Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9391

2026-07-29 Civiel recht C/10/715689 HA ZA 26-194
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/715689 HA ZA 26-194
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vonnis in incident strekkende tot verwijzing ex artikel 220 Rv van de dagvaardingsprocedure naar een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter. Incidentele vordering tot verwijzing wordt toegewezen. Aangezien de beslissing op het verzoekschrift evident mede van belang is voor de beoordeling van de vorderingen in de dagvaardingsprocedure, is het wenselijk dat de zaken door dezelfde rechter worden behandeld. Verwijzing is gelet op het stadium waarin de verzoekschriftprocedure zich bevindt niet ondoelmatig.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.230 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven



zaaknummer / rolnummer: C/10/715689 / HA ZA 26-194




Vonnis in incident van 29 juli 2026




in de zaak van



1 [persoon A] ,
2 2. [persoon B] ,

beiden wonend te [woonplaats] ( [land] ),
eisers in het verzet,
eisers in het incident,
advocaat: mr. J.H. Bargeman te Rotterdam,



tegen



de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS [wooncomplex],
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde in het verzet,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. J.P.H. Willems te Arnhem.




Partijen worden hierna genoemd [persoon A] en [persoon B] en de VvE.






1De procedure


1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- het door deze rechtbank op 24 december 2025 tussen de VvE en [persoon A] en [persoon B] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer C/10/709490 / HA ZA 25-974 (hierna: het verstekvonnis) en de daarin vermelde processtukken;
- de verzetdagvaarding (aan te merken als de conclusie van antwoord), met producties 1 tot en met 5;
- de incidentele conclusie tot verwijzing ex artikel 220 Rv, met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord in het incident.



1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.





2Het geschil in de hoofdzaak


2.1.

In de inleidende dagvaarding vordert de VvE bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [persoon A] en [persoon B] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na het vonnis volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan een geluidsonderzoek naar de vermeende overlast bij het appartement aan het adres [adres] te [postcode] [plaats] ;



II. [persoon A] en [persoon B] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag, een dagdeel daaronder uitdrukkelijk begrepen, dat zij niet aan de vordering onder I voldoen, met een maximum van € 50.000,--, althans een in goede justitie te bepalen maximumbedrag;



III. [persoon A] en [persoon B] in het geval dat de onder II bedoelde maximale dwangsom is verbeurd, te veroordelen om het appartement tijdelijk en gedeeltelijk te ontruimen, als dat nodig is voor het geluidsonderzoek;



IV. in het geval dat uit het geluidsonderzoek volgt dat de overlast wordt veroorzaakt omdat niet wordt voldaan aan de normen uit de akte van splitsing, [persoon A] en [persoon B] hoofdelijk te veroordelen binnen zes weken nadat de resultaten van het geluidsonderzoek zijn opgemaakt maatregelen te treffen om een en ander alsnog in overeenstemming met die normen te brengen;



V. [persoon A] en [persoon B] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag, een dagdeel daaronder uitdrukkelijk begrepen, dat zij niet aan de vordering onder IV voldoen, met een maximum van € 50.000,--, althans een in goede justitie te bepalen maximumbedrag;



VI. [persoon A] en [persoon B] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de boete van € 41.200,-- zoals door de VvE opgelegd op 14 september 2023;



VII. [persoon A] en [persoon B] te veroordelen in de kosten van deze procedure.




2.2.
De VvE heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij klachten van geluidsoverlast met betrekking tot het appartement van [persoon A] en [persoon B] aan de [adres] te [postcode] [plaats] heeft ontvangen. De VvE heeft [persoon A] en [persoon B] meermaals verzocht om medewerking te verlenen aan de uitvoering van een geluidsonderzoek. De VvE heeft geen reactie van [persoon A] en [persoon B] ontvangen en is vervolgens de procedure tegen [persoon A] en [persoon B] gestart.



