Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9505
2026-07-24
Bestuursrecht
ROT 24/5016
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek nadeelcompensatie – bomen – beroep deels gegrond – zelf voorzien – schadebedrag zelf vastgesteld
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2020:88 Raad van State 15-01-2020
- ECLI:NL:RVS:2024:223 Raad van State 24-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:3690 Raad van State 06-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3690 Raad van State 06-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (39.566 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5016
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] als erfgenaam van [naam 1], uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Erkamp),
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Wilbers).
Procesverloop
1. [naam 1] ( [achternaam] ) heeft een verzoek om nadeelcompensatie ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 20 juni 2023 (het primaire besluit) aan [achternaam] een schadevergoeding toegekend. Met het bestreden besluit van 3 april 2024 op het bezwaar van [achternaam] is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
1.1.
[achternaam] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Bij brief van 20 mei 2026 heeft de gemachtigde de rechtbank bericht dat [achternaam] op [dag van overlijden] is overleden en dat zijn echtgenote [eiseres] de procedure wil voortzetten, onder toezending van een verklaring van erfrecht. Eiseres heeft aanvullende gronden van beroep, met bijlagen waaronder een brief van het Kadaster over een grensreconstructie, ingediend en nadere e-mailcorrespondentie met het Kadaster van 9 oktober 2024.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] (dochter), [naam schoonzoon] (schoonzoon), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder bijgestaan door mr. A. Leenders en [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. [achternaam] heeft op 21 december 2020 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend vanwege de door het college van burgemeester en wethouders van Gouda aan verweerder verleende omgevingsvergunning van 15 november 2013 voor het vellen van bomen. [achternaam] stelt dat hij schade heeft geleden door de kap van de bomen op zowel het huisperceel als het bosperceel. Daarnaast stelt [achternaam] dat hij vernattingschade lijdt met betrekking tot de hobbyweide als gevolg van de ophoging van de kade.
3. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het dagelijks bestuur van verweerder op 16 november 2021 een Adviescommissie ingesteld. Op 29 maart 2022 heeft een hoorzitting van de Adviescommissie plaatsgevonden, waarbij door de Adviescommissie in aanwezigheid van partijen van de situatie ter plaatse is kennis genomen. De Adviescommissie heeft op 23 april 2023 een advies uitgebracht. De Adviescommissie adviseert het verzoek om nadeelcompensatie te honoreren en aan [achternaam] een schadevergoeding toe te kennen van € 20.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2020 tot aan de dag van uitbetaling. De Adviescommissie adviseert voorts om het verzoek om een tegemoetkoming te verstrekken in de kosten van deskundigenbijstand af te wijzen.
4. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan een schadevergoeding toegekend ter hoogte van € 19.001,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2020 tot aan de dag van uitbetaling. Voorts wordt aan [achternaam] een vergoeding toegekend voor deskundigenkosten ter hoogte van € 1.089,-. Verweerder heeft gemotiveerd dat wordt afgeweken van het advies van de Adviescommissie, omdat de Adviescommissie de verrekening voor het vrijgekomen hout ter beoordeling aan verweerder heeft overgelaten. Verweerder is van mening dat de schade voor het vrijkomende hout anderszins is verzekerd in de zin van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. Het vrijkomende hout is volgens verweerder aan [achternaam] ter beschikking gesteld en hij heeft het hout ook geaccepteerd. De Adviescommissie heeft de opbrengst van het vrijkomende hout begroot op een bedrag van € 1.480,37. Dit bedrag is door verweerder in mindering gebracht op de door de Adviescommissie begrote schade van € 20.200,-.
5. Omdat [achternaam] het niet eens was met het primaire besluit heeft hij bij verweerder bezwaar gemaakt. Op 6 december 2023 heeft de bezwaarschriftencommissie van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (de bezwaarschriftencommissie) een hoorzitting gehouden. Op 4 maart 2024 heeft de bezwaarschriftencommissie een advies uitgebracht en verweerder geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de bezwaarschriftencommissie gevolgd en het bezwaar van [achternaam] ongegrond verklaard.
Toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 is artikel 7.14 van de Waterwet ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.21 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is veroorzaakt door de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. In het eerste lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Het verzoek is gedaan op 21 december 2020. Dit betekent dat in dit geval artikel 7.14 van de Waterwet, zoals die bepaling gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
8. Het wettelijk kader is vermeld in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Omvang schade
9. Wat betreft de omvang van de schadevergoeding geldt dat verweerder zijn besluit heeft gebaseerd op een advies dat is opgesteld door de Adviescommissie, zijnde een door hem benoemde onafhankelijke en onpartijdige commissie van deskundigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag een bestuursorgaan, indien door een dergelijke commissie op objectieve wijze verslag is gedaan van het verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusie ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is, bij het nemen van een besluit als het onderhavige van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht. Het ligt daarom op de weg van eiseres om (eventueel met een tegenrapport) concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de commissie naar voren te brengen.
10. Volgens eveneens vaste rechtspraak is de hoofdregel dat de belanghebbende die in een verzoek om nadeelcompensatie stelt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende schade lijdt als gevolg van een rechtmatige gedraging van een bestuursorgaan de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk maakt. De bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade en het causaal verband met de gestelde oorzaak van de schade rust dus op de verzoeker.
Omvang schade - verplaatsing juridische grens
11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bomen met nummers 115, 121, 122, 124, 126, 127, 128, 129, 130 en 131 op het huisperceel [perceel nummer 1] , niet in eigendom zijn van verweerder omdat de bomen door natrekking in haar eigendom zijn gekomen. Eiseres doet daarbij een beroep op artikel 5:29 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verweerder heeft daarom de tien bomen ten onrechte niet meegenomen bij het bepalen van de omvang van de schade. Eiseres verwijst naar een brief van het Kadaster van 31 juli 2024 waarin wordt aangegeven dat de zuidelijke perceelgrens met het perceel van verweerder ( [perceel nummer 2] ) al in de 19e eeuw is ontstaan en sindsdien niet is gewijzigd. Voorts heeft eiseres een e-mail van het Kadaster van 8 oktober 2024 overgelegd waarin door het Kadaster wordt aangegeven dat de desbetreffende perceelgrens nog steeds dezelfde grens is die ooit is vastgelegd en dat dat ooit de oeverlijn was. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de oeverlijn in 1953 was verplaatst ten opzichte van het moment dat de perceelgrens werd vastgesteld en dat vervolgens in de jaren daarna of in ieder geval meest recent zich hetzelfde heeft voorgedaan maar dan in tegenovergestelde richting.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres in beroep niet aannemelijk gemaakt dat de bomen met nummers 115, 121, 122, 124, 126, 127, 128, 129, 130 en 131 op het huisperceel [perceel nummer 1] door natrekking in haar eigendom zijn gekomen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, op het standpunt gesteld dat op de door eiseres aangeleverde afbeelding de veldwerkkaart, die volgens verweerder bij nader inzien uit 1953 stamt, te zien is waar de kadastrale grens van het Kadaster op gebaseerd is. Volgens verweerder is daarop niet te zien dat de kadastrale grens direct langs de oevergrens loopt. Daarnaast bevat de afbeelding volgens verweerder geen legenda waaruit blijkt dat de zwarte lijn de oevergrens is. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de veldwerkkaart uit medio 1930 niet onomstotelijk vaststelt dat de kadastrale grens langs de oeverlijn loopt. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat voor de beoordeling van de omvang van de schade naar de kadastrale grens is gekeken. Daarbij is de kadastrale eigendom als norm gehanteerd en niet de oevergrens. Verweerder heeft gesteld dat het eigendom niet is gewijzigd. De door eiseres overgelegde brief en e-mail van het Kadaster geven volgens verweerder geen nieuwe inzichten ten aanzien van de kadastrale eigendom. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit die stukken, anders dan eiseres stelt, niet dat de oevergrens de nieuwe kadastergrens is. Uit de brief van het Kadaster van 31 juli 2024 blijkt immers dat het Kadaster tot de conclusie is gekomen dat de grens op 7 november 2023 goed is uitgezet, dat de grens al is ontstaan in de 19e eeuw en sindsdien niet is gewijzigd. Op basis van die grens staan de betreffende bomen niet op grond van eiseres. Dit leidt tot de conclusie dat het kappen van deze bomen niet tot vergoeding van schade jegens eiseres kan leiden. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Omvang schade - bomen met nummers 121, 122 en 124 toch gekapt
12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bomen met nummers 121, 122 en 124 gekapt zijn, terwijl deze bomen eigenlijk behouden dienden te blijven. Eiseres heeft hiertoe een foto overgelegd die is genomen op 29 maart 2014 om 18:50 uur. Eiseres voert aan dat op de werktekening te zien is dat de bomen met nummers 121, 122 en 124 rechts van de schuur stonden, terwijl op de overgelegde foto de drie bomen niet meer te zien zijn.
