Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9403
Inhoudsindicatie
Eindbeslissing in het verzet in de beperkingszaken van de Delfborg I en Delfborg II – verzoek om terug te komen van beslissingen – de rechtbank blijft bij het oordeel in de beschikking van 18 december 2025 in het verzet tegen de goedgekeurde staat van verdeling – er is geen rechtsregel die schuldeiser verbiedt om haar vordering wegens Zweedse proceskosten terug te nemen uit de beperkingsprocedure – terugname van een vordering uit de beperkingsprocedure is in beginsel mogelijk tot het moment waarop de staat van verdeling wordt vastgesteld – de omstandigheid dat de vordering is erkend belet niet dat de schuldeiser die vordering nadien uit de beperkingsprocedure terugneemt – de rechtbank oordeelt dat de vordering van schuldeiser wegens Zweedse proceskosten wordt verwijderd van de staat van verdeling en de rechtbank stelt de dienovereenkomstig aangepaste staat van verdeling vast
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.691 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummers / rekestnummers: C/10/424631 HA RK 13-425 en
C/10/431722 HA RK 13-787
Zakenfonds zeeschip DELFBORG
Beschikking van de rechtbank van 28 juli 2026
in de gevoegde zaken van
zaaknummer / rekestnummer: C/10/424631 / HA RK 13-425 van
1. [verzoeker 1],
handelend zowel voor zich als in hoedanigheid van beherend vennoot van
C.V. m.s. Delfborg ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de commanditaire vennootschap
C.V. M.S. DELFBORG,
gevestigd te Assen ,
verzoekers,
advocaat mr. P.A. den Haan te Rotterdam,
en
zaaknummer / rekestnummer: C/10/431772 / HA RK 13-787 van
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WAGENBORG SHIPPING B.V.,
gevestigd te Delfzijl,
verzoekster,
advocaat mr. P.A. den Haan te Rotterdam.
Verzoekers worden hierna afzonderlijk ‘ [verzoeker 1] ’, ‘ Delfborg ’ en ‘Wagenborg’ genoemd en gezamenlijk ‘Verzoekers’.
1Korte samenvatting
Dit is de eindbeslissing in het kader van een procedure tot beperking van aansprakelijkheid van de eigenaar of exploitant van het zeeschip DELFBORG, als bedoeld in Titel 7 van Boek 8 BW en de Tweede Afdeling van het Derde Boek van het WBRv (Rv).
Deze beschikking vormt een beslissing op het bezwaar (verzet) van Baltic Cable AB (hierna: Baltic Cable), gevestigd te Malmö, Zweden, advocaat voorheen mr. D. Knottenbelt, thans mr. R. Verkerk te Rotterdam, tegen de door de rechter-commissaris in de beperkingsprocedure op 27 juni 2024 gegeven beschikking (hierna: de Beschikking) en tegen de op dezelfde datum door de rechter-commissaris goedgekeurde Staat van verdeling van het door Verzoekers gestelde fonds ter zake van zaakschade ter beperking van hun aansprakelijkheid (hierna: zakenfonds) in verband met een voorval met de DELFBORG. Het gaat om een voorval bij het ophalen van een anker van dat schip dat zich in november 2012 in de Baltische Zee heeft voorgedaan, waarbij een onderzees gelegen elektriciteitskabel van Baltic Cable beschadigd werd (hierna: het voorval).
Baltic Cable heeft Verzoekers voor de door haar wegens het voorval geleden schade aansprakelijk gesteld en Verzoekers bij dagvaarding van 26 maart 2013 aangesproken voor het gerecht in Malmö, Zweden.
Vervolgens zijn Verzoekers een procedure tot beperking van hun aansprakelijkheid ter zake van het voorval begonnen in Nederland, voor deze rechtbank. Verzoekers hebben een zakenfonds gesteld. Baltic Cable heeft vorderingen bij de vereffenaar van het zakenfonds ingediend, waaronder de aan haar in de procedures in Zweden toe te wijzen kosten (gerechtskosten, advocatenkosten en dergelijke, hierna gezamenlijk: de Zweedse proceskosten). In de loop van deze beperkingsprocedure heeft de rechtbank op 21 december 2016 beslist:
(i) dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over onderwerpen betreffende de beperking van aansprakelijkheid; en
(ii) dat over de aansprakelijkheid van Verzoekers en de omvang daarvan door de rechter in Zweden dient te worden geoordeeld, mits de rechter in Zweden zich daartoe bevoegd verklaart.
