - € 156.843,17 =) € 8.027,83 voor Eosta op Agromarine.
5.47.
Het volgende verrekenmoment is op 2 mei 2025, namelijk met vordering b. van Agromarine. Op dat moment is nog steeds geen rente verlopen. Na verrekening resteert een vordering van (€ 67.500,00 - € 8.027,83 =) € 59.472,17 voor Agromarine op Eosta.
5.48.
Op 7 mei 2025 moet deze vordering weer worden verrekend met vordering c. van Eosta. Over het bedrag van € 59.472,17 is intussen, vanaf 2 mei 2025 tot en met 7 mei 2025, aan wettelijke handelsrente verschenen: het bedrag van € 109,01. Daarom resteert na verrekening een vordering van (€ 96.000,00 - € 109,01 - € 59.472,17 =) € 36.418,82 voor Eosta op Agromarine. Over dat bedrag is Agromarine vanaf 7 mei 2025 ook de gewone wettelijke rente verschuldigd, aangezien dat het restant van vordering c. van Eosta betreft.
5.49.
Vanaf 16 juni 2025 komt daarbij vordering b. van Eosta op Agromarine, en is Agromarine aan Eosta € 34.005,00 verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 16 juni 2025.
5.50.
Gelet op al het voorgaande veroordeelt de rechtbank Agromarine om aan Eosta € 70.423,82 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 36.418,82 vanaf 7 mei 2025 en vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over € 34.005,00 vanaf 16 juni 2025.
De proceskosten
5.51.
In conventie wordt Agromarine grotendeels in het ongelijk gesteld. Agromarine wordt daarom in conventie veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Eosta in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 6.147,00
- salaris advocaat conv. € 5.770,00 (2 x 1 punt × tarief VI € 2.885,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.225,40
5.52.
De door Eosta in conventie gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.53.
In reconventie wordt Eosta grotendeels in het ongelijk gesteld. Eosta wordt daarom in reconventie veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Agromarine in reconventie worden begroot op:
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat reconv. € 5.770,00 (2 x 1 punt x tarief VI € 2.885,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.820,00
5.54.
De door Agromarine in reconventie gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Agromarine moet de beslagkosten van Eosta betalen
5.55.
De rechtbank oordeelt ambtshalve over de door Eosta gemaakte beslagkosten, omdat uit de stellingen en overgelegde stukken van Eosta blijkt dat er beslag is gelegd en welke kosten daarbij zijn gemaakt. Agromarine moet, omdat zij in conventie grotendeels in het ongelijk is gesteld, deze kosten vergoeden. De beslagkosten van Eosta worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- explootkosten € 670,07 (€ 247,88 + € 247,88 + € 85,68 + € 88,63)
- salaris advocaat € 653,00 (1 x 1 punt × tarief II € 653,00)
Totaal € 2.037,07
Uitvoerbaar bij voorraad
5.56.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat Agromarine heeft gevoerd tegen de uitvoerbaarverklaring en haar verzoek om aan de uitvoerbaarverklaring de voorwaarde te verbinden dat Eosta zekerheid dient te stellen, omdat Agromarine dit verweer en verzoek in het geheel niet heeft onderbouwd. De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen dan ook uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv), met uitzondering van de veroordeling die ziet op de beslagkosten. De veroordeling tot betaling van de beslagkosten wordt niet uitvoerbaar verklaard, omdat deze het gevolg is van een ambtshalve beoordeling en Eosta hier geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring voor heeft gevorderd.
6De beslissing in conventie en reconventie
De rechtbank
6.1.
veroordeelt Agromarine aan Eosta € 70.423,82 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 36.418,82 vanaf 7 mei 2025 en vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over € 34.005,00 vanaf 16 juni 2025.
6.2.
veroordeelt Agromarine in conventie in de proceskosten van Eosta ad € 12.225,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.3.
veroordeelt Agromarine in conventie in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Eosta als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;
6.4.
veroordeelt Eosta in reconventie in de proceskosten van Agromarine ad € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.5.
veroordeelt Eosta in reconventie in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Agromarine als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;
6.6.
veroordeelt Agromarine om aan Eosta € 2.037,07 aan beslagkosten te betalen;
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 6.1 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.3718/2459
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, Wenen, 11 april 1980.
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).
Hoge Raad 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6088.
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712124 / HA ZA 25-1124
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
EOSTA B.V.,
te Waddinxveen,
eisende partij,
hierna te noemen: Eosta,
advocaat: mr. J.P. Hellinga,
tegen
AGROMARINE LIMITADA,
te Santiaga, Chili,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Agromarine,
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen.
1De zaak in het kort
Eosta verhandelt biologische druiven en citroenen. Agromarine leverde deze aan Eosta. Partijen twisten over de afrekening voor geleverde druiven en citroenen en over de vraag of Agromarine misgelopen commissie aan Eosta moet vergoeden, omdat Agromarine een aantal containers met druiven niet heeft geleverd. Partijen hebben hiervoor over en weer vorderingen ingesteld. De rechtbank oordeelt dat partijen elkaar over en weer moeten betalen. Na verrekening resteert een vordering van Eosta op Agromarine van € 70.423,82, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2025, met producties 1 tot en met 3 en 5 tot en met 10;
- de brief van Eosta van 8 december 2025, met onder meer een exploot van betekening van de dagvaarding en beslagexploten;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 4 februari 2026, met producties 1 tot en met 8c;
- de brieven van de rechtbank van 17 februari 2026, waarin mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 18 maart 2026, met producties 11 en 12;
- het bericht van de rechtbank van 19 maart 2026, met daarin een zittingsagenda;
- de mondelinge behandeling van 24 april 2026, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Linssen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Eosta is een in Nederland gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de import van en handel in biologisch fruit, waaronder druiven en citroenen.