12.1.
Ter zitting is samen met partijen naar de door eiseres in beroep overgelegde foto gekeken. Daarbij heeft eiseres een toelichting gegeven. Verweerder heeft desgevraagd geen antwoord kunnen geven op de vraag of de bedoelde drie bomen wel of niet gekapt zijn. Verweerder heeft wel bevestigd dat op de door eiseres overgelegde foto de drie bomen niet te zien zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat de drie bomen met nummer 121, 122 en 124 gekapt zijn, terwijl dat niet de bedoeling was. Dat betekent dat verweerder deze bomen had moeten meenemen bij de vaststelling van de schade. Het betoog van eiseres slaagt.
Omvang schade – bosperceel
13. Eisers stelt zich op het standpunt dat er niet 21, maar 30 bomen zijn gekapt op het bosperceel met kadastraal nummer 667, waardoor de omvang van de schadecomponenten groter is dat verweerder heeft vastgesteld. Het betreft de bomen met nummers 51, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89.
13.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat boom met nummer 51 al was afgestorven en dat de discussie ziet op de overige acht bomen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat alle bomen, inclusief nummer 51, zijn meegenomen in de berekening van de schade. Uit het advies van de Adviescommissie blijkt dat in de schadeberekening is uitgegaan van 67 bomen. Vanwege 20 procent aftrek voor het bosperceel en de verwachting dat 10 procent van de aan te planten bomen inboet, komt de Adviescommissie op in totaal 59 bomen die vergoed moeten worden. De Adviescommissie komt op een bedrag van € 8.506,77 voor de totale kosten voor reconstructie. Bijlage 6 (de schadeberekening) bij het advies van de Adviescommissie bevat echter geen berekening waaruit blijkt welke bomen zijn meegenomen in de berekening en met welke bedragen en percentages is gerekend. Volgens verweerder volgt dit uit de pagina’s 41 en 42 onder het kopje ‘vervangingsschade jonge aanplant’ en ‘extra onderhoudskosten jonge aanplant’ van het adviesrapport. Ook hier ziet de rechtbank echter geen navolgbare berekening van de schade en welke bomen daarin betrokken zijn. De rechtbank merkt hierbij nog op dat in het adviesrapport (p. 42) is opgenomen dat verweerder in reactie op het concept heeft aangegeven dat het aantal bomen voor de vervangingsschade niet klopt, omdat bij het bosperceel geen sprake is van vervanging en dat de kostenberekening hierop volgens verweerder zou moeten worden aangepast. Als reactie daarop staat in het adviesrapport dat de Adviescommissie de schadeberekening heeft aangepast en dat die is opgenomen in bijlage 6 bij het advies. Ter zitting heeft verweerder zich echter op het standpunt gesteld dat ook de bomen van het bosperceel in de schadeberekening zijn betrokken. Bij alle onduidelijkheden over welke bomen in de schadeberekening zijn betrokken en gelet op het feit dat door tijdsverloop feiten ten aanzien van gekapte bomen niet meer met zekerheid zijn vast te stellen, is de rechtbank voor oordeel dat eiseres ten aanzien van deze 8 bomen het voordeel van de twijfel moet krijgen en dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade in zoverre niet zorgvuldig is begroot. De enkele stelling van verweerder ter zitting dat de bomen met nummers 51, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89 wel zijn meegenomen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tegenover de gemotiveerde betwisting van eiseres. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de bomen met nummers 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89 niet zijn meegenomen in berekening van de schade. Het betoog van eiseres slaagt.
Opbrengst van het hout
14. Eiseres stelt dat zij niet de (volledige) baten van het vrijgekomen hout heeft gehad zoals door verweerder is meegedeeld en dat het hiervoor vastgestelde bedrag aan schade ten onrechte op de compensatie in mindering is gebracht. In dit verband voert zij aan dat de dikke onderkanten van de boomstammen zijn afgevoerd en dat de takken van de bomen door de uitvoerder zijn versnipperd en afgevoerd. Alleen de middenstukken van de stammen van het huisperceel zijn volgens eiseres achtergebleven.
14.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het advies van de Adviescommissie blijkt dat verweerder heeft toegelicht dat het vrijgekomen hout, voor zover het verweerder bekend was, aan [achternaam] ter beschikking is gesteld. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 8 november 2023 (bezwaarprocedure) toegelicht dat hij van mening is dat in ieder geval een groot gedeelte van het vrijkomende hout aan [achternaam] ter beschikking is gesteld. Verweerder heeft ter onderbouwing daarvan een foto overgelegd. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres ook foto’s overgelegd. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie blijkt dat de bezwaarschriftencommissie aan de door eiseres overgelegde foto’s niet de bewijskracht toekent die eiseres daaraan toekent. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling draagt het bestuursorgaan in beginsel de bewijslast van de feiten op grond waarvan geoordeeld wordt dat de schade redelijkerwijs, geheel of gedeeltelijk, voor rekening van de aanvrager behoort te blijven, of op grond waarvan geoordeeld wordt dat de tegemoetkoming voldoende anderszins verzekerd is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aan de bewijslast voldaan nu onvoldoende is onderbouwd dan wel aannemelijk is gemaakt dat eiseres voor een bedrag van €1.480,37 baten van het vrijgekomen hout heeft gehad. De enkele stelling van verweerder dat in ieder geval een groot gedeelte van het vrijkomende hout aan [achternaam] ter beschikking is gesteld, zonder daarbij met stukken te onderbouwen dat [achternaam] ook daadwerkelijk het vrijgekomen hout heeft ontvangen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Ook uit de foto’s waarnaar verweerder verwijst blijkt niet wat de omvang was van het aan eiseres ter beschikking gestelde hout. De foto’s zien alleen op het huisperceel. Op deze foto’s zijn alleen ‘middenstammen’ te zien. Eiseres heeft op de zitting uitdrukkelijk betwist dat van het bosperceel hout aan haar ter beschikking is gesteld. Verweerder heeft daar niets tegenover gesteld. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het ter zake vastgestelde bedrag van € 1.480,37 ten onrechte van de schade heeft afgetrokken. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de berekening van de schade in zoverre onjuist is. Het betoog van eiseres slaagt.
