Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9503

2026-07-21 Civiel recht C/10/723426 / KG ZA 26-753
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/10/723426 / KG ZA 26-753
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Schriftelijke uitwerking van een mondeling uitgesproken vonnis in kort geding. Eiser sub 2 niet-ontvankelijk. Executiegeschil. Ontruiming. Afwijzing. De tenuitvoerlegging van het proces-verbaal levert geen misbruik van bevoegdheid op aan de zijde van gedaagde.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.633 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/723426 / KG ZA 26-753




Schriftelijke uitwerking van 23 juli 2026 van het op 21 juli 2026 mondeling uitgesproken vonnis in kort geding




in de zaak van





1 [eiser sub 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [eiser sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. C.A. Gobbens,



tegen




GEBRS. COSTER VASTGOED B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M. Dibbets.




Partijen worden hierna [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en Coster Vastgoed genoemd. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden hierna samen [eisers] genoemd.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2026, met producties 1 tot en met 18;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot met 23;- de mondelinge behandeling op 21 juli 2026; - de pleitaantekeningen van Coster Vastgoed.



1.2.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter medegedeeld dat zij mondeling uitspraak gaat doen. De mondelinge behandeling is met het oog daarop kort geschorst. Na de schorsing heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.
Dit vonnis is de schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak en wordt op 23 juli 2026 aan partijen ter beschikking gesteld.









2De feiten

2.1.

[eiser sub 2] is de bestuurder/eigenaar van [eiser sub 1] . Hij was dat ook van [bedrijf] B.V., de rechtsvoorganger van [eiser sub 1] .



2.2.
Op 1 februari 2018 hebben Coster Vastgoed en [bedrijf] B.V. een huurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de bedrijfsruimte). Met ingang van 1 januari 2021 hebben Coster Vastgoed en [bedrijf] B.V. een nieuwe huurovereenkomst gesloten voor deze bedrijfsruimte. Per 1 juli 2022 is [eiser sub 1] bij akte van indeplaatsstelling in de plaats getreden van [bedrijf] B.V. Daarbij heeft [eiser sub 2] zich in privé garant gesteld voor een bedrag van € 28.722,37.



2.3.

In juni 2025 heeft Coster Vastgoed een kort geding tegen [eiser sub 1] aanhangig gemaakt. Daarin vorderde zij zowel betaling van huurpenningen als ontruiming van de bedrijfsruimte. Die vorderingen zijn, wegens gebrek aan spoedeisend belang, bij vonnis van 26 juni 2025 afgewezen.
Op 8 september 2025 heeft Coster Vastgoed een bodemprocedure tegen [eiser sub 1] aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. Op 15 oktober 2025 heeft Coster Vastgoed een afzonderlijke procedure tegen [eiser sub 2] uit hoofde van diens garantstelling aanhangig gemaakt, ook bij deze rechtbank. De procedures zijn gevoegd behandeld. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 maart 2026 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten die is opgenomen in een proces-verbaal. Daarin staat onder meer het volgende:



“(…)


1. [eiser sub 1] betaalt aan Coster Vastgoed vanaf vandaag de huur op tijd. Dat betekent dat de



betaling uiterlijk de vijfde dag van iedere maand op de rekening van Coster Vastgoed is


binnengekomen.




2. De partijen stellen vast dat [eiser sub 1] een schuld van € 31.423,46 heeft bij Coster Vastgoed.



Dat is de huurachterstand tot en met de maand maart 2026, inclusief servicekosten.



[eiser sub 1] lost deze schuld uiterlijk op 31 maart 2026 af. Dat betekent dat dit bedrag uiterlijk


op 31 maart 2026 op de rekening van Coster Vastgoed is binnengekomen.




3. De verschuldigde boetes worden vastgesteld op een bedrag van € 1.500,00. [eiser sub 1] betaalt



dit bedrag en draagt ervoor zorg dat dit bedrag uiterlijk 30 april 2026 op de rekening


van Coster Vastgoed is binnengekomen.