Daarna is tussen Baltic Cable en Verzoekers verder geprocedeerd voor de gerechten in Zweden over (onder meer) de aansprakelijkheid van Verzoekers en de omvang van die aansprakelijkheid. In najaar 2023 heeft de hoogste rechter in Zweden een beslissing gegeven waarbij is vastgesteld dat (een of meer van) Verzoekers jegens Baltic Cable aansprakelijk (is of) zijn, waarbij de omvang van die aansprakelijkheid werd vastgesteld. Baltic Cable heeft die beslissing ingebracht in de beperkingsprocedure. Baltic Cable heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de aan haar toegewezen Zweedse proceskosten niet onderworpen zijn aan de beperking van aansprakelijkheid van Verzoekers. Baltic Cable heeft buiten de beperkingsprocedure en het zakenfonds om door beslaglegging verhaal gezocht voor de Zweedse proceskosten.
In de vervolgens door de vereffenaar opgestelde Staat van verdeling van het zakenfonds zijn de Zweedse proceskosten als erkende vordering opgenomen, dus als een aan beperking van aansprakelijkheid onderhevige vordering. In de Beschikking heeft de rechter-commissaris de Staat van verdeling van het zakenfonds goedgekeurd.
Baltic Cable heeft bij de rechtbank het rechtsmiddel van verzet ingesteld tegen die goedkeurende beslissing van de rechter-commissaris, respectievelijk de Staat van verdeling. In de beschikking van 18 december 2025 is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat Baltic Cable onder de gegeven omstandigheden de gelegenheid behoort te krijgen om haar vordering wegens de Zweedse proceskosten alsnog uit de beperkingsprocedure terug te nemen.
Vervolgens hebben Baltic Cable en Verzoekers aktes genomen. Verzoekers hebben de rechtbank verzocht terug te komen van het oordeel in de beschikking van 18 december 2025 dat aan Baltic Cable de gelegenheid moet worden geboden alsnog haar vordering uit de beperkingsprocedure terug te nemen.
Het oordeel over een en ander volgt hieronder.
2Het verdere verloop van de procedure
2.1.
De rechtbank verwijst voor het verloop van de procedure naar hoofdstuk 2 van de beschikking van 18 december 2025. Daarna hebben de volgende proceshandelingen plaatsgevonden.
2.2.
Op 5 januari 2026 hebben Verzoekers een akte genomen waarin zij uiteenzetten dat en waarom zij van mening zijn dat de rechtbank dient terug te komen van de beslissingen in de beschikking van 18 december 2025:a) dat Baltic Cable alsnog de gelegenheid behoort te krijgen om haar vordering wegens de Zweedse proceskosten uit de beperkingsprocedure terug te nemen, zoals overwogen en geoordeeld inro. 3.65, het dictum en aan het slot van de samenvatting in ro. 1;b) dat een schuldeiser zijn vordering op elk door hem gewenst moment uit de beperkingsprocedure kan terugnemen, zoals overwogen en geoordeeld in ro. 3.63.
2.3.
Op 13 januari 2026 heeft Baltic Cable een akte genomen, waarin zij onder meer betoogt dat zij haar vordering wegens de Zweedse proceskosten op 4 juli 2025 definitief had teruggenomen en waarin zij overlegt het schrijven van haar advocaat aan de vereffenaar, de rechter-commissaris en de advocaat van Verzoekers van 7 januari 2026 waarin deze meedeelt dat Baltic Cable die vordering ‘hierbij, onvoorwaardelijk en onherroepelijk, uit de beperkingsprocedure terugneemt’.
2.4.
Verzoekers hebben daarop gereageerd bij akte van 26 januari 2026.
2.5.
Vervolgens is een datum voor de beslissing bepaald. Die is aangehouden tot heden.
3De verdere beoordeling
Het verzoek om terug te komen van beslissingen
3.1.