Tussenconclusie
15. Gelet op wat hiervoor in rechtsoverwegingen 12 tot en met 14.1 is overwogen, slaagt het beroep van eiseres. Verweerder heeft ten onrechte de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89 niet meegenomen in de schadeberekening. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de waarde van het vrijgekomen hout tot een bedrag van € 1.480,37 afgetrokken van de totale schade. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en onvoldoende gemotiveerd (artikel 7:12 van de Awb). Het beroep van eiseres is om deze reden gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal hierna beoordelen of zij zelf voorziend de schadevergoeding kan vaststellen.
Schadeberekeningsmethode
16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de hoogte van de schade onjuist heeft berekend. Eiseres voert hiertoe aan dat de 3e rekenmethode “Rekenmodel Boomwaarde” uit de richtlijn van de Nederlandse vereniging voor Taxateurs van Bomen (NVTB) uit 2013 het geschikte model is voor het bepalen van schade door de kap van de bomen. [achternaam] komt met een berekening op basis van deze methode voor 123 gepakte bomen tot een substantieel hoger schadebedrag van € 880.000,-. Verweerder heeft ten onrechte de taxatiemethode waarbij de schade wordt berekend op basis van investeringskosten van jonge aanplant ter vervanging van gevelde bomen gebruikt. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een rapportage van 24 november 2023 van boomspecialist Copijn (Copijn) en een reactie van 15 januari 2024 van Copijn overgelegd.
16.1.
De rechtbank overweegt dat bij het begroten van schade altijd keuzes moeten worden gemaakt. Het gaat erom dat die keuzes redelijk en aanvaardbaar zijn. Verweerder mag bij een verzoek om nadeelcompensatie afgaan op het advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit is de zogenoemde vergewisplicht, die is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van die wet voor andere adviseurs.
16.2.
Uit het advies van de Adviescommissie blijkt dat de Adviescommissie het door Copijn gehanteerde rekenmodel boomwaarde berekening conform de NVBT richtlijn 2013 minder geschikt acht. De NVTB richtlijn 2013 maakt volgens de Adviescommissie gebruik van een abstracte rekenmethode, voorheen ook wel aangemerkt als de methode Raad. De methode Raad hanteert als uitgangspunt om oude volgroeide exemplaren te reconstrueren, waarbij ook rekening wordt gehouden met de kosten van beheer en onderhoud in het verleden. De Adviescommissie is van mening dat de NVTB richtlijn 2013 vooral geschikt is voor beeldbepalende parkbomen bij een rijksmonument of solitair staande bomen die mede bepalend zijn voor een beschermd dorps- of stadsgezicht. Volgens de Adviescommissie is hiervan in dit geval geen sprake. Volgens de Adviescommissie hadden de gevelde bomen geen economische maar louter een landschappelijke functie. Als soort beplanting gaat het om overwegend snelgroeiende houtsoorten die weliswaar de kwalificatie gezond droegen, maar waarvan de meeste zich wel in de eindperiode bevonden van hun fysieke omloop. Voor een belangrijk aantal van de zwaardere bomen (in stamdiameter) bestond er volgens de Adviescommissie toch al een noodzaak dat die binnen afzienbare termijn moesten worden verjongd. Gelet op de soort en de functie van de gevelde bomen, alsmede de ruimtelijke context waarin de bomen zich bevonden, ligt het volgens de Adviescommissie voor de hand te kiezen voor een taxatiemethode waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat de gevelde bomen worden vervangen door jonge aanplant en de schade voor eiseres wordt berekend op basis van investeringskosten van jonge aanplant ter vervanging van die gevelde bomen.
16.3.
Uit de reactie van de Adviescommissie van 6 december 2023 volgt dat de Adviescommissie zich op het standpunt stelt dat de NTVB richtlijn 2013 een abstracte benadering van schadeberekening betreft en dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de feitelijke situatie. De Adviescommissie wijst er nog op dat het alleen gebruikelijk is om de NVTB richtlijn 2013 te hanteren in gevallen waarbij het niet mogelijk is om de boomschade te bepalen aan de hand van de marktwaarde of de vervangingswaarde. In het onderhavige geval acht de Adviescommissie het mogelijk om de schade te bepalen aan de hand van de marktwaarde en de vervangingswaarde.
16.4.
De rechtbank stelt vast dat het gebruik van de NTVB richtlijn 2013 niet is voorgeschreven in wet- of regelgeving dan wel is toegepast in rechtspraak over nadeelcompensatie. Verweerder was dus niet gehouden om deze richtlijn toe te passen bij de beoordeling van het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom in dit geval de NTVB richtlijn 2013 niet de geschikte methode is en dat de door verweerder gekozen methode voor de schadeberekening redelijk en aanvaardbaar is. Eiseres heeft onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Waardevermindering onroerende zaak onjuist beschouwd
17. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van permanente waardevermindering van de onroerende zaak als direct gevolg van de kap van de houtopstanden. Subsidiair stelt eiseres dat als er al uitgegaan moet worden van een tijdelijk effect, vijf jaar geen recht doet aan de geleden schade. Eiseres voert aan dat verweerder bij een tijdelijke vermindering van het woongenot ten onrechte alleen is uitgegaan van schade in de vorm van een verminderde groenbeleving. Verweerder heeft ten onrechte andere ruimtelijke effecten buiten beschouwing gelaten. Eiseres wijst op vermindering van situeringswaarde, een vermindering van de beschutting tegen de wind, een toename van stankoverlast door de naastgelegen weg, een toename van lichtvervuiling als gevolg van de naastgelegen weg en bebouwing en een toename van geluidoverlast.
17.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres ter zitting haar beroepsgrond dat de waarde van haar onroerende zaak met in totaal € 185.000 is gedaald, heeft ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet meer bespreken.
17.2.
De Adviescommissie heeft zich in het advies op het standpunt gesteld dat de gevraagde schadecomponenten niet tot een objectief waarneembare permanente waardedaling van de onroerende zaak leidt. De Adviescommissie stelt dat als eiseres de oudere kaprijpe bomen, zoals populieren en wilgen, tijdig had vervangen door jongere exemplaren buiten de kernzone, het effect minder ingrijpend zou zijn geweest dan nu het geval was. Wel acht de Adviescommissie het, om redenen van redelijkheid en billijkheid en het opgewekte vertrouwen bij [achternaam] , gewenst dat enige compensatie in de schade wordt toegekend vanwege de tijdelijk sterk verminderde groenbeleving. Hoewel er in het algemeen volgens de Adviescommissie geen rechtsgrond bestaat tot toekenning van een tijdelijke waardedaling, ziet de Adviescommissie wel aanleiding een schadevergoeding toe te kennen vanwege tijdelijk verminderd woongenot. Een tijdelijke derving van het woongenot wordt volgens de Adviescommissie vertaald in een percentage van de huurwaarde van de woning. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt dat in gevallen waar sprake is van tijdelijke derving van het woongenot gedurende een betrekkelijk korte periode, door de Afdeling is aanvaard dat voor het bepalen van de omvang van de financiële compensatie voor die derving van woongenot wordt uitgegaan van één huurwaarde, zoals die voor een woning gold tijdens die uitvoeringsduur. De Adviescommissie is van mening dat in dit geval sprake is van een zeer korte uitvoeringsduur, namelijk van 4 maart 2014 tot en met 10 april 2014. De Adviescommissie is van mening dat de effecten van de houtkap voor langere duur zijn omdat het enige tijd zal vergen voordat er weer sprake is van herstel van de ‘groenbeleving’. De Adviescommissie komt tot een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari 2015 tot en met eind 2019. Ten aanzien van de ruimtelijke effecten benadrukt de adviescommissie dat bij de schatting van het tijdelijk gederfd woongenot geen rekening wordt gehouden met de overige ruimtelijke effecten, omdat bij de beoordeling van de geluidbelasting op een gevel van de woning aan opgaand groen geen akoestische betekenis wordt toegekend en het gebruik van de N207 door autoverkeer niet is gewijzigd als gevolg van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd. Ten aanzien van het gestelde nadeel door fijnstof en lichtvervuiling is de adviescommissie van mening dat vanwege de afstand van circa 63 meter geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare toename van fijnstof en lichthinder.
