Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9497
2026-07-24
Civiel recht
C/10/722449 / KG ZA 26-672
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Verstek. In kort geding kan niet worden bepaald aan wie het gebruiksrecht toekomt. Gedaagde wordt op grond van artikel 3:168 lid 2 BW veroordeeld om de woning te verlaten, op straffe van een dwangsom.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.723 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722449 / KG ZA 26-672
Vonnis in kort geding van 24 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. T. Erdal,
tegen
[de man]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 1 juli 2026, met producties 1 tot en met 4.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren de vrouw en haar advocaat mr. T. Erdal aanwezig. De man is niet verschenen.
2De vordering
2.1.
De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de woning gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ;
II. de man te bevelen de woning binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en verlaten te houden en de man te verbieden de woning na zijn vertrek zonder voorafgaande toestemming van de vrouw te betreden;
III. te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij nalaat uitvoering te geven aan het onder I, en II bepaalde, zulks met een maximum van € 25.000,00;
IV. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
3De beoordeling
3.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de niet verschenen man verstek wordt verleend.
3.2.
Het voor toewijzing van een vordering in kort geding vereiste spoedeisend belang volgt uit de stellingen van de vrouw.
3.3.
De vordering (onder I) om te bepalen dat het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toekomt, heeft een declaratoir karakter en kan alleen in een bodemprocedure worden toegewezen. Een kort geding leent zich daar niet voor. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
3.4.
Vordering II wordt toegewezen, met dien verstande dat de man wordt bevolen om de woning binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en verlaten te houden. Deze vordering wordt toegewezen op grond van artikel 3:168 lid 2 BW (en niet op grond van artikel 3:169 BW, zoals de vrouw heeft gevorderd). Partijen zijn deelgenoten in een gemeenschap, nu zij gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. Indien tussen deelgenoten een geschil bestaat over de vraag op welke wijze gebruik wordt gemaakt van het gemeenschappelijk goed kan, op grond van bovengenoemd artikel, daarover aan de kantonrechter, of aan de voorzieningenrechter in kort geding, een beslissing worden gevraagd.
3.5.
Vordering III komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen en gemaximeerd.
3.6.
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen man;
4.2.
beveelt de man om de woning gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en verlaten te houden en verbiedt de man de woning na zijn vertrek zonder voorafgaande toestemming van de vrouw te betreden;
4.3.
bepaalt dat de man een dwangsom van € 500,00 verbeurt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet voldoet aan de veroordeling in 4.2., een en ander totdat een maximum van € 12.500,00 is bereikt;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
[3894/1573]
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722449 / KG ZA 26-672
Vonnis in kort geding van 24 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. T. Erdal,
tegen
[de man]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 1 juli 2026, met producties 1 tot en met 4.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren de vrouw en haar advocaat mr. T. Erdal aanwezig. De man is niet verschenen.
2De vordering
2.1.
De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de woning gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ;
II. de man te bevelen de woning binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en verlaten te houden en de man te verbieden de woning na zijn vertrek zonder voorafgaande toestemming van de vrouw te betreden;
III. te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij nalaat uitvoering te geven aan het onder I, en II bepaalde, zulks met een maximum van € 25.000,00;
IV. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
3De beoordeling
3.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de niet verschenen man verstek wordt verleend.
3.2.
Het voor toewijzing van een vordering in kort geding vereiste spoedeisend belang volgt uit de stellingen van de vrouw.
3.3.
De vordering (onder I) om te bepalen dat het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toekomt, heeft een declaratoir karakter en kan alleen in een bodemprocedure worden toegewezen. Een kort geding leent zich daar niet voor. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
3.4.
Vordering II wordt toegewezen, met dien verstande dat de man wordt bevolen om de woning binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en verlaten te houden. Deze vordering wordt toegewezen op grond van artikel 3:168 lid 2 BW (en niet op grond van artikel 3:169 BW, zoals de vrouw heeft gevorderd). Partijen zijn deelgenoten in een gemeenschap, nu zij gezamenlijk eigenaar zijn van een woning. Indien tussen deelgenoten een geschil bestaat over de vraag op welke wijze gebruik wordt gemaakt van het gemeenschappelijk goed kan, op grond van bovengenoemd artikel, daarover aan de kantonrechter, of aan de voorzieningenrechter in kort geding, een beslissing worden gevraagd.
3.5.
Vordering III komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen en gemaximeerd.
3.6.
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen man;
4.2.
beveelt de man om de woning gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en verlaten te houden en verbiedt de man de woning na zijn vertrek zonder voorafgaande toestemming van de vrouw te betreden;
4.3.
bepaalt dat de man een dwangsom van € 500,00 verbeurt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet voldoet aan de veroordeling in 4.2., een en ander totdat een maximum van € 12.500,00 is bereikt;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
[3894/1573]