4. Het verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 2.922,00 (2*€ 1.461,00) in beide zaken



wordt betaald door [eiser sub 1] . [eiser sub 1] draagt ervoor zorg dat dit bedrag uiterlijk 30 april 2026


op de rekening van Coster Vastgoed is binnengekomen.




5. Als [eiser sub 1] de huur en de andere bovenstaande bedragen niet of te laat betaalt, moet [eiser sub 1]



het totale bedrag dat op dat moment openstaat direct in één keer aan Coster Vastgoed


betalen. Over dit bedrag moet dan ook direct wettelijke rente betaald worden.




6. Als [eiser sub 1] de lopende huur of de andere bovenstaande bedragen niet of te laat betaalt,



eindigt de huurovereenkomst. Coster Vastgoed mag in dat geval vanaf veertien dagen na


betekening van dit proces-verbaal de bedrijfsruimte aan [adres] in



[plaats] laten ontruimen. [eiser sub 1] betaalt vanaf het einde van de huurovereenkomst tot


de dag van de ontruiming aan Coster Vastgoed een vergoeding die net zo hoog is als de


huur.




7. Partijen verlenen elkaar finale kwijting in beide zaken. Dat betekent dat zij tot vandaag



niets anders van elkaar te vorderen hebben dat te maken heeft met deze zaken. Als [eiser sub 1]


niet aan bovenstaande betalingsverplichtingen voldoet, kan Coster Vastgoed wel nog


een beroep doen op de garantstelling in privé van [eiser sub 2] .


(…)”




2.4.
Op 7 april, 5 mei en 5 juli 2026 heeft Coster Vastgoed de huur voor de maanden april tot en met juli 2026 van [eiser sub 1] ontvangen.



2.5.
Bij e-mails van 8 en 22 mei 2026 heeft Coster Vastgoed [eiser sub 1] betalingsherinneringen gestuurd voor de boetes en het griffierecht (afspraken onder 3 en 4), met de mededeling dat de huurovereenkomst eindigt bij te late betaling.



2.6.
Op 26 mei 2026 heeft Coster Vastgoed de betaling van boetes ontvangen van [eiser sub 1] .



2.7.
Bij e-mail van 3 juni 2026 bericht Coster Vastgoed [eiser sub 1] het volgende:


“Het eerdere vonnis was zeer duidelijk, verschuldigde boetes en griffierechten te

voldoen uiterlijk 30 april 2026. U heeft alleen de verschuldigde boetes (1.500,-),


overigens te laat, betaald. De griffierechten (2.922,-) zijn nog steeds niet betaald. Dit


betekent, dat wij nu gerechtigd zijn om over te gaan tot ontruiming (artikel 6 in het


vonnis).



Als de verschuldigde huur over de maandjuni 2026 EN de griffierechten uiterlijk


5 juni 2026 niet zijn betaald dan zullen wij direct en zonder verdere


aankondiging, overgaan tot ontruiming
.”




2.8.
Bij exploten van 12, 13 en 15 juni 2026 heeft Coster Vastgoed het proces-verbaal van 20 maart 2026 laten betekenen en de ontruiming aangezegd. Bij e-mail van 23 juni 2026 heeft Coster Vastgoed een kopie van deze exploten aan [eiser sub 1] verzonden met de mededeling dat de bedrijfsruimte per 29 juni 2026 moet zijn ontruimd.