17.3.
Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat onderdeel is van het bestreden besluit, blijkt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de Adviescommissie voldoende inzichtelijk en begrijpelijk heeft toegelicht waarom geen betekenis wordt toegekend aan de (andere) ruimtelijke effecten. Verweerder is verder van mening dat sinds de Keur 1953 bomen op de kade verboden zijn en daarom onrechtmatig aanwezig waren. Er is geen vergunning verleend op grond van de Keur 1983 voor de aanwezigheid van de bomen en in latere Keuren blijft het verboden om beplanting te hebben op de kade dan wel in de kernzone van een waterkering. Volgens verweerder waren de bomen van eiseres ten tijde van het afzagen op 3 maart 2014 niet rechtmatig aanwezig. Verweerder heeft dit echter niet aan eiseres tegengeworpen.
17.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat moet worden uitgegaan van een tijdelijke derving van het woongenot, in de vorm van verminderde groenbeleving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom gekozen is voor een tijdelijk verminderde groenbeleving voor de duur van vijf jaar. De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat in het kader van de nadeelcompensatie geen betekenis wordt toegekend aan de overige ruimtelijke effecten. Eiseres heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat dit tot op geld waardeerbaar verder nadeel heeft geleid. In het betoog van eiseres is geen grond te vinden voor het oordeel dat verweerder het advies van de Adviescommissie niet in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Schade door verlies aan baten
18. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de schade door verlies van baten niet apart heeft gewaardeerd. Naast ruimtelijke effecten bestaan er ook milieueffecten in de vorm van baten. Verweerder heeft ten onrechte de optredende milieuschade zoals in het rapport van Copijn per boom berekend geheel buiten beschouwing gelaten. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb.
18.1.
De rechtbank oordeelt ook hier dat het advies van de adviescommissie voldoende duidelijk en inzichtelijk is. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de verwijdering van de aanwezige houtopstand (binnen de kernzone) niet tot een objectief waarneembare permanente waardedaling zal leiden en dat de Adviescommissie in haar schadeberekening uitgaat van herplant van bomen buiten de kernzone, op het huisperceel van eiseres. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat wanneer eiseres de oudere kaprijpe bomen, de populieren en wilgen, tijdig had vervangen door jongere exemplaren buiten de kernzone, het effect van de kap minder ingrijpend zou zijn geweest. In het betoog van eiseres is geen grond te vinden voor het oordeel dat verweerder het advies van de Adviescommissie niet in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Verweerder heeft geen grond gezien voor een schadevergoeding per boom zoals door Copijn berekend. Dit kan de rechtbank volgen omdat verweerder kennelijk in dit opzicht geen individueel door eiseres geleden nadeel heeft gezien. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89, de onderhoudskosten en het vrijgekomen hout. De rechtbank ziet in het voorgaande en in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding zelf in de zaak te voorzien omdat, gelet op overweging 16.4 en de daar beschreven methode, een wezenlijk andere uitkomst van het geschil de rechtbank niet aannemelijk voorkomt. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89, de onderhoudskosten en het vrijgekomen hout te herroepen en door op de hierna volgende wijze te beslissen over het ingediende verzoek om schadevergoeding. De rechtbank zal eiseres alsnog een schadevergoeding toekennen voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89. De rechtbank gaat uit van de volgende berekening. Uit het advies van de Adviescommissie blijkt dat de totale kosten voor reconstructie € 8.506,77 is. Dit bedrag deelt de rechtbank door het aantal bomen dat vergoed moet worden, namelijk 59 bomen. € 8.506,77/59 bomen = € 144,18. De rechtbank bepaalt dat de vergoeding per boom daarmee € 144,18 bedraagt. De rechtbank bepaalt dat verweerder (aanvullend) in totaal een bedrag van € 1.585,98 (€ 144,18 x 11 bomen) aan eiseres moet vergoeden voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89. De onderhoudskosten voor de 11 bomen berekent de rechtbank in aansluiting op het advies van de Adviescommissie als volgt. € 770,48 / 59 bomen = € 13,06 per boom. € 13,06 x 11 bomen = € 143,66. De rechtbank bepaalt dat verweerder (aanvullend) in totaal een bedrag van €143,66 aan onderhoudskosten moet vergoeden aan eiseres. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het bedrag van € 1.480,37 aan eiseres moet vergoeden voor de waarde van het vrijgekomen hout. De rechtbank stelt de totale vergoeding van de (nog niet vergoede) schade op € 3.210,01.
20. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.
22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,00 (1 punt voor het indienen van bezwaar en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,00 en wegingsfactor 1. Voorts 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89, de onderhoudskosten en het vrijgekomen hout;
herroept het primaire besluit voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89, de onderhoudskosten en het vrijgekomen hout;
bepaalt dat verweerder aan eiseres een vergoeding in schadevergoeding moet betalen van € 3.210,01 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 3.200,00 te betalen aan eiseres.
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 187,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, voorzitter, en mr. T.M.J. Smits en mr. R. Kegge, leden, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Waterwet
Artikel 7.14
1. Aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, wordt op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.
2. Het verzoek tot vergoeding van de schade bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting, indiening en motivering van een verzoek tot schadevergoeding.
3. Het bestuursorgaan kan het verzoek afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, doch in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de behandeling en de wijze van beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding.
4. Het besluit inzake de toekenning van de vergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, onverminderd artikel 7.15, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de schade die krachtens het eerste lid voor vergoeding in aanmerking komt.
Nadeelcompensatieverordening Schieland en de Krimpenerwaard 2011
Artikel 20
Het dagelijks bestuur stelt een adviescommissie in.
De commissie heeft tot taak het algemeen bestuur van advies te dienen over de op het verzoek te nemen beslissing.
De commissie bestaat uit drie onafhankelijke deskundigen. In eenvoudige gevallen kan het dagelijks bestuur volstaan met de benoeming van één onafhankelijke deskundige. Indien de commissie uit drie leden bestaat, wijst het dagelijks bestuur de voorzitter aan.
Artikel 22
1. Het advies is met redenen omkleed en omvat een voorstel aan het algemeen bestuur voor de te nemen beslissing op het verzoek. Het advies bevat, indien en voor zover het verzoek daarop mede betrekking heeft, ten minste een uiteenzetting betreffende de volgende onderwerpen:
1. in welke mate de door verzoeker in zijn verzoek gestelde schade een gevolg is van de in het verzoek aangeduide schadeoorzaak;
2. de omvang van de schade;
2. in welke mate de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 7 tot en met 15;
3. de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.
