Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9466

2026-08-03 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT 26/5561
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-03
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
ROT 26/5561
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Varia, vovo, WVW, artikel 8, rijden onder invloed, onderzoek opgelegd, bestuurder. Het CBR heeft besloten dat verzoekster een onderzoek moet ondergaan naar haar alcoholgebruik en heeft hangende dit onderzoek de geldigheid van verzoeksters rijbewijs geschorst. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Volgens de voorzieningenrechter is aan alle voorwaarden voor het opleggen van een onderzoek en voor schorsing van het rijbewijs voldaan en is het besluit niet onevenredig.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.206 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 26/5561


uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. D. Uygul-van Dam),


en


De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).


Samenvatting


Het CBR heeft besloten dat verzoekster een onderzoek moet ondergaan naar haar alcoholgebruik en heeft hangende dit onderzoek de geldigheid van verzoeksters rijbewijs geschorst. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Volgens de voorzieningenrechter is aan alle voorwaarden voor het opleggen van een onderzoek en voor schorsing van het rijbewijs voldaan en is het besluit niet onevenredig.





Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 12 juni 2026 heeft het CBR verzoekster meegedeeld dat zij een onderzoek moet laten doen naar haar alcoholgebruik en de geldigheid van het rijbewijs van verzoekster hangende dit onderzoek geschorst. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het CBR.





Beoordeling door de voorzieningenrechter



Wat is er gebeurd?

2. Verzoekster is op 5 juni 2026 om 14:39 uur als bestuurder van een personenauto door de politie aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. Het onderzoeksresultaat van de ademanalyse bedroeg 800 μg/l (= 1,840 ‰).

3. Op 11 juni 2026 heeft het CBR van de politie een mededeling als bedoeld in artikel 130 van de WVW ontvangen. Daaruit bleek van het vermoeden dat verzoekster niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid, dan wel niet langer lichamelijk of geestelijk geschikt is om een motorrijtuig te besturen.



Waar gaat deze zaak om?

4. Het CBR heeft naar aanleiding van de mededeling van de politie besloten dat verzoekster een onderzoek moet laten doen naar haar alcoholgebruik. Het bij verzoekster gemeten alcoholgehalte bedroeg meer dan 785 μg/l (1,8 ‰). Het CBR is daarom gehouden verzoekster een onderzoek naar haar alcoholgebruik op te leggen en tevens verplicht de geldigheid van het rijbewijs van verzoekster hangende dit onderzoek te schorsen.

5. Verzoekster is het met dit besluit niet eens. Zij wil met haar verzoek bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst, met name voor zover daarbij de geldigheid van haar rijbewijs is geschorst.



Spoedeisend belang


6. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, waardoor het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht.


6.1.
Verzoekster voert aan dat zij haar rijbewijs nodig heeft in verband met haar persoonlijke (gezondheids)situatie en de gezondheidssituatie van haar hond. Verzoekster heeft enkele weken geleden ernstige brandwonden opgelopen (en een schimmelinfectie). Hiervoor moet zij behandelingen ondergaan in het Maasstadziekenhuis. De reistijd met het openbaar vervoer (OV) bedraagt ongeveer een uur (heen en terug). Bovendien loopt verzoekster in het OV meer risico op infecties. Haar hond is ziek en slikt medicatie. Daar komt nog bij dat haar moeder onlangs van de trap is gevallen en op dit moment in een revalidatiecentrum in Rijswijk verblijft. Met OV kost het verzoekster meer dan anderhalf uur (heen en terug) om haar moeder te bezoeken, dat is voor verzoekster niet te doen. Er zijn geen familieleden of kennissen op wie zij voor vervoer kan terugvallen. Los daarvan heeft verzoekster naar eigen zeggen op korte termijn niet genoeg geld om de uitvoeringskosten voor het onderzoek te betalen, aangezien zij onder financieel bewind staat.



6.2.
De voorzieningenrechter ziet in de aangevoerde omstandigheden redenen aanwezig voor het aannemen van het spoedeisend belang.



De voorzieningenrechter wijst het verzoek af


7. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



Heeft het CBR verzoekster terecht als bestuurder van de auto aangemerkt?


8. Verzoekster voert aan dat zij niet van plan was om met de auto te gaan rijden. Zij ging naar haar auto om er iets uit te halen en zag toen dat de auto niet helemaal recht in het parkeervak stond. Zij wilde deze alleen iets rechter neerzetten en niet wegrijden. Na het starten van de motor is de auto mogelijk gaan rollen. De politie heeft hier geen onderzoek naar gedaan.