De rechtbank verwijst naar en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en geoordeeld in de beschikking van 18 december 2025.
3.2.
Anders dan door Verzoekers verzocht, komt de rechtbank niet terug van haar overwegingen en beslissingen in de in ro. 3.63, respectievelijk ro. 3.65, het dictum en het slot van de samenvatting in ro. 1 van die beschikking. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
3.2.1.
Anders dan Verzoekers betogen, is er geen rechtsregel die het Baltic Cable verbiedt om haar vordering wegens de Zweedse proceskosten terug te nemen uit de beperkingsprocedure.
Voor terugname van een vordering uit de beperkingsprocedure is vereist, maar ook voldoende dat de schuldeiser die terugname meedeelt aan de vereffenaar van het beperkingsfonds (met een afschrift aan de overige betrokkenen).
Weliswaar kan een schuldeiser een vordering die onderworpen is aan beperking van aansprakelijkheid (vgl. artikel 2 LLMC 1996 en artikel 8:752 BW) niet aan de beperking onttrekken door deze uit de beperkingsprocedure terug te nemen (vgl. artikel 13 LLMC 1996), maar dat beperkt niet het recht van de schuldeiser om zijn vordering terug te nemen. Terugname van een vordering die aan beperking van aansprakelijkheid onderworpen is, heeft tot gevolg dat de vordering tenietgaat ingevolge artikel 642w Rv. Na terugname wederom indienen van een vordering is niet mogelijk (vgl. artikel 642g, 642i en 642o Rv). Een vordering die niet is onderworpen aan beperking van aansprakelijkheid, blijft na intrekking uit de beperkingsprocedure in beginsel in stand.
3.2.2.
Terugname van een vordering uit de beperkingsprocedure is in beginsel mogelijk tot het moment waarop de Staat van verdeling wordt vastgesteld (artikel 642u en 642v lid 1 Rv). Goedkeuring door de rechter-commissaris behelst nog geen vaststelling. In dit geval hangt de vaststelling door de rechtbank als bedoeld in artikel 642v lid 1 Rv tot de uitspraak van deze beschikking.
3.2.3.
De omstandigheid dat een verzoeker tot beperking van aansprakelijkheid een vordering erkent (respectievelijk dat de rechter-commissaris die erkende vordering overeenkomstig het bepaalde in artikel 642p Rv vaststelt met aantekening daarvan in het proces-verbaal van de zitting – maar, zoals in de beschikking van 18 december 2025 besproken, in het onderhavige geval is een afwijkende route gevolgd), belet niet dat de schuldeiser die vordering nadien uit de beperkingsprocedure terugneemt. Er is geen rechtsregel die dat een schuldeiser verbiedt. Het ligt ook niet in de rede om een dergelijke onmogelijkheid aan te nemen, omdat er redenen kunnen zijn dat een vordering uit de beperkingsprocedure wordt teruggenomen. Te denken valt aan voldoening van de vordering buiten de beperkingsprocedure om, aan het doen van afstand van een vordering, of aan een geval als het onderhavige waarin een schuldeiser meent dat de vordering niet onderworpen is aan beperking van aansprakelijkheid.
3.2.4.
In het onderhavige geval heeft Baltic Cable vanaf 11 december 2023 (vgl. ro. 3.32 beschikking 18 december 2025) kenbaar gemaakt dat zij meende dat (of erover twijfelde of) haar vordering wegens de Zweedse proceskosten, die zij zonder voorbehoud ter verificatie had ingediend, niet aan beperking van aansprakelijkheid onderworpen was. Dat heeft Baltic Cable bij herhaling gedaan. Dat was dus voordat de vereffenaar de Staat van verdeling opstelde, respectievelijk de rechter-commissaris de Staat van verdeling goedkeurde.
3.2.5.
Omdat Baltic Cable haar vordering wegens de Zweedse proceskosten niet ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk terugnam uit de beperkingsprocedure, is deze vordering in de Staat van verdeling opgenomen. Met haar verzet tegen de Staat van verdeling heeft Baltic Cable haar eerder geuite standpunt (of twijfel) over het aan beperking van aansprakelijkheid onderworpen zijn van die vordering kracht bijgezet. Dus binnen de daarvoor geldende termijnen.