3.2.
Agromarine is een in Chili gevestigde onderneming die zich bezighoudt met de export van en handel in biologisch fruit, zoals druiven en citroenen.
3.3.
In december 2023 zijn partijen de ‘Supply agreement grapes season 2024’ (hierna: SAG 2024) overeengekomen. Daarin is bepaald, voor zover relevant:
“13. Contract types
MGP Consignment (commission basis)
Details MGP per variety/box, see annex 1
(…)
17Quality Inspection & Report
- Eosta to inspect quality of fruit within 48 working hours after discharge and present Quality Reports to supplier. Supplier to carry out counter survey within 24 hours thereafter. QR’s are conclusive unless supplier proves otherwise through counter survey.
(…)
18Liability of Supplier for damages.
- (…) supplier also liable for damages as a result of untimely deliveries.
- Supplier liable for claims related to inherent vice as well quality claims and to safeguard Eosta from claims of third parties.
(…)
20. Law of the contract and place of justice. Dutch law applies and Courts in Rotterdam have jurisdiction. Vienna Convention on International Sale of Goods not applicable.”
3.4.
In december 2023 zijn partijen eveneens de ‘Supply agreement Lemon season 2024’ (hierna: SAL 2024) overeengekomen. Daarin is bepaald, voor zover relevant:
“13. Contract types
Consignment (commission basis)”
Het hierboven geciteerde artikel 20 van de SAG 2024, is ook in de SAL 2024 opgenomen.
3.5.
Op 9 juli 2024 stuurt Eosta een statusupdate aan Agromarine met betrekking tot de voorlopige balans betreffende afrekening van de in 2024 geleverde druiven.
3.6.
Op 25 juli 2024 reageert Agromarine: “column "V" MGP difference, does this mean that you say the result would be a total of EUR 74.386,55 below de MG invoiced ??”
3.7.
Op 1 augustus 2024 antwoordt Eosta:
“As discussed; yes, that € 74.386,55 is the difference on MGP level. This can we considered as the ‘loss’ of the season. The real loss is obviously to be appointed to those last 6 containers, arriving late with on top inferior quality compared to other arrivals.
Our proposal: we will split the loss of the 74K by Eosta and by Agromarine. We will make the last accountsales as per overview we send you but we will pay you additionally € 74.386,55 / 2 = € 37.193,28 on those results.”
3.8.
Op 1 augustus 2024 stuurt Agromarine aan Eosta een creditnota voor € 37.293,00. Daarop staat vermeld:
“Total value MG Invoiced EUR 738.479,50Less credit agreed 37.293,00Final Value Season 2024 701.186,50”
3.9.
Op 7 augustus 2024 heeft Eosta € 37.193,28 aan Agromarine voldaan.
3.10.
Op 11 september 2024 zijn partijen de ‘Supply agreement grapes season 2025’ (hierna: SAG 2025) overeengekomen. In artikel 8 daarvan is overeengekomen dat Agromarine circa 19 containers druiven zou leveren in de periode van week 12 tot en met week 19 van 2025. Verder is daarin bepaald, voor zover relevant:
“13. Contract types
Target MGP Consignment (commission basis)
Details Target MGP per variety/box, see annex 1
(…)
15Advance Payments
All prepayments to be paid in EUR against currency rate of payment date
-
Pre-season advance USD 325.000 in total
;
(…)
- Advance payment (
per presentation of shipping documents):
o First 5 containers USD 5.000 per container
(…)
(…)
o (…)
1. Advance-payments -pre- season or otherwise -or balance thereof shall be paid back and is due without further notice if supplier does misuse advance payment, and/or in case supplier does not start supplying as per time schedule, and/or does not continue supplying as per same.
(…)
16Payment conditions commission basis
1. Eosta sells the fruit for the account and risk of supplier on a commission basis. Commission is 10 % of the gross proceeds.
2. Costs to be deducted from gross proceeds; usual costs, like (ocean/air) freight and trucking costs, import duties and related penalties, fines and levies, handling and storage, (re)packing, destruction, grayed out related costs, laboratory, surveyor as well as quality claims or claims about non organic status from buyers.”
Het hiervoor geciteerde artikel 20 van de SAG 2024, is ook in de SAG 2025 opgenomen.
3.11.
Eosta heeft de ‘pre-season advance’ van USD 325.000 voldaan.
3.12.
Op 12 december 2024 heeft Eosta ten aanzien van de in 2024 geleverde citroenen aan Agromarine geschreven dat en waarom zij het niet eens is met het standpunt van Agromarine dat Eosta verantwoordelijk zou zijn voor de door Agromarine geleden verliezen betreffende de citroenen in 2024. Verder schrijft Eosta:
“Nevertheless, as I said during our previous conversations, I am convinced your financial problems are serious.
And we have to continue like the partners we consider each other, despite the things said.
