Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9397
2026-07-22
Civiel recht
C/10/700699 HA ZA 25-453
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bevoegdheidsincident – arbitrageclausule in Fenex-voorwaarden – beroep op het buiten toepassing laten van het arbitraal beding op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt – de rechtbank verklaart zich onbevoegd
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.118 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaak- en rolnummer: C/10/700699 / HA ZA 25-453
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
PCO NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Lelystad,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het bevoegdheidsincident
advocaat: mr. W.M. Sturms,
tegen
KUEHNE + NAGEL N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het bevoegdheidsincident,
advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman.
Partijen worden hierna PCO en K+N genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2025, met producties 1 tot en met 20;- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met productie 1;
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met producties 21 tot en met 26;- de oproepingsbrief van 12 november 2025 van de rechtbank op grond waarvan partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling in het bevoegdheidsincident; - het op 6 februari 2026 ingekomen productieoverzicht van K+N met producties 2 tot en met 4;
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026 in het incident, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van PCO en K+N, die zij tijdens de mondelinge behandeling hebben overgelegd en hebben voorgedragen.
1.2.
De zaak is na sluiting van de zitting naar de rol van 8 april 2026 verwezen voor vonnis.
1.3.
Partijen hebben de rechtbank op 31 maart 2026 gezamenlijk bericht dat zij een procesafspraak hebben gemaakt om over en weer een nadere akte te nemen vanuit hun behoefte hun standpunten kort nader toe te lichten. De zaak is daartoe naar de rol van 6 mei 2026 verwezen.
1.4.
Partijen hebben op 6 mei 2026 over en weer een nadere akte ingediend. PCO heeft geen nadere producties overgelegd. K+N heeft producties 5 en 6 overgelegd. Partijen hebben hun respectievelijke akten voorafgaand aan de rolzitting van 6 mei 2026 onderling uitgewisseld, en in hun eigen akte reeds op de inhoud van de akte en eventuele producties van de wederpartij te reageren. Dat betekent dat PCO ook schriftelijk heeft kunnen reageren op de nadere producties van K+N.
1.5.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
PCO vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, K+N te veroordelen tot betaling aan PCO van:
schadevergoeding groot € 67.825,06 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van opeisbaarheid dan wel vanaf 1 december 2024 dan wel veertien dagen na het te wijzen vonnis;
de buitengerechtelijke incassokosten groot € 245,- exclusief btw;
de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na het vonnis.
2.2.
PCO legt aan haar vorderingen – kort samengevat – het volgende ten grondslag. K+N heeft in 2024 in opdracht van PCO eetbare waren vervoerd van de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland. Door verschillende fouten van K+N in de uitvoering van drie opdrachten heeft PCO schade opgelopen. PCO stelt dat K+N toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens PCO en dat zij verplicht is de schade te vergoeden die PCO hierdoor heeft geleden.
2.3.
K+N heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd.
3Het geschil in het bevoegdheidsincident
3.1.
K+N vordert dat de rechtbank bij incidenteel vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. zich onbevoegd verklaart van de vorderingen van PCO kennis te nemen;
II. PCO veroordeelt in de kosten van de procedure, te betalen binnen veertien dagen na de vonnisdatum en bij gebrek aan betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag.
3.2.
PCO concludeert tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van K+N in de kosten van het incident.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
K+N heeft opdracht gekregen om importzendingen voor PCO te verzorgen. Het gaat in deze zaak om:
ordernummer [nummer 1] (een groupagecontainer gelost in Antwerpen en doorvervoerd naar Rotterdam, waarvan PCO aan K+N verwijt dat K+N heeft verzuimt voor keuring door de NWA of haar Belgisch equivalent te zorgen, als gevolg waarvan de lading moest worden vernietigd),
ordernummer [nummer 2] (PCO verwijt K+N dat zij deze order te laat in behandeling heeft genomen en verkeerd heeft geadviseerd over het gezondheidscertificaat, als gevolg waarvan PCO demurragekosten en hogere koerierskosten moest betalen),
ordernummers [nummer 3] en [nummer 4] (PCO verwijt K+N dat zij te laat en verkeerd heeft geadviseerd over het gezondheidscertificaat, waardoor PCO demurragekosten moest betalen).
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat K+N tijdig de Nederlandse Expeditievoorwaarden, in de versie van 1 mei 2018, van toepassing heeft verklaard op de hier bedoelde opdrachten. Deze toepasselijkverklaring blijkt uit de offerte gedateerd op 23 augustus 2023 van K+N aan PCO die voor zover relevant luidt:
“Van toepassing zijn de “Nederlandse Expeditievoorwaarden” gedeponeerd door de FENEX ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, laatste versie. De voorwaarden kunnen kosteloos worden toegestuurd en kunnen te allen tijde tevens worden nagelezen op: [website 1] (NL) of [website 2] (ENG).”