2.9.
Op 23 juni 2026 hebben [eiser sub 2] en [persoon A] ( [functie] Coster Vastgoed) telefonisch contact gehad. Op diezelfde dag heeft Coster Vastgoed [eiser sub 1] een e-mail gestuurd waarin onder meer het volgende staat:


“(…)Naar aanleiding van ons telefoongesprek zijn wij bereid de ontruiming stop te zetten

onder de volgende voorwaarden:


• Uiterlijk vrijdag 26 juni is door u aan ons betaald, het staat dan op onze rekening


en niet het excuus het geld is onderweg:


o Proceskosten Euro 2.922,00,-


o Vergoeding van Euro 5.000,- voor alle kosten (advocaat en deurwaarder)


die wij nu weer hebben moeten maken voor het ingang zetten en mogelijk


ook weer stopzetten van de ontruiming;


• Een schriftelijke bevestiging (per mail en per aangetekende brief aan ons kantoor)


dat u zich zult houden, in de toekomst aan het procesverbaal zoals bijgesloten en


dat u nimmer onze coulance zult gebruiken om de inhoud van het procesverbaal


ter discussie te stellen;


• Bij de eerste volgende te late betaling zullen wij direct alsnog tot ontruiming


overgaan.


Dus bovenstaande moet voor 26 juni aanstaande geregeld zijn, lees bij ons binnen


zijn. (…)”




2.10.
Bij e-mail van 26 juni 2026 heeft de deurwaarder Coster Vastgoed bericht dat [eiser sub 1] een bedrag van ruim € 3.000,00 heeft betaald.



2.11.
Bij deurwaardersexploot van 9 juli 2026 is de ontruiming van de bedrijfsruimte aangezegd tegen 22 juli 2026 tussen 07:00 en 20:00 uur.






3Het geschil


3.1.
In dit kort geding vorderen [eisers] – kort gezegd – Coster Vastgoed te gebieden om de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van 20 maart 2026 te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van Coster Vastgoed in de proceskosten.



3.2.
Coster Vastgoed voert verweer tegen de vorderingen. Zij stelt onder meer dat [eiser sub 2] niet kan worden ontvangen in zijn vorderingen. Verder concludeert Coster Vastgoed tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.






4De beoordeling




[eiser sub 2] is niet-ontvankelijk in zijn vorderingen




4.1.


[eiser sub 2] heeft onvoldoende gesteld, laat staan onderbouwd, wat zijn belang is bij het staken en gestaakt te houden van de geplande ontruiming. [eiser sub 2] is immers niet de huurder van de bedrijfsruimte. Daarom wordt [eiser sub 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.

Juridisch kader





4.2.

[eiser sub 1] verzetten zich tegen de executie van het proces-verbaal van 20 maart 2026. Het proces-verbaal legt een vaststellingsovereenkomst vast met finale kwijting en doorhaling van de procedures tussen partijen. Daardoor is sprake van een onherroepelijke executoriale titel, waartegen geen rechtsmiddel openstaat.



4.3.
De voorzieningenrechter kan in een executiegeschil als onderhavige alleen de staking van de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van 20 maart 2026 gebieden als de voorzieningenrechter van oordeel is dat de executant (Coster Vastgoed) - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde ( [eiser sub 1] ) die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan.



4.4.
De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.



Geen sprake van misbruik van bevoegdheid





4.5.
Randnummer 6 van de vaststellingsovereenkomst is helder geformuleerd. Doordat [eiser sub 1] niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan wat betreft de boetes, het griffierecht, maar ook wat betreft de huur (zo heeft Coster Vastgoed de huur ontvangen op 7 april in plaats van op 5 april 2026) is het einde van de huurovereenkomst ingetreden en mag Coster Vastgoed de bedrijfsruimte laten ontruimen.


4.6.
De vraag die voorligt is of de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van 20 maart 2026 misbruik van bevoegdheid oplevert aan de zijde van Coster Vastgoed, zoals [eiser sub 1] meent. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is, gelet op het volgende.