We are willing to share the loss of € 135.000,- as described with 50-50%: € 67.500,-
However, as I also shared in confidence with you; we are currently in a very bad financial shape, and are simply not able to physically wire over this amount. We can give you our commitment to transfer this seasonal support on the first of May, 2025. If you want, I can make a formally signed statement confirming this. Perhaps you can use this for [naam 1] and for [naam 2] . Currently we can not antedate this date, as we have other priorities that need prior payment, like for example our agreement for the table grapes. Another construction could be we delay the current payment schedule of grapes with € 67.500,- until May, and use this reserved money for your bills on lemon.”
3.13.
Agromarine schrijft op 21 januari 2025 aan Eosta, onder andere:
“It was good to see each other again and talk about many things related to our cooperation so far.
Herewith I would like to summarize the most relevant points we talked about.
As explained to you , last season and the results presented by Eosta to us have been a real disaster for us.
1. Season 2024 Lemons
EOSTA will pay to Agromarine EUR 67.500 between March and May 2025.
Please provide a payment calendar.
2. Grapes 2024
After the agreement with [naam 3] ( credit note of EUR 37.293 ) and as explained several times, there is a balance open in our accounting of EUR 158.550 ( see previous emails )
We have paid in Chile according to the Agreement with [naam 3] , as explained to you, so we have still a huge minus in the grape operation which is causing severe impact on our cash flow and commitments in Chile.
Specially because of the financial support provided to [naam 4] which has been much more than your payments, as explained to you.
So as agreed, we need you to reimburse us this amount during 2025 and until June.
[As] a proof of our goodwill we will issue an additional credit note of eur 18.550, being then the outstanding amount a total of EUR 140.000
Im sure you will understand this, we cannot charge [naam 4] in 2025 with this issue of 2024, he needs good results for his retirement and we too as we are investing and recovering the farm as you saw in person.”
3.14.
Agromarine heeft in 2025 drie containers druiven verscheept aan Eosta, te weten steeds één container op 1 maart 2025 respectievelijk 7 maart 2025 en 14 maart 2025. De overige zestien containers die Agromarine op grond van SAG 2025 zou verschepen, zijn nooit geleverd aan Eosta.
3.15.
Voor de drie de containers die Agromarine wel heeft geleverd, heeft Eosta aan Agromarine een advance payment van USD 5.000,00 per container betaald.
3.16.
Op 18 maart 2025 schrijft Agromarine aan Eosta, in een e-mailbericht met als onderwerp “RE: starting grape loads / perspectives”, voor zover relevant:
“Can you help paying this week the lemons ?
Make me a proposal for [grapes] 2024, we are ready to make an extra effort but we are running a crisis since the unpayments of last year”
3.17.
Op 28 april 2025 schrijft Eosta aan Agromarine, onder meer:
“We have paid an aggregate pre season advance amount to you of € 335.445,00 and you have only shipped 3 containers instead of the 19 as agreed.
(…) We have suspended payment, because you did not ship any containers as you had committed yourself to do and had again promised to do when we were in Chile in January of this year. We repeat we are still willing to pay, provided you without any delay comply with your commitment to ship the remaining 16 containers of grapes. (…)
You have a clear cut obligation to supply us with another 16 containers with grapes and there no excuses whatsoever not to ship these containers, which you despite our many requests, have refused to do. Instead you sold and delivered to other importers, leaving us completely empty handed. That is unacceptable. We pay you € 335.000,00 up front, much more than usual, to help you and in then after shipping only shipping only 3 containers to us, (…)
We once more must ask you to redirect to us any containers currently being shipped to Europe - with a minimum of 16 - within 8 days from now allowing us to receive same before contract's end. If you sent us the shipping documents, we are perfectly willing to pay you the extra money for the lemons.”
Eosta wijst Agromarine daarbij ook op een openstaande balans waarbij Eosta nog € 216.000,00 van Agromarine tegoed heeft en dat zij bij uitblijven van levering de schade op Agromarine zal verhalen.
3.18.
Op 9 mei 2025 heeft Eosta van de Voorzieningenrechter verlof verkregen tot het leggen van twee conservatoire derdenbeslagen. Op 20 mei 2025 heeft Eosta die conservatoire derdenbeslagen gelegd. Eosta heeft Agromarine vervolgens bij exploot daarover geïnformeerd, op 27 mei 2025.
3.19.
Op 20 mei 2025 stuurt Eosta een e-mail aan Agromarine met onderwerp “Closing grapes season 2025” waarbij zij de afrekening van de derde container stuurt en aangeeft dat Agromarine aan haar na verrekening van de opbrengst van ook die derde container nog € 219.281,00 verschuldigd is, exclusief eventuele claims van retail-klanten die niet konden worden bediend door Eosta. Voor specificatie van het bedrag verwijst Eosta naar een bijgevoegd overzicht. Dat overzicht is in deze procedure niet ingebracht. Daarbij schrijft Eosta in diezelfde e-mail € 96.000,00 aan schadevergoeding te willen ontvangen omdat Agromarine in 2025 16 containers druiven minder heeft geleverd dan was overeengekomen. Eosta verzoekt om in totaal € 315.291,00 over te maken binnen acht dagen na de e-mail.
3.20.
Op 20 mei 2025 reageert Agromarine afwijzend. Zij wijst erop dat er voor de in 2024 geleverde druiven nog een rekening van ongeveer € 158.000,00 openstaat en dat de € 67.500,00 voor de citroenen van 2024 nog niet is betaald.
4Het geschil
in conventie
4.1.