4.3.
Partijen zijn het er ook over eens dat PCO de offerte op 30 augustus 2023 per e-mail heeft aanvaard. Dit betekent dat de overeenkomst langs elektronische weg is tot stand gekomen en dat de Nederlandse Expeditievoorwaarden in beginsel deel zijn gaan uitmaken van die hoofdovereenkomst en de daaruit voortvloeiende opdrachten, waaronder de drie onderhavige opdrachten.
4.4.
Artikel 23 Nederlandse Expeditievoorwaarden houdt voor zover relevant in dat drie arbiters conform het FENEX-arbitragereglement over geschillen zullen beslissen, met uitsluiting van de gewone rechter.
K+N beroept zich op dit beding en vordert dat de rechtbank zich overeenkomstig artikel 1022 Rv onbevoegd verklaart om over de vordering van PCO te oordelen.
4.5.
Artikel 1022 Rv luidt:
“De rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, verklaart zich onbevoegd, indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.”
4.6.
Uit deze bepaling volgt dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren tenzij de overeenkomst tot arbitrage ongeldig is. PCO had aanvankelijk een beroep op vernietigbaarheid van de voorwaarden gedaan op de grond dat deze niet conform artikel 6:234 BW ter hand zouden zijn gesteld. Dit standpunt heeft zij in haar laatste akte verlaten. In die akte heeft zij ook aangegeven dat zij niet (langer) betoogt dat het arbitraal beding vernietigbaar is vanwege een als onredelijk bezwarend aan te merken inhoud daarvan. PCO doet slechts nog een beroep op buitentoepassinglating van het arbitraal beding op grond van de effecten daarvan in dit concrete geval. Dit beroep kan in deze procedure om de hierna volgende redenen niet slagen.
4.7.
De onderhavige procedure speelt tussen twee Nederlandse (en professionele) partijen. De rechtbank ziet in een dergelijke zaak geen reden om het begrip ‘ongeldigheid van de overeenkomst’ zo ruim uit te leggen dat daaronder ook valt het eventueel buiten toepassing laten van het arbitraal beding op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Een buitentoepassinglating maakt niet dat de arbitrageafspraak ongeldig is, maar is het resultaat van een inhoudelijk oordeel over de redelijkheid en billijkheid van de gevolgen die partijen zullen ondervinden van toepassing van de arbitrageafspraak. Die toets is in dit geval aan arbiters voorbehouden.
Daarbij komt dat het PCO, naar de rechtbank uit haar laatste akte begrijpt, niet zozeer gaat om de vraag of geldig arbitrage is overeengekomen, maar vooral om de vraag of in de arbitrage zal blijken dat deze niet tijdig aanhangig is gemaakt. PCO vreest, en blijkens de reactie van K+N niet ten onrechte, dat K+N een beroep zal willen doen op een mogelijk reeds verstreken vervaltermijn in de Nederlandse Expeditievoorwaarden. PCO wil kunnen betogen dat een dergelijk beroep gelet op de gedragingen van K+N en haar verzekeraar in de aanloop naar het onderhavige geschil naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. PCO licht niet toe waarom zij dit debat niet voor arbiters zou kunnen voeren. De rechtbank ziet bij gebreke van een dergelijke toelichting niet in waarom geen arbitrage zou kunnen worden gestart waarin PCO een vordering instelt, K+N zich daartegen desgewenst verweert en bedingen in de algemene voorwaarden inroept en PCO daar dan desgewenst tegenin brengt dat en waarom deze buiten toepassing zouden moeten blijven. Het al dan niet tijdig aanhangig maken van een arbitrageprocedure behoort naar het oordeel van de rechtbank geen factor te zijn waarvan de bevoegdheid van de overheidsrechter of die van arbiter(s) afhangt.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren.
4.9.
PCO wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident veroordeeld. De rechtbank begroot deze kosten op in totaal € 1.959,00 aan salaris voor de advocaat (3,0 punten gewaardeerd op tarief II à € 653,00. De rechtbank kent deze punten toe voor de conclusie van antwoord in het incident, de mondelinge behandeling in het incident en de nadere akte in het incident).
4.10.
Daarnaast wordt PCO veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak, nu zij onterecht de zaak bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt. Die kosten aan de zijde van K+N worden begroot op € 2.995,00 aan griffierecht.
4.11.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing in het incident en de hoofdzaak
De rechtbank
5.1.