3.2.6.
Omdat Baltic Cable in haar bezwaarschrift niet klip en klaar meedeelde dat zij haar vordering wegens de Zweedse proceskosten reeds eerder had teruggenomen of alstoen terugnam uit de beperkingsprocedure, maar daarover onduidelijkheid liet bestaan (en met allerlei bezwaren kwam aandragen die het kader van de verzetprocedure te buiten gaan), heeft de rechtbank aan Baltic Cable een laatste gelegenheid geboden om zich definitief uit te laten over de terugname van die vordering. Anders dan Verzoekers (lijken te) betogen, is het dus niet zo dat de rechtbank aan Baltic Cable de gelegenheid heeft geboden om na de vaststelling van de Staat van verdeling haar vordering terug te nemen, maar slechts om haar eerder ingenomen positie te verduidelijken en daarvan bewijs in het geding te brengen.
3.2.7.
Uit het vorenstaande volgt dat, anders dan Verzoekers in hun akte van 5 januari 2026 onder 3-5 betogen, de rechtbank het verzoek van Baltic Cable sub f van het petitum van haar Akte/Nader verzoek niet heeft toegewezen. De rechtbank heeft, gezien de uitlatingen van Baltic Cable binnen het kader van de beperkingsprocedure, gebruik makende van haar discretionaire bevoegdheid, geoordeeld dat aan Baltic Cable de gelegenheid behoort te worden gegeven duidelijkheid te verschaffen over terugname van haar vordering wegens de Zweedse proceskosten.
Vordering wegens Zweedse proceskosten teruggenomen uit de beperkingsprocedure
3.3.
Met haar bij akte overgelegde schrijven aan de vereffenaar van 7 januari 2026 heeft Baltic Cable aangetoond dat zij haar vordering wegens de Zweedse proceskosten definitief en onherroepelijk heeft teruggenomen uit de beperkingsprocedure.
3.4.
Baltic Cable betoogt dat zij de terugname al eerder had geëffectueerd, maar dat onderwerp kan buiten beschouwing blijven. Immers, met het (tijdig) indienen van het bezwaarschrift voorkwam Baltic Cable dat de Staat van verdeling definitief werd vastgesteld. De onduidelijke stellingname van Baltic Cable werd weliswaar niet opgeklaard met haar bezwaarschrift, maar daarmee kreeg zij wel (extra) tijd om haar stellingname te verduidelijken. Baltic Cable heeft wellicht haar standpunt verduidelijkt op de mondelinge behandeling (zoals zij betoogt onder randnummers 2.5 en 2.6 van haar akte van 13 januari 2026), maar daadwerkelijke mededeling van de terugname aan de vereffenaar is toen niet gerealiseerd. Die mededeling is gedaan in het genoemde schrijven van 7 januari 2026.
Vaststelling Staat van verdeling
3.5.
Gezien de terugname van de vordering wegens de Zweedse proceskosten, moet het oordeel zijn dat de Staat van verdeling dienovereenkomstig dient te worden aangepast. Dat zal de rechtbank daarom doen.
3.6.
Indien en voor zover later mocht blijken dat (een gedeelte van) de vordering wegens de Zweedse proceskosten onderworpen is aan de beperking van aansprakelijkheid, dan zal (dat gedeelte van) die vordering teniet zijn gegaan ingevolge artikel 642w Rv.
Proceskosten
3.7.
Nu in deze verzetprocedure ieder van partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk wordt gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zodat ieder van partijen haar eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
bepaalt dat uit de Staat van verdeling wordt verwijderd de vordering wegens toegewezen (advocaat- en gerechts-)kosten betreffende de procedures voor het gerecht in Malmö tot en met het hoogste gerecht in Zweden ten bedrage van € 1.223.071,81 vermeerderd met rente;
4.2.
stelt de dienovereenkomstig aangepaste Staat van verdeling vast;
4.3.
wijst af het meer of anders verzochte;
4.4.
compenseert de proceskosten, zodat ieder van partijen haar eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.P. Sprenger, M. Witkamp en S.H.L. Niessen en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. B. Meeuwisse-den Boer.
1928/3266/2054/3261