Eosta vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Agromarine veroordeelt:
I. primair; tot betaling aan Eosta van € 315.291,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente per 7 mei 2025;
subsidiair; tot betaling aan Eosta van € 247.791,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente per 7 mei 2025;
II. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;
III. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
4.2.
Agromarine voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Eosta in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen. Ingeval toewijzing van de vorderingen van Eosta verzoekt Agromarine deze niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel deze uitsluitend uitvoerbaar bij voorraad te verklaren onder de voorwaarde dat Eosta voor een gelijk bedrag ten behoeve van Agromarine zekerheid stelt zolang dit vonnis geen kracht van gewijsde heeft gekregen. Voorts vraagt Agromarine om veroordeling van Eosta in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
4.3.
Agromarine vordert, na eisvermindering, dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Eosta veroordeelt:
I. tot betaling aan Agromarine van € 21.315,56, dan wel € 224.343,17, indien verrekening niet is toegestaan, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de betreffende factuurbedragen steeds vanaf de eenendertigste dag na de factuurdatum;
II. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
4.4.
Eosta voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Agromarine in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van Eosta in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
5De beoordeling in conventie en reconventie
De rechtbank Rotterdam is (internationaal) bevoegd en Nederlands recht is van toepassing
5.1.
De zaak heeft een internationaal karakter, omdat Agromarine buiten Nederland is gevestigd. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht van toepassing is.
5.2.
Partijen zijn in artikel 20 SAG 2024, artikel 20 SAL 2024 en artikel 20 SAG 2025 overeengekomen dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van geschillen voortvloeiende uit de overeenkomsten. Het geschil tussen partijen gaat over die overeenkomsten. De rechtbank Rotterdam is daarom bevoegd kennis te nemen van dit geschil (artikel 25 Brussel I-bis).
5.3.
In artikel 20 van de drie voornoemde overeenkomsten is voorts bepaald dat deze overeenkomsten worden beheerst door Nederlands recht, met uitsluiting van het Weens Koopverdrag (artikel 6 Weens Koopverdrag). Nederlands recht is zodoende van toepassing op dit geschil (artikel 3 Rome I).
Achtergrond van de geschillen in conventie en reconventie; gezamenlijke behandeling
5.4.
In conventie ligt de vraag voor of en met name wat Agromarine aan Eosta moet (terug)betalen ten aanzien van de in 2025 al dan niet geleverde druiven, omdat – kort gezegd – zij wel vooruitbetalingen van Eosta heeft ontvangen, terwijl zij uiteindelijk maar drie in plaats van negentien containers druiven heeft geleverd, en Eosta daardoor winst in de vorm van commissie heeft misgelopen. Daartegenover staat dat Agromarine stelt dat Eosta nog een openstaande rekening heeft voor de in 2024 geleverde druiven gelet op de afgesproken minimum gegarandeerde prijs en aangaande de in 2024 geleverde citroenen vanwege latere afspraken. In conventie beroept Agromarine zich op verrekening en in reconventie vordert zij betaling van het meerdere, dan wel van het geheel als verrekening in conventie niet mogelijk is.
5.5.
Gelet op deze samenhang worden de zaken in conventie en reconventie gezamenlijk behandeld.
Druiven 2025 (conventie); Agromarine is € 198.876,00 verschuldigd
5.6.
Ter zake van de al dan niet in 2025 geleverde druiven (hierna ook: de 2025-druiven) zijn partijen het erover eens:
- dat Eosta een pre-season advance van USD 325.000,00 heeft betaald en driemaal een advance payment van USD 5.000,00 voor de geleverde containers druiven;
- dat Agromarine een vordering op Eosta heeft van € 130.179,79 vanwege de doorverkoop door Eosta van de drie geleverde containers (zonder dat daarvan de advance payments zijn afgetrokken); en
- dat Agromarine de door Eosta voorgeschoten verpakkingskosten van € 34.005,00 dient te vergoeden.
5.7.
Eosta heeft onbetwist – afgezien van de door Agromarine gevoerde verrekenings- en opschortingsverweer – gesteld dat op grond van artikel 15 lid 1 SAG 2025 de pre-season advance op 21 april 2025 opeisbaar is geworden, omdat de resterende zestien containers met 2025-druiven uiterlijk op 20 april 2025 verscheept hadden moeten worden om tijdig te leveren en nakoming niet meer te verwachten was omdat het oogstseizoen voor druiven in Chili op dat moment reeds ten einde was.
5.8.
Over de koers waarmee de bedragen in USD moeten worden omgerekend zijn partijen het niet eens, blijkt uit de omrekeningen van partijen met verschillende uitkomsten. Over de precieze dag waarop deze bedragen zijn voldaan of welk bedrag in euro’s daarvoor dan is betaald, zijn geen stellingen ingenomen en is niet (in afdoende mate) ter herleiden uit de onderbouwende stukken. De rechtbank neemt de wisselkoers van 21 april 2025 tot uitgangspunt. De pre-season advance is tegen die wisselkoers € 282.033,00. De advance payments bedragen tegen die koers ieder € 4.339,00, dus gezamenlijk € 13.017,00.
5.9.
Ter zake van de 2025-druiven is Agromarine zodoende een hoofdsom verschuldigd van (€ 282.033,00 + € 13.017,00 + € 34.005,00 - € 130.179,79 =) € 198.876,00.
Druiven 2025 (conventie); Agromarine kan zich niet op opschorting beroepen en moet de gederfde winst van € 96.000,00 vergoeden
5.10.