O.a. uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:88.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:223.
uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.
uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5016
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] als erfgenaam van [naam 1], uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Erkamp),
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Wilbers).
Procesverloop
1. [naam 1] ( [achternaam] ) heeft een verzoek om nadeelcompensatie ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 20 juni 2023 (het primaire besluit) aan [achternaam] een schadevergoeding toegekend. Met het bestreden besluit van 3 april 2024 op het bezwaar van [achternaam] is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
1.1.
[achternaam] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Bij brief van 20 mei 2026 heeft de gemachtigde de rechtbank bericht dat [achternaam] op [dag van overlijden] is overleden en dat zijn echtgenote [eiseres] de procedure wil voortzetten, onder toezending van een verklaring van erfrecht. Eiseres heeft aanvullende gronden van beroep, met bijlagen waaronder een brief van het Kadaster over een grensreconstructie, ingediend en nadere e-mailcorrespondentie met het Kadaster van 9 oktober 2024.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] (dochter), [naam schoonzoon] (schoonzoon), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder bijgestaan door mr. A. Leenders en [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. [achternaam] heeft op 21 december 2020 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend vanwege de door het college van burgemeester en wethouders van Gouda aan verweerder verleende omgevingsvergunning van 15 november 2013 voor het vellen van bomen. [achternaam] stelt dat hij schade heeft geleden door de kap van de bomen op zowel het huisperceel als het bosperceel. Daarnaast stelt [achternaam] dat hij vernattingschade lijdt met betrekking tot de hobbyweide als gevolg van de ophoging van de kade.
3. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het dagelijks bestuur van verweerder op 16 november 2021 een Adviescommissie ingesteld. Op 29 maart 2022 heeft een hoorzitting van de Adviescommissie plaatsgevonden, waarbij door de Adviescommissie in aanwezigheid van partijen van de situatie ter plaatse is kennis genomen. De Adviescommissie heeft op 23 april 2023 een advies uitgebracht. De Adviescommissie adviseert het verzoek om nadeelcompensatie te honoreren en aan [achternaam] een schadevergoeding toe te kennen van € 20.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2020 tot aan de dag van uitbetaling. De Adviescommissie adviseert voorts om het verzoek om een tegemoetkoming te verstrekken in de kosten van deskundigenbijstand af te wijzen.
4. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan een schadevergoeding toegekend ter hoogte van € 19.001,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2020 tot aan de dag van uitbetaling. Voorts wordt aan [achternaam] een vergoeding toegekend voor deskundigenkosten ter hoogte van € 1.089,-. Verweerder heeft gemotiveerd dat wordt afgeweken van het advies van de Adviescommissie, omdat de Adviescommissie de verrekening voor het vrijgekomen hout ter beoordeling aan verweerder heeft overgelaten. Verweerder is van mening dat de schade voor het vrijkomende hout anderszins is verzekerd in de zin van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. Het vrijkomende hout is volgens verweerder aan [achternaam] ter beschikking gesteld en hij heeft het hout ook geaccepteerd. De Adviescommissie heeft de opbrengst van het vrijkomende hout begroot op een bedrag van € 1.480,37. Dit bedrag is door verweerder in mindering gebracht op de door de Adviescommissie begrote schade van € 20.200,-.
5. Omdat [achternaam] het niet eens was met het primaire besluit heeft hij bij verweerder bezwaar gemaakt. Op 6 december 2023 heeft de bezwaarschriftencommissie van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (de bezwaarschriftencommissie) een hoorzitting gehouden. Op 4 maart 2024 heeft de bezwaarschriftencommissie een advies uitgebracht en verweerder geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de bezwaarschriftencommissie gevolgd en het bezwaar van [achternaam] ongegrond verklaard.
Toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 is artikel 7.14 van de Waterwet ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.21 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is veroorzaakt door de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. In het eerste lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Het verzoek is gedaan op 21 december 2020. Dit betekent dat in dit geval artikel 7.14 van de Waterwet, zoals die bepaling gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
8. Het wettelijk kader is vermeld in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Omvang schade
9. Wat betreft de omvang van de schadevergoeding geldt dat verweerder zijn besluit heeft gebaseerd op een advies dat is opgesteld door de Adviescommissie, zijnde een door hem benoemde onafhankelijke en onpartijdige commissie van deskundigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag een bestuursorgaan, indien door een dergelijke commissie op objectieve wijze verslag is gedaan van het verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusie ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is, bij het nemen van een besluit als het onderhavige van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht. Het ligt daarom op de weg van eiseres om (eventueel met een tegenrapport) concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de commissie naar voren te brengen.
10. Volgens eveneens vaste rechtspraak is de hoofdregel dat de belanghebbende die in een verzoek om nadeelcompensatie stelt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende schade lijdt als gevolg van een rechtmatige gedraging van een bestuursorgaan de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk maakt. De bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade en het causaal verband met de gestelde oorzaak van de schade rust dus op de verzoeker.
Omvang schade - verplaatsing juridische grens
11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bomen met nummers 115, 121, 122, 124, 126, 127, 128, 129, 130 en 131 op het huisperceel [perceel nummer 1] , niet in eigendom zijn van verweerder omdat de bomen door natrekking in haar eigendom zijn gekomen. Eiseres doet daarbij een beroep op artikel 5:29 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verweerder heeft daarom de tien bomen ten onrechte niet meegenomen bij het bepalen van de omvang van de schade. Eiseres verwijst naar een brief van het Kadaster van 31 juli 2024 waarin wordt aangegeven dat de zuidelijke perceelgrens met het perceel van verweerder ( [perceel nummer 2] ) al in de 19e eeuw is ontstaan en sindsdien niet is gewijzigd. Voorts heeft eiseres een e-mail van het Kadaster van 8 oktober 2024 overgelegd waarin door het Kadaster wordt aangegeven dat de desbetreffende perceelgrens nog steeds dezelfde grens is die ooit is vastgelegd en dat dat ooit de oeverlijn was. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de oeverlijn in 1953 was verplaatst ten opzichte van het moment dat de perceelgrens werd vastgesteld en dat vervolgens in de jaren daarna of in ieder geval meest recent zich hetzelfde heeft voorgedaan maar dan in tegenovergestelde richting.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres in beroep niet aannemelijk gemaakt dat de bomen met nummers 115, 121, 122, 124, 126, 127, 128, 129, 130 en 131 op het huisperceel [perceel nummer 1] door natrekking in haar eigendom zijn gekomen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, op het standpunt gesteld dat op de door eiseres aangeleverde afbeelding de veldwerkkaart, die volgens verweerder bij nader inzien uit 1953 stamt, te zien is waar de kadastrale grens van het Kadaster op gebaseerd is. Volgens verweerder is daarop niet te zien dat de kadastrale grens direct langs de oevergrens loopt. Daarnaast bevat de afbeelding volgens verweerder geen legenda waaruit blijkt dat de zwarte lijn de oevergrens is. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de veldwerkkaart uit medio 1930 niet onomstotelijk vaststelt dat de kadastrale grens langs de oeverlijn loopt. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat voor de beoordeling van de omvang van de schade naar de kadastrale grens is gekeken. Daarbij is de kadastrale eigendom als norm gehanteerd en niet de oevergrens. Verweerder heeft gesteld dat het eigendom niet is gewijzigd. De door eiseres overgelegde brief en e-mail van het Kadaster geven volgens verweerder geen nieuwe inzichten ten aanzien van de kadastrale eigendom. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit die stukken, anders dan eiseres stelt, niet dat de oevergrens de nieuwe kadastergrens is. Uit de brief van het Kadaster van 31 juli 2024 blijkt immers dat het Kadaster tot de conclusie is gekomen dat de grens op 7 november 2023 goed is uitgezet, dat de grens al is ontstaan in de 19e eeuw en sindsdien niet is gewijzigd. Op basis van die grens staan de betreffende bomen niet op grond van eiseres. Dit leidt tot de conclusie dat het kappen van deze bomen niet tot vergoeding van schade jegens eiseres kan leiden. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Omvang schade - bomen met nummers 121, 122 en 124 toch gekapt
12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bomen met nummers 121, 122 en 124 gekapt zijn, terwijl deze bomen eigenlijk behouden dienden te blijven. Eiseres heeft hiertoe een foto overgelegd die is genomen op 29 maart 2014 om 18:50 uur. Eiseres voert aan dat op de werktekening te zien is dat de bomen met nummers 121, 122 en 124 rechts van de schuur stonden, terwijl op de overgelegde foto de drie bomen niet meer te zien zijn.