4.7.
Zoals hiervoor al is overwogen heeft [eiser sub 1] niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst voldaan zodat, gelet op randnummer 6 van de vaststellingsovereenkomst, het einde van de huurovereenkomst is ingetreden. Coster Vastgoed heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van [eiser sub 1] door, zonder dat Coster Vastgoed daartoe enige verplichting had, [eiser sub 1] meermaals te sommeren om tot betaling over te gaan. Ook de door Coster Vastgoed bij e-mail van 3 juni 2026 geboden laatste kans om alsnog tot volledige nakoming over te gaan zonder consequenties heeft [eiser sub 1] onbenut gelaten. Coster Vastgoed heeft [eiser sub 1] dan ook meermaals in de gelegenheid gesteld haar betalingsverplichtingen na te komen, zonder direct tot ontruiming over te gaan, terwijl zij daartoe op grond van de vaststellingsovereenkomst wel gerechtigd was. De gevolgen van de niet tijdige nakoming van de betalingsverplichtingen komen voor rekening en risico van [eiser sub 1] . Het is immers de verantwoordelijkheid van [eiser sub 1] om zorg te dragen voor tijdige betaling. [eiser sub 1] wist, gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, ook wat er op het spel stond.


4.8.
Het telefoongesprek tussen [persoon A] en [eiser sub 2] op 23 juni 2026 maakt dit, in tegenstelling tot wat [eiser sub 1] meent, niet anders. Dat er die dag een afspraak is gemaakt van de strekking die [eiser sub 1] stelt en waar later, zonder overleg/toestemming met/van [eiser sub 1] , door Coster Vastgoed een aanvullende voorwaarde aan is verbonden, te weten de betaling van een extra bedrag van € 5.000,00 aan kosten voor de advocaat en deurwaarder, is niet aannemelijk. [persoon A] heeft de stellingen van [eiser sub 1] omtrent de inhoud van het telefoongesprek op 23 juni 2026 gemotiveerd betwist en daar komt nog bij dat de inhoud van de e-mail (zie 2.9.) eerder een bevestiging is van de lezing van [persoon A] over het telefoongesprek, namelijk dat gezegd is dat hij een voorstel zou gaan doen. Dat geldt ook voor de stellingen van [eiser sub 1] wat betreft de bereikbaarheid van Coster Vastgoed op 23 juni 2026 en in de periode daarna.



4.9.
Voor zover er al een belangenafweging dient plaats te vinden, valt deze in het voordeel van Coster Vastgoed uit. [eiser sub 1] heeft in de periode tussen 8 mei (de eerste betalingsherinnering van Coster Vastgoed) en 23 juni 2026 in het geheel niet gecommuniceerd met Coster Vastgoed over de (te late) betalingen. Voor zover er al sprake was van interne miscommunicatie binnen [eiser sub 1] geldt dat dit voor rekening en risico van [eiser sub 1] komt. [eiser sub 1] is immers verantwoordelijk voor een zodanige inrichting van haar bedrijfsvoering dat zij tijdig aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. De voorzieningenrechter merkt overigens op dat het merkwaardig is dat [eiser sub 1] stelt dat de betalingen niet tijdig zijn voldaan aan Coster Vastgoed doordat degene die daarvoor verantwoordelijk was gedurende zes/zeven weken afwezig was. De betalingsherinneringen van Coster Vastgoed zijn immers gericht aan [eiser sub 2] . Niet valt in te zien, en ook niet gesteld is, dat [eiser sub 2] als bestuurder van [eiser sub 1] , op geen enkele manier kon bewerkstelligen dat de betalingen aan Coster Vastgoed werden voldaan.



4.10.

Gelet op de gegeven omstandigheden levert de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van 20 maart 2026 dan ook geen misbruik van bevoegdheid op aan de zijde van Coster Vastgoed. De vorderingen worden daarom afgewezen.

Proceskosten





4.11.

[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Coster Vastgoed worden begroot op:









- griffierecht


€


735,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.101,00














5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1.
verklaart [eiser sub 2] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,



5.2.
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] af,



5.3.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.366,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,



5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. De schriftelijke uitwerking van dit vonnis is op 23 juli 2026 aan partijen ter beschikking gesteld.
[3894/2009]

















































Hoge Raad 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 (Ritzen/Hoekstra).