Eosta stelt per in 2025 niet geleverde container druiven € 6.000,00 schade te hebben geleden. De commissie die Eosta op de drie wel geleverde containers gemiddeld heeft ontvangen bedraagt namelijk € 6.146,22. Volgens Eosta heeft zij die schade terughoudend begroot, omdat de marktprijzen voor biologische druiven uit Chili in de periode april 2025 tot en met mei 2025 steeds heel sterk zijn geweest.
5.11.
Agromarine betwist dat Eosta schade heeft geleden. Als Eosta afzetmogelijkheden had, dan had Eosta volgens Agromarine ook bij andere producenten druiven kunnen inkopen. Daarnaast heeft Agromarine aangevoerd dat zij haar leveringsverplichtingen voor de 2025 druiven heeft opgeschort, totdat Eosta het openstaande bedrag voor seizoen 2024 volledig had betaald.
5.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat het oogstseizoen voor druiven in Chili grofweg van februari tot en met april loopt en dat alle druiven al zijn verhandeld voordat het oogstseizoen begint.
5.13.
Eosta heeft gesteld dat het voor haar op het moment dat Agromarine na 14 maart 2025 niet meer verscheepte niet mogelijk was om terstond of op zeer korte termijn dekkingskopen te verrichten. Het is midden in het oogstseizoen bij een gespannen markt met stijgende prijzen namelijk onmogelijk om zestien containers met Chileense biologische druiven bij een andere teler/exporteur te kopen en deze tijdig in Rotterdam te krijgen. Daarnaast, stelt Eosta onbetwist dat Agromarine de zestien containers druiven heeft doorverkocht aan een derde. Gelet daarop en op de stijgende markt had Eosta de afgesproken zestien containers zeker kunnen verkopen, aldus Eosta.
5.14.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Agromarine hiertegen niets (nieuws) meer ingebracht. De rechtbank oordeelt daarom dat Agromarine haar betwisting dat Eosta geen schade zou hebben geleden, onvoldoende heeft gemotiveerd en gaat daaraan voorbij. De hoogte van de door Eosta gesteld schade (16 containers x € 6.000,00 gederfde winst per container = € 96.000,00) heeft Agromarine niet betwist.
5.15.
Agromarine stelt dat zij per e-mail in februari 2025 aan Eosta heeft medegedeeld dat zij de levering van de 2025-druiven heeft opgeschort. Eosta betwist dit en geeft aan niet bekend te zijn met het bericht waarnaar Agromarine verwijst en ook anderszins niet bekend te zijn geweest met opschorting door Agromarine.
5.16.
Voor een beroep op opschorting geldt in zijn algemeenheid niet dat het opschorten van een prestatie aan de wederpartij kenbaar moet zijn gemaakt. Evenwel kan onder omstandigheden uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij aan zijn wederpartij heeft meegedeeld dat hij opschort en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen.
5.17.
Vast staat dat Agromarine op 14 maart 2025 nog een container druiven heeft verscheept. Verder heeft Agromarine op 18 maart 2025 een bericht gestuurd met als onderwerp “RE: starting grape loads / perspectives” waarin zij Eosta vraagt om met een voorstel te komen voor de 2024-druiven én aangeeft dat zij bereid is een tandje bij te zetten. Gelet op het onderwerp van het bericht begrijpt de rechtbank dit als dat het laatste gaat om de bereidheid een tandje bij te zetten voor de in 2025 nog te leveren druiven. Eosta is in ieder geval tot en met 28 april 2025 aan Agromarine blijven vragen naar de resterende zestien containers druiven. Deze feiten stroken niet met (bekendheid met) een mededing van een opschorting in februari 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet vast komen te staan dat sprake is geweest van een (duidelijke) opschortingsmededeling van Agromarine aan Eosta in februari 2025. Hieruit volgt dat Agromarine zich eerst gedurende deze procedure (met terugwerkende kracht) is gaan beroepen op opschorting.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat het niet redelijk is dat Agromarine zich thans op opschorting beroept. Niet is vast komen staan dat Agromarine een opschortingsmededeling heeft gedaan voordat zij is gestopt met het verschepen van de druiven en gesteld noch gebleken is dat Eosta anderszins had behoren te begrijpen dat Agromarine de leveringen had opgeschort, omdat Agromarine wilde dat eerst haar vordering ten aanzien van 2024 was voldaan. Door midden in het oogstseizoen, zonder een aankondiging en zonder de grond daarvoor aan te geven, te stoppen met het verschepen van de druiven was schade voor Eosta niet meer te voorkomen. De rechtbank acht het beroep op opschorting dat Agromarine (pas) in deze procedure doet onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan ook onaanvaardbaar en gaat daaraan voorbij.
5.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat Agromarine haar verbintenis om de betreffende zestien containers druiven aan Eosta te leveren niet is nagekomen. Zodoende moet Agromarine € 96.000,00 aan schadevergoeding betalen aan Eosta (artikel 6:74 lid 1 en 6:96 lid 1 BW).
Wettelijke (handels)rente (conventie)
5.20.
Agromarine vordert de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over alle door haar gevorderde bedragen vanaf 7 mei 2025.
5.21.
De rechtbank beoordeelt dit voor de in conventie toe te wijzen bedragen per deelbedrag, te weten (i) € 164.871,00 ter zake van de terug te betalen aanbetalingen, (ii) € 34.005,00 aan voorgeschoten verpakkingskosten, en (iii) € 96.000,00 aan schadevergoeding.