8.1.
De voorzieningenrechter kan verzoekster niet volgen voor zover zij stelt dat zij niet met de auto heeft gereden. Uit de verklaringen van de politie blijkt dat verzoekster met de auto heeft gereden. Op het fotomateriaal in het politiedossier is te zien dat de auto gedeeltelijk in het parkeervak en gedeeltelijk op de rijbaan staat. Het CBR mag uitgaan van de verklaringen van de politie. De gemachtigde van verzoekster heeft op de zitting ook niet weersproken dat verzoekster achter het stuur van de auto heeft plaatsgenomen, de contactsleutel heeft omgedraaid en de motor heeft gestart. Daarmee staat vast dat verzoekster handelingen als bestuurder heeft verricht op de openbare weg, de parkeerplaats daaronder begrepen, waardoor de auto is verplaatst. Daarbij is niet van belang hoe lang of hoeveel (meters) verzoekster met de auto heeft gereden. Het CBR heeft verzoekster dus terecht aangemerkt als bestuurder van de auto.



Mocht het CBR verzoekster een onderzoek naar haar alcoholgebruik opleggen en de geldigheid van het rijbewijs schorsen?


9. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster als bestuurder van een personenauto heeft gereden, terwijl zij onder invloed was van alcohol. Verzoekster heeft het vastgestelde alcoholgehalte niet betwist. Gelet op het vastgestelde alcoholgehalte is voldaan aan de voorwaarden van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, in samenhang met artikel 5, aanhef en onder j, en artikel 6 van de Regeling. Dit betekent dat het CBR gehouden was om verzoekster een onderzoek naar haar alcoholgebruik op te leggen en om hangende dit onderzoek de geldigheid van haar rijbewijs te schorsen.



Is het bestreden besluit evenredig?


10. Verzoekster stelt dat zij door het bestreden besluit onevenredig wordt benadeeld. Zoals zij ook in het kader van het spoedeisend belang heeft aangevoerd heeft zij het rijbewijs nodig vanwege haar persoonlijke situatie, waaronder haar gezondheidssituatie en die van haar hond. Het bezoeken van haar moeder in een revalidatiecentrum in Rijswijk is daar nog bijgekomen. Het reizen met het OV is voor verzoekster te tijdrovend en vanwege haar brandwonden loopt zij daar ook meer risico op infecties. Verder stelt verzoekster dat het CBR teveel nadruk legt op de verkeersveiligheid. Haar auto stond geparkeerd aan het einde van een doodlopende straat. Zij had daar geen fietsers verwacht en ook niet hoeven verwachten. De jongens kwamen naar eigen zeggen aanrijden over een voetpad. Daarbij valt niet uit te sluiten dat zij te hard hebben gereden. Het is volgens verzoekster nog maar de vraag of iemand die niet onder invloed van alcohol was de fietsers wel tijdig had gezien. Daarnaast was verzoekster niet van plan om met de auto weg te rijden. Verzoekster meent dan ook dat sprake is van (zeer) uitzonderlijke omstandigheden die voor het CBR aanleiding hadden kunnen (en moeten) zijn om de Regeling buiten toepassing te laten.



10.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924) laten de toepasselijke bepalingen van de WVW en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Wel kan de rechter, in een zeer uitzonderlijk geval, oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.



10.2.
De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onevenredig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval. De situatie van verzoekster wijkt niet af van die van andere personen aan wie een onderzoek naar de rijgeschiktheid is opgelegd en van wie de geldigheid van het rijbewijs is geschorst en die de auto nodig hebben voor eigen vervoer.



10.3.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor verzoekster niet comfortabel is om met het OV te moeten reizen. Verzoekster heeft echter wel gesteld maar niet onderbouwd dat het reizen met het OV voor haar om medische redenen niet mogelijk of niet verantwoord is. Ook is niet gebleken dat voor verzoekster geen alternatieven mogelijk zijn, buiten het OV. Van een uitzonderlijk geval is daarom geen sprake. Daar komt bij dat verzoekster het in feite aan zichzelf te wijten heeft dat zij door de schorsing van haar rijbewijs nu geen motorvoertuig mag besturen. Verzoekster is met de auto gaan rijden, terwijl zij onder invloed was van alcohol, en heeft daardoor een ongeval veroorzaakt. Anders dan verzoekster meent, was de verkeersveiligheid hier dus wel degelijk in het geding.



10.4.
Ook hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd, waaronder haar financiële situatie en het ontbreken van een sociaal netwerk, maakt niet dat hier sprake is van een zeer uitzonderlijk geval. De voorzieningenrechter raadt verzoekster aan om zo spoedig mogelijk de uitvoeringskosten te betalen – ook om ongeldigverklaring van het rijbewijs te voorkomen – en een datum voor het onderzoek in te (laten) plannen. Desnoods kan zij gebruik maken van een betalingsregeling. Als uit het onderzoek mocht blijken dat geen sprake is van alcoholmisbruik kan verzoekster in beginsel haar rijbewijs weer terugkrijgen.





Conclusie en gevolgen


11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster een onderzoek naar haar alcoholgebruik moet ondergaan en dat haar rijbewijs hangende dit onderzoek geschorst blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).


Dit staat in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW, in samenhang met artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).


Dit staat in artikel 131, tweede lid, van de WVW, in samenhang met artikel 5, aanhef en onder j, en artikel 6 van de Regeling.