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van PCO kennis te nemen;
5.2.
veroordeelt PCO in de proceskosten, die aan de kant van K+N worden begroot op € 1.959,00 in het incident en op € 2.995,00 in de hoofdzaak, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 indien zij niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en dit vonnis moet worden betekend;
5.3.
veroordeelt PCO in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Laan en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.3266/1885
Team handel en haven
Zaak- en rolnummer: C/10/700699 / HA ZA 25-453
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
PCO NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Lelystad,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het bevoegdheidsincident
advocaat: mr. W.M. Sturms,
tegen
KUEHNE + NAGEL N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het bevoegdheidsincident,
advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman.
Partijen worden hierna PCO en K+N genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2025, met producties 1 tot en met 20;- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met productie 1;
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met producties 21 tot en met 26;- de oproepingsbrief van 12 november 2025 van de rechtbank op grond waarvan partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling in het bevoegdheidsincident; - het op 6 februari 2026 ingekomen productieoverzicht van K+N met producties 2 tot en met 4;
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026 in het incident, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van PCO en K+N, die zij tijdens de mondelinge behandeling hebben overgelegd en hebben voorgedragen.
1.2.
De zaak is na sluiting van de zitting naar de rol van 8 april 2026 verwezen voor vonnis.
1.3.
Partijen hebben de rechtbank op 31 maart 2026 gezamenlijk bericht dat zij een procesafspraak hebben gemaakt om over en weer een nadere akte te nemen vanuit hun behoefte hun standpunten kort nader toe te lichten. De zaak is daartoe naar de rol van 6 mei 2026 verwezen.
1.4.
Partijen hebben op 6 mei 2026 over en weer een nadere akte ingediend. PCO heeft geen nadere producties overgelegd. K+N heeft producties 5 en 6 overgelegd. Partijen hebben hun respectievelijke akten voorafgaand aan de rolzitting van 6 mei 2026 onderling uitgewisseld, en in hun eigen akte reeds op de inhoud van de akte en eventuele producties van de wederpartij te reageren. Dat betekent dat PCO ook schriftelijk heeft kunnen reageren op de nadere producties van K+N.
1.5.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
PCO vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, K+N te veroordelen tot betaling aan PCO van:
schadevergoeding groot € 67.825,06 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van opeisbaarheid dan wel vanaf 1 december 2024 dan wel veertien dagen na het te wijzen vonnis;
de buitengerechtelijke incassokosten groot € 245,- exclusief btw;
de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na het vonnis.
2.2.
PCO legt aan haar vorderingen – kort samengevat – het volgende ten grondslag. K+N heeft in 2024 in opdracht van PCO eetbare waren vervoerd van de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland. Door verschillende fouten van K+N in de uitvoering van drie opdrachten heeft PCO schade opgelopen. PCO stelt dat K+N toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens PCO en dat zij verplicht is de schade te vergoeden die PCO hierdoor heeft geleden.
2.3.
K+N heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd.
3Het geschil in het bevoegdheidsincident
3.1.
K+N vordert dat de rechtbank bij incidenteel vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. zich onbevoegd verklaart van de vorderingen van PCO kennis te nemen;
II. PCO veroordeelt in de kosten van de procedure, te betalen binnen veertien dagen na de vonnisdatum en bij gebrek aan betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag.
3.2.
PCO concludeert tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van K+N in de kosten van het incident.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
K+N heeft opdracht gekregen om importzendingen voor PCO te verzorgen. Het gaat in deze zaak om:
ordernummer [nummer 1] (een groupagecontainer gelost in Antwerpen en doorvervoerd naar Rotterdam, waarvan PCO aan K+N verwijt dat K+N heeft verzuimt voor keuring door de NWA of haar Belgisch equivalent te zorgen, als gevolg waarvan de lading moest worden vernietigd),
ordernummer [nummer 2] (PCO verwijt K+N dat zij deze order te laat in behandeling heeft genomen en verkeerd heeft geadviseerd over het gezondheidscertificaat, als gevolg waarvan PCO demurragekosten en hogere koerierskosten moest betalen),
ordernummers [nummer 3] en [nummer 4] (PCO verwijt K+N dat zij te laat en verkeerd heeft geadviseerd over het gezondheidscertificaat, waardoor PCO demurragekosten moest betalen).
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat K+N tijdig de Nederlandse Expeditievoorwaarden, in de versie van 1 mei 2018, van toepassing heeft verklaard op de hier bedoelde opdrachten. Deze toepasselijkverklaring blijkt uit de offerte gedateerd op 23 augustus 2023 van K+N aan PCO die voor zover relevant luidt:
“Van toepassing zijn de “Nederlandse Expeditievoorwaarden” gedeponeerd door de FENEX ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, laatste versie. De voorwaarden kunnen kosteloos worden toegestuurd en kunnen te allen tijde tevens worden nagelezen op: [website 1] (NL) of [website 2] (ENG).”