5.22.
Ten aanzien van de aanbetalingen (i) vordert Eosta terecht de wettelijke handelsrente, omdat het gaat om de vertraging in de voldoening van een geldsom die verschuldigd is op grond van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a lid 1 BW; artikel 15 lid 1 SAG 2025). Uit artikel 15 lid 1 SAG 2025 volgt echter geen overeengekomen uiterste dag van betaling. Deze is anderszins ook niet gesteld of gebleken. In samenhang met het bericht van 28 april 2025, begrijpt de rechtbank het bericht 20 mei 2025 als het moment waarop Eosta aan Agromarine een ‘factuur’ heeft verzonden, in de zin van artikel 6:119a lid 2 BW. De wettelijke handelsrente over de terug te betalen aanbetalingen is daarom eerst vanaf 30 dagen daarna verschuldigd, te weten 21 juni 2025 (artikel 6:119a lid 2 aanhef en onder a BW).
5.23.
Ook ten aanzien van de voorgeschoten verpakkingskosten (ii) vordert Eosta terecht de wettelijke handelsrente, omdat het gaat om de vertraging in de voldoening van een geldsom die verschuldigd is op grond van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a lid 1 BW). Eosta heeft echter niets gesteld over het moment waarop deze kosten uiterlijk hadden moeten zijn betaald. Daarom is de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over de te betalen voorgeschoten verpakkingskosten van € 34.005,00 toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding, te weten 16 juni 2026.
5.24.
Over de schadevergoeding van € 96.000,00 is de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar. Een schadevergoeding is namelijk niet een geldsom die verschuldigd is op grond van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a lid 1 BW). De gewone wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW is daarop wel van toepassing. Op 28 april 2025 heeft Eosta Agromarine aangemaand de resterende 2025-druiven binnen acht dagen alsnog te leveren. Op 6 mei 2025 heeft Agromarine daar niet aan voldaan. Daarom is Agromarine vanaf 7 mei 2025 daarmee in verzuim (artikel 6:83 aanhef en onder b BW). Daarom is de gewone wettelijke rente toewijsbaar over de gederfde winst vanaf 7 mei 2025 (artikel 6:119 lid 1 BW).
Druiven 2024 (reconventie); Eosta moet nog € 156.843,17 betalen
5.25.
Ter zake van de in 2024 geleverde druiven (hierna ook: de 2024-druiven) stelt Agromarine dat er nog een vordering op Eosta openstaat. Er is volgens haar een gegarandeerde minimum prijs overeengekomen (‘MGP’), opgenomen in bijlage 1 bij de SAG 2024. In reconventie wil Agromarine, onder meer, betaling van hetgeen op grond van die minimumprijzen nog verschuldigd is, te weten € 156.843,17.
5.26.
Eosta betwist niet dat die MGP is overeengekomen. Zij voert wel het verweer dat die MGP niet altijd van toepassing is. Deze geldt volgens haar namelijk niet als de geleverde druiven mindere kwaliteit hadden dan is overeengekomen of als de druiven te laat zijn geleverd. Volgens Eosta is dat allebei ook het geval geweest met de 2024-druiven en is zij daarom niet de MGP verschuldigd.
5.27.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de 2024-druiven een creditering van € 37.293,00 is afgesproken. Eosta stelt dat de 2024-druiven-overeenkomst volledig en definitief was afgewikkeld met de afgesproken creditering en haar betaling ter voldoening van die creditering op 7 augustus 2024. Agromarine betwist dat en wijst in dat verband onder meer naar haar (pro-forma) facturen, waaronder haar factuur van 1 augustus 2024 waarop staat dat na creditering de totale vordering van Agromarine op Eosta voor de 2024-druiven € 701.186,50 bedraagt. Volgens Eosta zeggen die facturen echter niets over de tussen partijen gemaakte afspraken.
5.28.
De rechtbank overweegt dat een MGP gebruikelijk wordt overeengekomen om een deel van het marktrisico en extreme prijsschommelingen op de markt af te dekken. Als er iets mis is met de kwaliteit of de levertijd hoort dat niet ten koste te gaan van de MGP. Daar zijn gebruikelijk andere mechanismen voor, zoals die door partijen ook zijn overeengekomen in artikel 17 en 18 SAG 2024. Als Eosta schade heeft geleden op grond van te late levering of kwaliteitsclaims dan had zij dit apart en inzichtelijk als schade op Agromarine moeten verhalen. Gesteld noch gebleken is dat Eosta dit heeft gedaan. Nu heeft Eosta de druiven kennelijk voor minder verkocht dan de MGP. Het verschil tussen de behaalde opbrengst en de MGP komt voor rekening en risico van Eosta.
5.29.
Tussen partijen is niet in geschil dat Eosta € 544.343,33 heeft betaald voor de 2024-druiven. Anders dan Eosta meent, oordeelt de rechtbank dat Agromarine met haar factuur van 1 augustus 2024 wel kenbaar heeft gemaakt dat er na de creditering nog een bedrag openstaat. Eosta heeft op deze factuur niet gereageerd. Daarbij heeft Agromarine later nogmaals kenbaar gemaakt dat er nog een bedrag openstaat voor de 2024-druiven, zoals in haar berichten van 21 januari 2025, 18 maart 2025 en 20 mei 2025. De stelling van Eosta dat Agromarine pas in onderhavige procedure is teruggekomen op het voor die druiven volgens haar openstaande bedrag, is dan ook niet juist. De rechtbank kan Eosta daarom niet volgen in haar stelling dat de 2024-druiven-overeenkomst volledig en definitief is afgewikkeld met de afgesproken creditering en haar betaling van € 37.193,28 op 7 augustus 2024.