12.1.
Ter zitting is samen met partijen naar de door eiseres in beroep overgelegde foto gekeken. Daarbij heeft eiseres een toelichting gegeven. Verweerder heeft desgevraagd geen antwoord kunnen geven op de vraag of de bedoelde drie bomen wel of niet gekapt zijn. Verweerder heeft wel bevestigd dat op de door eiseres overgelegde foto de drie bomen niet te zien zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat de drie bomen met nummer 121, 122 en 124 gekapt zijn, terwijl dat niet de bedoeling was. Dat betekent dat verweerder deze bomen had moeten meenemen bij de vaststelling van de schade. Het betoog van eiseres slaagt.
Omvang schade – bosperceel
13. Eisers stelt zich op het standpunt dat er niet 21, maar 30 bomen zijn gekapt op het bosperceel met kadastraal nummer 667, waardoor de omvang van de schadecomponenten groter is dat verweerder heeft vastgesteld. Het betreft de bomen met nummers 51, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89.
13.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat boom met nummer 51 al was afgestorven en dat de discussie ziet op de overige acht bomen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat alle bomen, inclusief nummer 51, zijn meegenomen in de berekening van de schade. Uit het advies van de Adviescommissie blijkt dat in de schadeberekening is uitgegaan van 67 bomen. Vanwege 20 procent aftrek voor het bosperceel en de verwachting dat 10 procent van de aan te planten bomen inboet, komt de Adviescommissie op in totaal 59 bomen die vergoed moeten worden. De Adviescommissie komt op een bedrag van € 8.506,77 voor de totale kosten voor reconstructie. Bijlage 6 (de schadeberekening) bij het advies van de Adviescommissie bevat echter geen berekening waaruit blijkt welke bomen zijn meegenomen in de berekening en met welke bedragen en percentages is gerekend. Volgens verweerder volgt dit uit de pagina’s 41 en 42 onder het kopje ‘vervangingsschade jonge aanplant’ en ‘extra onderhoudskosten jonge aanplant’ van het adviesrapport. Ook hier ziet de rechtbank echter geen navolgbare berekening van de schade en welke bomen daarin betrokken zijn. De rechtbank merkt hierbij nog op dat in het adviesrapport (p. 42) is opgenomen dat verweerder in reactie op het concept heeft aangegeven dat het aantal bomen voor de vervangingsschade niet klopt, omdat bij het bosperceel geen sprake is van vervanging en dat de kostenberekening hierop volgens verweerder zou moeten worden aangepast. Als reactie daarop staat in het adviesrapport dat de Adviescommissie de schadeberekening heeft aangepast en dat die is opgenomen in bijlage 6 bij het advies. Ter zitting heeft verweerder zich echter op het standpunt gesteld dat ook de bomen van het bosperceel in de schadeberekening zijn betrokken. Bij alle onduidelijkheden over welke bomen in de schadeberekening zijn betrokken en gelet op het feit dat door tijdsverloop feiten ten aanzien van gekapte bomen niet meer met zekerheid zijn vast te stellen, is de rechtbank voor oordeel dat eiseres ten aanzien van deze 8 bomen het voordeel van de twijfel moet krijgen en dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade in zoverre niet zorgvuldig is begroot. De enkele stelling van verweerder ter zitting dat de bomen met nummers 51, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89 wel zijn meegenomen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tegenover de gemotiveerde betwisting van eiseres. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de bomen met nummers 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89 niet zijn meegenomen in berekening van de schade. Het betoog van eiseres slaagt.
Opbrengst van het hout
14. Eiseres stelt dat zij niet de (volledige) baten van het vrijgekomen hout heeft gehad zoals door verweerder is meegedeeld en dat het hiervoor vastgestelde bedrag aan schade ten onrechte op de compensatie in mindering is gebracht. In dit verband voert zij aan dat de dikke onderkanten van de boomstammen zijn afgevoerd en dat de takken van de bomen door de uitvoerder zijn versnipperd en afgevoerd. Alleen de middenstukken van de stammen van het huisperceel zijn volgens eiseres achtergebleven.
14.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het advies van de Adviescommissie blijkt dat verweerder heeft toegelicht dat het vrijgekomen hout, voor zover het verweerder bekend was, aan [achternaam] ter beschikking is gesteld. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 8 november 2023 (bezwaarprocedure) toegelicht dat hij van mening is dat in ieder geval een groot gedeelte van het vrijkomende hout aan [achternaam] ter beschikking is gesteld. Verweerder heeft ter onderbouwing daarvan een foto overgelegd. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres ook foto’s overgelegd. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie blijkt dat de bezwaarschriftencommissie aan de door eiseres overgelegde foto’s niet de bewijskracht toekent die eiseres daaraan toekent. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling draagt het bestuursorgaan in beginsel de bewijslast van de feiten op grond waarvan geoordeeld wordt dat de schade redelijkerwijs, geheel of gedeeltelijk, voor rekening van de aanvrager behoort te blijven, of op grond waarvan geoordeeld wordt dat de tegemoetkoming voldoende anderszins verzekerd is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aan de bewijslast voldaan nu onvoldoende is onderbouwd dan wel aannemelijk is gemaakt dat eiseres voor een bedrag van €1.480,37 baten van het vrijgekomen hout heeft gehad. De enkele stelling van verweerder dat in ieder geval een groot gedeelte van het vrijkomende hout aan [achternaam] ter beschikking is gesteld, zonder daarbij met stukken te onderbouwen dat [achternaam] ook daadwerkelijk het vrijgekomen hout heeft ontvangen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Ook uit de foto’s waarnaar verweerder verwijst blijkt niet wat de omvang was van het aan eiseres ter beschikking gestelde hout. De foto’s zien alleen op het huisperceel. Op deze foto’s zijn alleen ‘middenstammen’ te zien. Eiseres heeft op de zitting uitdrukkelijk betwist dat van het bosperceel hout aan haar ter beschikking is gesteld. Verweerder heeft daar niets tegenover gesteld. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het ter zake vastgestelde bedrag van € 1.480,37 ten onrechte van de schade heeft afgetrokken. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de berekening van de schade in zoverre onjuist is. Het betoog van eiseres slaagt.