4.3.
Partijen zijn het er ook over eens dat PCO de offerte op 30 augustus 2023 per e-mail heeft aanvaard. Dit betekent dat de overeenkomst langs elektronische weg is tot stand gekomen en dat de Nederlandse Expeditievoorwaarden in beginsel deel zijn gaan uitmaken van die hoofdovereenkomst en de daaruit voortvloeiende opdrachten, waaronder de drie onderhavige opdrachten.
4.4.
Artikel 23 Nederlandse Expeditievoorwaarden houdt voor zover relevant in dat drie arbiters conform het FENEX-arbitragereglement over geschillen zullen beslissen, met uitsluiting van de gewone rechter.
K+N beroept zich op dit beding en vordert dat de rechtbank zich overeenkomstig artikel 1022 Rv onbevoegd verklaart om over de vordering van PCO te oordelen.
4.5.
Artikel 1022 Rv luidt:
“De rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, verklaart zich onbevoegd, indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.”
4.6.
Uit deze bepaling volgt dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren tenzij de overeenkomst tot arbitrage ongeldig is. PCO had aanvankelijk een beroep op vernietigbaarheid van de voorwaarden gedaan op de grond dat deze niet conform artikel 6:234 BW ter hand zouden zijn gesteld. Dit standpunt heeft zij in haar laatste akte verlaten. In die akte heeft zij ook aangegeven dat zij niet (langer) betoogt dat het arbitraal beding vernietigbaar is vanwege een als onredelijk bezwarend aan te merken inhoud daarvan. PCO doet slechts nog een beroep op buitentoepassinglating van het arbitraal beding op grond van de effecten daarvan in dit concrete geval. Dit beroep kan in deze procedure om de hierna volgende redenen niet slagen.
4.7.
De onderhavige procedure speelt tussen twee Nederlandse (en professionele) partijen. De rechtbank ziet in een dergelijke zaak geen reden om het begrip ‘ongeldigheid van de overeenkomst’ zo ruim uit te leggen dat daaronder ook valt het eventueel buiten toepassing laten van het arbitraal beding op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Een buitentoepassinglating maakt niet dat de arbitrageafspraak ongeldig is, maar is het resultaat van een inhoudelijk oordeel over de redelijkheid en billijkheid van de gevolgen die partijen zullen ondervinden van toepassing van de arbitrageafspraak. Die toets is in dit geval aan arbiters voorbehouden.
Daarbij komt dat het PCO, naar de rechtbank uit haar laatste akte begrijpt, niet zozeer gaat om de vraag of geldig arbitrage is overeengekomen, maar vooral om de vraag of in de arbitrage zal blijken dat deze niet tijdig aanhangig is gemaakt. PCO vreest, en blijkens de reactie van K+N niet ten onrechte, dat K+N een beroep zal willen doen op een mogelijk reeds verstreken vervaltermijn in de Nederlandse Expeditievoorwaarden. PCO wil kunnen betogen dat een dergelijk beroep gelet op de gedragingen van K+N en haar verzekeraar in de aanloop naar het onderhavige geschil naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. PCO licht niet toe waarom zij dit debat niet voor arbiters zou kunnen voeren. De rechtbank ziet bij gebreke van een dergelijke toelichting niet in waarom geen arbitrage zou kunnen worden gestart waarin PCO een vordering instelt, K+N zich daartegen desgewenst verweert en bedingen in de algemene voorwaarden inroept en PCO daar dan desgewenst tegenin brengt dat en waarom deze buiten toepassing zouden moeten blijven. Het al dan niet tijdig aanhangig maken van een arbitrageprocedure behoort naar het oordeel van de rechtbank geen factor te zijn waarvan de bevoegdheid van de overheidsrechter of die van arbiter(s) afhangt.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren.
4.9.
PCO wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident veroordeeld. De rechtbank begroot deze kosten op in totaal € 1.959,00 aan salaris voor de advocaat (3,0 punten gewaardeerd op tarief II à € 653,00. De rechtbank kent deze punten toe voor de conclusie van antwoord in het incident, de mondelinge behandeling in het incident en de nadere akte in het incident).
4.10.
Daarnaast wordt PCO veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak, nu zij onterecht de zaak bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt. Die kosten aan de zijde van K+N worden begroot op € 2.995,00 aan griffierecht.
4.11.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing in het incident en de hoofdzaak
De rechtbank
5.1.
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van PCO kennis te nemen;
5.2.
veroordeelt PCO in de proceskosten, die aan de kant van K+N worden begroot op € 1.959,00 in het incident en op € 2.995,00 in de hoofdzaak, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 indien zij niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en dit vonnis moet worden betekend;
5.3.
veroordeelt PCO in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Laan en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.3266/1885