5.30.
Eosta heeft voorts niet betwist dat de MGP voor de 2024-druiven, minus de creditering, uitkomt op het bedrag € 701.186,50 en dat zodoende een verschil resteert van (€ 701.186,50 - € 544.343,33 =) € 156.843,17.
5.31.
De rechtbank oordeelt dan ook dat Eosta aan Agromarine € 156.843,17 moet betalen voor de 2024-druiven.
Citroenen 2024 (reconventie); Eosta moet € 67.500,00 betalen
5.32.
Ten aanzien van de in 2024 geleverde citroenen (hierna ook: de 2024-citroenen) stelt Agromarine dat Eosta haar nog € 67.500,00 heeft te voldoen, zoals blijkt uit het e-mailbericht van 12 december 2024.
5.33.
Tussen partijen is niet in geschil dat Eosta dat bedrag nog niet aan Agromarine heeft voldaan. Eosta stelt echter dat partijen zijn overeengekomen dat deze betaling was gekoppeld aan het nakomen van de overeenkomst ter zake van de 2025-druiven, en dat zij die € 67.500,00 niet verschuldigd is, omdat Agromarine die afspraken niet is nagekomen.
5.34.
Agromarine betwist dat de betaling van € 67.500,00 zou zijn verbonden aan het nakomen van de afspraken voor de 2025-druiven.
5.35.
De rechtbank oordeelt als volgt. In de mail van 12 december 2024 schrijft Eosta over het betalen van de extra € 67.500,00 voor de 2024-citroenen alleen; “We can give you our commintment to transfer this seasonal support on the first of May, 2025.” Hieruit blijkt niet dat een voorwaarde is verbonden aan de betaling. Een dergelijk voorwaardelijk verband is ook nergens anders uit gebleken. Eosta voert aan dat 1 mei 2025 bewust is gekozen, gelet op de levertermijnen voor de 2025-druiven. De rechtbank volgt Eosta daar echter niet in, omdat uit haar e-mail van 12 december 2024 volgt dat die termijn voortkomt uit betalingsonmacht aan de zijde van Eosta.
5.36.
Pas in de mail van 28 april 2025 schrijft Eosta dat zij de extra betaling ter zake van de 2024-citroenen afhankelijk stelt aan de nakoming van de 2025-druiven. Het uitgangspunt is echter wat partijen in december 2024 zijn overeengekomen. Niet is gesteld of gebleken dat Agromarine er in april 2025 mee heeft ingestemd de in december 2024 gemaakte afspraak te wijzigen.
5.37.
De rechtbank oordeelt dan ook dat Eosta € 67.500,00 aan Agromarine moet betalen voor de 2024-citroenen omdat partijen dat in december 2024 zijn overeengekomen.
Wettelijke (handels)rente (reconventie)
5.38.
Agromarine vordert in reconventie de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over de gevorderde hoofdsom vanaf de eenendertigste dag na de factuurdatum.
5.39.
Het gaat hier om de vertraging in de voldoening van een geldsom die verschuldigd is op grond van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a lid 1 BW). De wettelijke handelsrente is dan ook verschuldigd.
5.40.
Ter zake van de 2024-druiven heeft Agromarine niets gesteld over de factuurdata, dan wel over de uiterste dag van betaling (artikel 6:119a lid 1 en 2 BW). De wettelijke handelsrente over het bedrag van € 156.843,17 wordt daarom toegewezen vanaf de datum waarop Agromarine haar conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie heeft ingediend, te weten 4 februari 2026.
5.41.
Met betrekking tot de € 67.500,00 voor de 2024-citroenen was de afspraak dat deze op 1 mei 2025 zou zijn betaald. Daarom is daarover de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 2 mei 2025 (artikel 6:119a lid 1 BW).
Door Eosta gevorderde BIK worden afgewezen (conventie)
5.42.
De door Eosta gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Voor buitengerechtelijke kosten moet worden gesteld dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang van die kosten redelijk zijn (artikel 6:96 lid 2 sub c BW). Eosta heeft slechts terloops gesteld een buitengerechtelijke handeling te hebben verricht, maar geheel niets gesteld over de kosten daarvan.
Verrekening vorderingen conventie en reconventie
5.43.
De rechtbank verrekent de vorderingen van partijen. Daardoor gaan deze tot hun gemeenschappelijk beloop teniet (artikel 6:127 lid 1 BW). Daarbij geldt dat de verrekening terugwerkt tot op het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan (artikel 6:129 lid 1 BW). Voorts geldt bij de verrekening dat deze eerst op de verschenen rente in mindering moet worden gebracht en daarna pas op de hoofdsom en de lopende rente (artikel 6:44 lid 1 BW).
5.44.