Tussenconclusie
15. Gelet op wat hiervoor in rechtsoverwegingen 12 tot en met 14.1 is overwogen, slaagt het beroep van eiseres. Verweerder heeft ten onrechte de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89 niet meegenomen in de schadeberekening. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de waarde van het vrijgekomen hout tot een bedrag van € 1.480,37 afgetrokken van de totale schade. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en onvoldoende gemotiveerd (artikel 7:12 van de Awb). Het beroep van eiseres is om deze reden gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal hierna beoordelen of zij zelf voorziend de schadevergoeding kan vaststellen.
Schadeberekeningsmethode
16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de hoogte van de schade onjuist heeft berekend. Eiseres voert hiertoe aan dat de 3e rekenmethode “Rekenmodel Boomwaarde” uit de richtlijn van de Nederlandse vereniging voor Taxateurs van Bomen (NVTB) uit 2013 het geschikte model is voor het bepalen van schade door de kap van de bomen. [achternaam] komt met een berekening op basis van deze methode voor 123 gepakte bomen tot een substantieel hoger schadebedrag van € 880.000,-. Verweerder heeft ten onrechte de taxatiemethode waarbij de schade wordt berekend op basis van investeringskosten van jonge aanplant ter vervanging van gevelde bomen gebruikt. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een rapportage van 24 november 2023 van boomspecialist Copijn (Copijn) en een reactie van 15 januari 2024 van Copijn overgelegd.
16.1.
De rechtbank overweegt dat bij het begroten van schade altijd keuzes moeten worden gemaakt. Het gaat erom dat die keuzes redelijk en aanvaardbaar zijn. Verweerder mag bij een verzoek om nadeelcompensatie afgaan op het advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit is de zogenoemde vergewisplicht, die is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van die wet voor andere adviseurs.
16.2.
Uit het advies van de Adviescommissie blijkt dat de Adviescommissie het door Copijn gehanteerde rekenmodel boomwaarde berekening conform de NVBT richtlijn 2013 minder geschikt acht. De NVTB richtlijn 2013 maakt volgens de Adviescommissie gebruik van een abstracte rekenmethode, voorheen ook wel aangemerkt als de methode Raad. De methode Raad hanteert als uitgangspunt om oude volgroeide exemplaren te reconstrueren, waarbij ook rekening wordt gehouden met de kosten van beheer en onderhoud in het verleden. De Adviescommissie is van mening dat de NVTB richtlijn 2013 vooral geschikt is voor beeldbepalende parkbomen bij een rijksmonument of solitair staande bomen die mede bepalend zijn voor een beschermd dorps- of stadsgezicht. Volgens de Adviescommissie is hiervan in dit geval geen sprake. Volgens de Adviescommissie hadden de gevelde bomen geen economische maar louter een landschappelijke functie. Als soort beplanting gaat het om overwegend snelgroeiende houtsoorten die weliswaar de kwalificatie gezond droegen, maar waarvan de meeste zich wel in de eindperiode bevonden van hun fysieke omloop. Voor een belangrijk aantal van de zwaardere bomen (in stamdiameter) bestond er volgens de Adviescommissie toch al een noodzaak dat die binnen afzienbare termijn moesten worden verjongd. Gelet op de soort en de functie van de gevelde bomen, alsmede de ruimtelijke context waarin de bomen zich bevonden, ligt het volgens de Adviescommissie voor de hand te kiezen voor een taxatiemethode waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat de gevelde bomen worden vervangen door jonge aanplant en de schade voor eiseres wordt berekend op basis van investeringskosten van jonge aanplant ter vervanging van die gevelde bomen.
16.3.
Uit de reactie van de Adviescommissie van 6 december 2023 volgt dat de Adviescommissie zich op het standpunt stelt dat de NTVB richtlijn 2013 een abstracte benadering van schadeberekening betreft en dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de feitelijke situatie. De Adviescommissie wijst er nog op dat het alleen gebruikelijk is om de NVTB richtlijn 2013 te hanteren in gevallen waarbij het niet mogelijk is om de boomschade te bepalen aan de hand van de marktwaarde of de vervangingswaarde. In het onderhavige geval acht de Adviescommissie het mogelijk om de schade te bepalen aan de hand van de marktwaarde en de vervangingswaarde.
16.4.
De rechtbank stelt vast dat het gebruik van de NTVB richtlijn 2013 niet is voorgeschreven in wet- of regelgeving dan wel is toegepast in rechtspraak over nadeelcompensatie. Verweerder was dus niet gehouden om deze richtlijn toe te passen bij de beoordeling van het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom in dit geval de NTVB richtlijn 2013 niet de geschikte methode is en dat de door verweerder gekozen methode voor de schadeberekening redelijk en aanvaardbaar is. Eiseres heeft onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Waardevermindering onroerende zaak onjuist beschouwd
17. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van permanente waardevermindering van de onroerende zaak als direct gevolg van de kap van de houtopstanden. Subsidiair stelt eiseres dat als er al uitgegaan moet worden van een tijdelijk effect, vijf jaar geen recht doet aan de geleden schade. Eiseres voert aan dat verweerder bij een tijdelijke vermindering van het woongenot ten onrechte alleen is uitgegaan van schade in de vorm van een verminderde groenbeleving. Verweerder heeft ten onrechte andere ruimtelijke effecten buiten beschouwing gelaten. Eiseres wijst op vermindering van situeringswaarde, een vermindering van de beschutting tegen de wind, een toename van stankoverlast door de naastgelegen weg, een toename van lichtvervuiling als gevolg van de naastgelegen weg en bebouwing en een toename van geluidoverlast.
17.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres ter zitting haar beroepsgrond dat de waarde van haar onroerende zaak met in totaal € 185.000 is gedaald, heeft ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet meer bespreken.
17.2.
De Adviescommissie heeft zich in het advies op het standpunt gesteld dat de gevraagde schadecomponenten niet tot een objectief waarneembare permanente waardedaling van de onroerende zaak leidt. De Adviescommissie stelt dat als eiseres de oudere kaprijpe bomen, zoals populieren en wilgen, tijdig had vervangen door jongere exemplaren buiten de kernzone, het effect minder ingrijpend zou zijn geweest dan nu het geval was. Wel acht de Adviescommissie het, om redenen van redelijkheid en billijkheid en het opgewekte vertrouwen bij [achternaam] , gewenst dat enige compensatie in de schade wordt toegekend vanwege de tijdelijk sterk verminderde groenbeleving. Hoewel er in het algemeen volgens de Adviescommissie geen rechtsgrond bestaat tot toekenning van een tijdelijke waardedaling, ziet de Adviescommissie wel aanleiding een schadevergoeding toe te kennen vanwege tijdelijk verminderd woongenot. Een tijdelijke derving van het woongenot wordt volgens de Adviescommissie vertaald in een percentage van de huurwaarde van de woning. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt dat in gevallen waar sprake is van tijdelijke derving van het woongenot gedurende een betrekkelijk korte periode, door de Afdeling is aanvaard dat voor het bepalen van de omvang van de financiële compensatie voor die derving van woongenot wordt uitgegaan van één huurwaarde, zoals die voor een woning gold tijdens die uitvoeringsduur. De Adviescommissie is van mening dat in dit geval sprake is van een zeer korte uitvoeringsduur, namelijk van 4 maart 2014 tot en met 10 april 2014. De Adviescommissie is van mening dat de effecten van de houtkap voor langere duur zijn omdat het enige tijd zal vergen voordat er weer sprake is van herstel van de ‘groenbeleving’. De Adviescommissie komt tot een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari 2015 tot en met eind 2019. Ten aanzien van de ruimtelijke effecten benadrukt de adviescommissie dat bij de schatting van het tijdelijk gederfd woongenot geen rekening wordt gehouden met de overige ruimtelijke effecten, omdat bij de beoordeling van de geluidbelasting op een gevel van de woning aan opgaand groen geen akoestische betekenis wordt toegekend en het gebruik van de N207 door autoverkeer niet is gewijzigd als gevolg van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd. Ten aanzien van het gestelde nadeel door fijnstof en lichtvervuiling is de adviescommissie van mening dat vanwege de afstand van circa 63 meter geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare toename van fijnstof en lichthinder.
