Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9499

2026-07-07 Civiel recht C/10/721855/HA RK 26-600
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/10/721855/HA RK 26-600
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek; afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.733 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Wrakingskamer



zaaknummer: C/10/721855/HA RK 26-600





Beslissing van 7 juli 2026




van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van





[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,



strekkende tot wraking van




mr. V.F. Milders,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.






1De procedure


1.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met zaaknummer
11693695 CV EXPL 25-11184, een procedure van verzoeker tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën – Douane Nederland). Het dossier van deze procedure is ter beschikking van de wrakingskamer gesteld. Op 19 juni 2026 heeft in die zaak de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zittingsaantekeningen daarvan zijn op 25 juni 2026 aan de wrakingskamer verstrekt.




1.2.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:


het schriftelijke wrakingsverzoek van 21 juni 2026;


de schriftelijke reactie van de rechter van 29 juni 2026.





1.3.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 1 juli 2026 is verzoeker verschenen. Verzoeker heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die hij voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft toegezonden. De rechter is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.






2Het wrakingsverzoek


Verzoeker legt aan zijn verzoek – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag.



De rechter heeft verzoeker geen gelegenheid gegeven om zijn juridische standpunt, de dragende stukken en zijn juridische kernpositie (kort) rustig en gestructureerd toe te lichten, maar heeft hem onderworpen aan een vragenreeks. Daarbij heeft de rechter meermaals met stemverheffing gesproken en herhaaldelijk uitlatingen gedaan als ‘laat mij in uw hoofd kijken’, ‘ik begrijp u niet’, ‘dat vindt u’, ‘mag je [persoon A] niet?’ en ‘Ja, maar de Douane heeft zich toch redelijk gedragen?’ en hij noemde het handelen van verzoeker in deze zaak ‘stevig’, ‘opvallend’ en ‘escalerend’. Gelet op alle uitlatingen en de bejegening door de rechter op zitting, in samenhang bezien, was van een louter kritische bevraging geen sprake meer, aldus verzoeker. De rechter wekte met een en ander de indruk dat het handelen en de juridische positie van verzoeker al negatief waren ingekaderd, met weinig ruimte voor een open en onbevangen rechterlijk oordeel. Verzoeker voelt zich daarom niet gehoord. Hierdoor is bij hem de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat zijn standpunt niet langer onbevangen werd onderzocht en dat de rechter reeds tijdens de behandeling inhoudelijk positie tegenover hem had ingenomen.






3De beoordeling


3.1.
Een rechter kan alleen worden gewraakt als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 36 Rv). Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is, of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het uitgangspunt is daarbij dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.



3.2.
De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd vormen geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.



3.3.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert objectief gezien gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar niet doorslaggevend. De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoeker gestelde vrees voor vooringenomenheid van de rechter objectief gezien niet gerechtvaardigd is. Dat wordt hierna uitgelegd.



3.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter op de zitting de regie voert over de behandeling van de zaak die aan hem is voorgelegd. De rechter heeft een grote mate van vrijheid om het verloop en de voortgang van de zitting en de wijze van behandeling te bepalen. Het staat de rechter vrij te bepalen welke – al dan niet kritische – vragen aan welke partij worden gesteld, in welke volgorde dat gebeurt en hoe die vragen worden gesteld, om daarmee antwoord te krijgen op vragen die hij belangrijk vindt bij de beoordeling van de zaak. Het is ook aan de rechter om te bepalen wanneer hij voldoende informatie heeft gekregen over een bepaald aspect of discussiepunt. Dit wordt op zichzelf door verzoeker ook niet betwist.



3.5.
Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, leidt de wrakingskamer af dat de rechter hem met de nodige scepsis heeft bevraagd over de gronden en de haalbaarheid van zijn vordering en dat deze vragen door verzoeker ook als zeer kritisch of te kritisch zijn ervaren. Daarnaast constateert de wrakingskamer dat er bij verzoeker de, op zichzelf begrijpelijke, wens bestond om zijn juridische standpunt gestructureerd nader uiteen te zetten en mondeling toe te lichten, maar dat de rechter hem hiertoe (ook voor zover blijkt uit de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling) niet afzonderlijk – los van de beantwoording van de door de rechter gestelde vragen – ruimte heeft gegeven. (Dat laatste geldt overigens naar het zich laat aanzien ook voor verzoekers wederpartij.) Dit vormt echter nog geen objectieve rechtvaardiging van de geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker. Daarbij betrekt de wrakingskamer in de overwegingen dat door de vele vragen die de rechter verzoeker heeft gesteld naar het oordeel van de wrakingskamer niet gezegd kan worden dat verzoeker niet de gelegenheid heeft gehad, naast hetgeen hij in zijn dagvaarding en de bijlage daarbij al had uiteengezet, zijn visie op de zaak te geven en dus ook niet dat van hoor en wederhoor geen sprake is geweest.



3.6.
De slotsom moet zijn dat de omstandigheden die de verzoeker heeft aangevoerd geen grond vormen voor wraking. In essentie komen de door verzoeker aangevoerde gronden neer op bejegeningsklachten. Daarvoor is desgewenst de afzonderlijke klachtenprocedure bij de rechtbank de aangewezen weg.



3.7.
Gelet op het vorenstaande komt de wrakingskamer tot de conclusie dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.






4De beslissing


De rechtbank:



- wijst het verzoek tot wraking af.




Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. K.A. Baggerman en mr. C. Sikkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Tijssen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.










de griffier de oudste rechter






Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.