Eosta heeft van Agromarine te vorderen:
€ 164.871,00 aan terug te betalen aanbetalingen, opeisbaar vanaf 21 april 2025, en vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 21 juni 2025;
€ 34.005,00 aan te betalen voorgeschoten verpakkingskosten, opeisbaar vanaf 16 juni 2026 (overeenkomstig het in 5.23 gegeven oordeel), en vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 16 juni 2026; en
€ 96.000,00 aan schadevergoeding, opeisbaar vanaf 7 mei 2025 (zoals volgt uit het in 5.24 gegeven oordeel), en vermeerderd met de gewone wettelijke rente daarover vanaf 7 mei 2025.
5.45.
Agromarine heeft van Eosta te vorderen:
€ 156.843,17 ter zake van de 2024-druiven, voor zover in de procedure kan worden vastgesteld in ieder geval opeisbaar vanaf 1 augustus 2024 (zie 3.8), en vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 4 februari 2026; en
€ 67.500,00 ter zake van de 2024-citroenen, opeisbaar vanaf 2 mei 2025 (zoals volgt uit het in 5.41 gegeven oordeel), en vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 2 mei 2025.
5.46.
Dat betekent dat op 21 april 2025 voor het eerst kon worden verrekend, te weten vordering a. van Agromarine met vordering a. van Eosta. Op dat moment is er nog geen rente verlopen. Zodoende resteert op dat moment een vordering van (€ 164.871,00 - € 156.843,17 =) € 8.027,83 voor Eosta op Agromarine.
5.47.
Het volgende verrekenmoment is op 2 mei 2025, namelijk met vordering b. van Agromarine. Op dat moment is nog steeds geen rente verlopen. Na verrekening resteert een vordering van (€ 67.500,00 - € 8.027,83 =) € 59.472,17 voor Agromarine op Eosta.
5.48.
Op 7 mei 2025 moet deze vordering weer worden verrekend met vordering c. van Eosta. Over het bedrag van € 59.472,17 is intussen, vanaf 2 mei 2025 tot en met 7 mei 2025, aan wettelijke handelsrente verschenen: het bedrag van € 109,01. Daarom resteert na verrekening een vordering van (€ 96.000,00 - € 109,01 - € 59.472,17 =) € 36.418,82 voor Eosta op Agromarine. Over dat bedrag is Agromarine vanaf 7 mei 2025 ook de gewone wettelijke rente verschuldigd, aangezien dat het restant van vordering c. van Eosta betreft.
5.49.
Vanaf 16 juni 2025 komt daarbij vordering b. van Eosta op Agromarine, en is Agromarine aan Eosta € 34.005,00 verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 16 juni 2025.
5.50.
Gelet op al het voorgaande veroordeelt de rechtbank Agromarine om aan Eosta € 70.423,82 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 36.418,82 vanaf 7 mei 2025 en vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over € 34.005,00 vanaf 16 juni 2025.
De proceskosten
5.51.
In conventie wordt Agromarine grotendeels in het ongelijk gesteld. Agromarine wordt daarom in conventie veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Eosta in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 6.147,00
- salaris advocaat conv. € 5.770,00 (2 x 1 punt × tarief VI € 2.885,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.225,40
5.52.
De door Eosta in conventie gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.53.
In reconventie wordt Eosta grotendeels in het ongelijk gesteld. Eosta wordt daarom in reconventie veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Agromarine in reconventie worden begroot op:
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat reconv. € 5.770,00 (2 x 1 punt x tarief VI € 2.885,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.820,00
5.54.
De door Agromarine in reconventie gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Agromarine moet de beslagkosten van Eosta betalen
5.55.
De rechtbank oordeelt ambtshalve over de door Eosta gemaakte beslagkosten, omdat uit de stellingen en overgelegde stukken van Eosta blijkt dat er beslag is gelegd en welke kosten daarbij zijn gemaakt. Agromarine moet, omdat zij in conventie grotendeels in het ongelijk is gesteld, deze kosten vergoeden. De beslagkosten van Eosta worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- explootkosten € 670,07 (€ 247,88 + € 247,88 + € 85,68 + € 88,63)
- salaris advocaat € 653,00 (1 x 1 punt × tarief II € 653,00)
Totaal € 2.037,07
Uitvoerbaar bij voorraad
5.56.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat Agromarine heeft gevoerd tegen de uitvoerbaarverklaring en haar verzoek om aan de uitvoerbaarverklaring de voorwaarde te verbinden dat Eosta zekerheid dient te stellen, omdat Agromarine dit verweer en verzoek in het geheel niet heeft onderbouwd. De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen dan ook uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv), met uitzondering van de veroordeling die ziet op de beslagkosten. De veroordeling tot betaling van de beslagkosten wordt niet uitvoerbaar verklaard, omdat deze het gevolg is van een ambtshalve beoordeling en Eosta hier geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring voor heeft gevorderd.
6De beslissing in conventie en reconventie
De rechtbank
6.1.
veroordeelt Agromarine aan Eosta € 70.423,82 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 36.418,82 vanaf 7 mei 2025 en vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over € 34.005,00 vanaf 16 juni 2025.
6.2.
veroordeelt Agromarine in conventie in de proceskosten van Eosta ad € 12.225,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.3.
veroordeelt Agromarine in conventie in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Eosta als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;
6.4.
veroordeelt Eosta in reconventie in de proceskosten van Agromarine ad € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.5.
veroordeelt Eosta in reconventie in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Agromarine als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;
6.6.
veroordeelt Agromarine om aan Eosta € 2.037,07 aan beslagkosten te betalen;
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 6.1 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.3718/2459
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, Wenen, 11 april 1980.
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).
Hoge Raad 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6088.