17.3.
Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat onderdeel is van het bestreden besluit, blijkt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de Adviescommissie voldoende inzichtelijk en begrijpelijk heeft toegelicht waarom geen betekenis wordt toegekend aan de (andere) ruimtelijke effecten. Verweerder is verder van mening dat sinds de Keur 1953 bomen op de kade verboden zijn en daarom onrechtmatig aanwezig waren. Er is geen vergunning verleend op grond van de Keur 1983 voor de aanwezigheid van de bomen en in latere Keuren blijft het verboden om beplanting te hebben op de kade dan wel in de kernzone van een waterkering. Volgens verweerder waren de bomen van eiseres ten tijde van het afzagen op 3 maart 2014 niet rechtmatig aanwezig. Verweerder heeft dit echter niet aan eiseres tegengeworpen.
17.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat moet worden uitgegaan van een tijdelijke derving van het woongenot, in de vorm van verminderde groenbeleving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom gekozen is voor een tijdelijk verminderde groenbeleving voor de duur van vijf jaar. De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat in het kader van de nadeelcompensatie geen betekenis wordt toegekend aan de overige ruimtelijke effecten. Eiseres heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat dit tot op geld waardeerbaar verder nadeel heeft geleid. In het betoog van eiseres is geen grond te vinden voor het oordeel dat verweerder het advies van de Adviescommissie niet in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Schade door verlies aan baten
18. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de schade door verlies van baten niet apart heeft gewaardeerd. Naast ruimtelijke effecten bestaan er ook milieueffecten in de vorm van baten. Verweerder heeft ten onrechte de optredende milieuschade zoals in het rapport van Copijn per boom berekend geheel buiten beschouwing gelaten. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb.
18.1.
De rechtbank oordeelt ook hier dat het advies van de adviescommissie voldoende duidelijk en inzichtelijk is. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de verwijdering van de aanwezige houtopstand (binnen de kernzone) niet tot een objectief waarneembare permanente waardedaling zal leiden en dat de Adviescommissie in haar schadeberekening uitgaat van herplant van bomen buiten de kernzone, op het huisperceel van eiseres. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat wanneer eiseres de oudere kaprijpe bomen, de populieren en wilgen, tijdig had vervangen door jongere exemplaren buiten de kernzone, het effect van de kap minder ingrijpend zou zijn geweest. In het betoog van eiseres is geen grond te vinden voor het oordeel dat verweerder het advies van de Adviescommissie niet in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Verweerder heeft geen grond gezien voor een schadevergoeding per boom zoals door Copijn berekend. Dit kan de rechtbank volgen omdat verweerder kennelijk in dit opzicht geen individueel door eiseres geleden nadeel heeft gezien. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89, de onderhoudskosten en het vrijgekomen hout. De rechtbank ziet in het voorgaande en in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding zelf in de zaak te voorzien omdat, gelet op overweging 16.4 en de daar beschreven methode, een wezenlijk andere uitkomst van het geschil de rechtbank niet aannemelijk voorkomt. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89, de onderhoudskosten en het vrijgekomen hout te herroepen en door op de hierna volgende wijze te beslissen over het ingediende verzoek om schadevergoeding. De rechtbank zal eiseres alsnog een schadevergoeding toekennen voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89. De rechtbank gaat uit van de volgende berekening. Uit het advies van de Adviescommissie blijkt dat de totale kosten voor reconstructie € 8.506,77 is. Dit bedrag deelt de rechtbank door het aantal bomen dat vergoed moet worden, namelijk 59 bomen. € 8.506,77/59 bomen = € 144,18. De rechtbank bepaalt dat de vergoeding per boom daarmee € 144,18 bedraagt. De rechtbank bepaalt dat verweerder (aanvullend) in totaal een bedrag van € 1.585,98 (€ 144,18 x 11 bomen) aan eiseres moet vergoeden voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89. De onderhoudskosten voor de 11 bomen berekent de rechtbank in aansluiting op het advies van de Adviescommissie als volgt. € 770,48 / 59 bomen = € 13,06 per boom. € 13,06 x 11 bomen = € 143,66. De rechtbank bepaalt dat verweerder (aanvullend) in totaal een bedrag van €143,66 aan onderhoudskosten moet vergoeden aan eiseres. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het bedrag van € 1.480,37 aan eiseres moet vergoeden voor de waarde van het vrijgekomen hout. De rechtbank stelt de totale vergoeding van de (nog niet vergoede) schade op € 3.210,01.
20. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.
22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,00 (1 punt voor het indienen van bezwaar en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,00 en wegingsfactor 1. Voorts 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89, de onderhoudskosten en het vrijgekomen hout;
herroept het primaire besluit voor zover daarin geen schadevergoeding is toegekend voor de bomen met nummers 121, 122, 124, 62, 67, 68, 70, 78, 81, 85 en 89, de onderhoudskosten en het vrijgekomen hout;
bepaalt dat verweerder aan eiseres een vergoeding in schadevergoeding moet betalen van € 3.210,01 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 3.200,00 te betalen aan eiseres.
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 187,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, voorzitter, en mr. T.M.J. Smits en mr. R. Kegge, leden, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Waterwet
Artikel 7.14
1. Aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, wordt op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.
2. Het verzoek tot vergoeding van de schade bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting, indiening en motivering van een verzoek tot schadevergoeding.
3. Het bestuursorgaan kan het verzoek afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, doch in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de behandeling en de wijze van beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding.
4. Het besluit inzake de toekenning van de vergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, onverminderd artikel 7.15, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de schade die krachtens het eerste lid voor vergoeding in aanmerking komt.
Nadeelcompensatieverordening Schieland en de Krimpenerwaard 2011
Artikel 20
Het dagelijks bestuur stelt een adviescommissie in.
De commissie heeft tot taak het algemeen bestuur van advies te dienen over de op het verzoek te nemen beslissing.
De commissie bestaat uit drie onafhankelijke deskundigen. In eenvoudige gevallen kan het dagelijks bestuur volstaan met de benoeming van één onafhankelijke deskundige. Indien de commissie uit drie leden bestaat, wijst het dagelijks bestuur de voorzitter aan.
Artikel 22
1. Het advies is met redenen omkleed en omvat een voorstel aan het algemeen bestuur voor de te nemen beslissing op het verzoek. Het advies bevat, indien en voor zover het verzoek daarop mede betrekking heeft, ten minste een uiteenzetting betreffende de volgende onderwerpen:
1. in welke mate de door verzoeker in zijn verzoek gestelde schade een gevolg is van de in het verzoek aangeduide schadeoorzaak;
2. de omvang van de schade;
2. in welke mate de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 7 tot en met 15;
3. de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.
O.a. uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:88.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:223.
uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.
uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.