2.3.
Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van de VvE toegewezen, met maximering van de dwangsommen op € 30.000,--. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



2.4.

[persoon A] en [persoon B] zijn in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Zij vorderen in verzet om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. het verstekvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de VvE niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen af te wijzen;



II. de VvE te veroordelen in de kosten van de procedure.




2.5.

[persoon A] en [persoon B] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van de VvE. [persoon A] en [persoon B] betogen – kort samengevat – dat de betekening van de inleidende dagvaarding van de VvE aan [persoon A] en [persoon B] nietig is, dat zij bereid zijn om hun medewerking te verlenen aan het geluidsonderzoek zodat de VvE geen belang heeft bij de gevorderde medewerking en dat de grondslag voor de gevorderde boete van € 41.200,-- ontbreekt.






3Het geschil in het incident


3.1.

[persoon A] en [persoon B] vorderen in het incident, verkort weergegeven, dat de rechtbank de procedure op de voet van artikel 220 Rv verwijst naar de kantonrechter van deze rechtbank voor de gelijktijdige behandeling met de verzoekschriftprocedure die [persoon A] en [persoon B] bij verzoekschrift van 20 februari 2026 zijn gestart en bekend is onder het nummer [nummer] . Daarnaast vragen [persoon A] en [persoon B] om de proceskosten in het incident te compenseren.



3.2.

[persoon A] en [persoon B] stellen dat sprake is van zodanige verknochtheid en samenhang van de zaken dat zij het gezamenlijk behandelen daarvan nodig vinden. In de verzoekschriftprocedure verzoeken [persoon A] en [persoon B] namelijk om nietigverklaring dan wel vernietiging van het bestuursbesluit van de VvE waarbij de boete van € 41.200,-- is vastgesteld. [persoon A] en [persoon B] vinden dat het vanuit het oogpunt van proceseconomie is aangewezen dat de procedure wordt verwezen naar de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter.



3.3.
De VvE concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [persoon A] en [persoon B] in de kosten van het incident. De VvE voert aan dat artikel 220 Rv niet voorziet in de mogelijkheid om een dagvaardingsprocedure te verwijzen naar een verzoekschriftprocedure, omdat het wetsartikel is geplaatst in de titel met betrekking tot dagvaardingsprocedures in eerste aanleg. Daarnaast betoogt de VvE dat een verwijzing ondoelmatig is, aangezien in de verzoekschriftprocedure ook alle appartementseigenaars dienen te worden opgeroepen als belanghebbende en zij bij toewijzing van de gevorderde verwijzing een complicatie krijgen opgedrongen zonder daarover te worden gehoord.



3.4.
De stellingen van partijen, voor zover van belang, worden hierna verder besproken.






4De beoordeling in het incident



de rechtbank is bevoegd




4.1.
De VvE is gevestigd in Nederland en [persoon A] en [persoon B] wonen in [woonplaats] ( [land] ). Hierdoor heeft het geschil een internationaal karakter. De rechtbank stelt vast dat [persoon A] en [persoon B] in deze procedure zijn verschenen, zonder zich te beroepen op gebrek aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter of onbevoegdheid van deze rechtbank, zodat dit als een stilzwijgende aanvaarding van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter geldt als bedoeld in artikel 26 Brussel I-bis Vo. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat een ander gerecht op grond van artikel 24 Brussel I-bis Vo bij uitsluiting bevoegd is. De rechtbank is dan ook op grond van artikel 26 Brussel I-bis Vo bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.



de rechtbank zal de gevorderde verwijzing toewijzen





4.2.
Artikel 220 lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat ingeval de zaak verknocht is aan een zaak die al bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter kan worden gevorderd. Verwijzing is ook mogelijk indien één van de zaken bij de kantonrechter in behandeling is en de andere zaak niet.



4.3.
Het doel van verwijzing is dat tegenstrijdige beslissingen worden voorkomen. Zowel uit een oogpunt van proceseconomie als ter voorkoming van eventuele tegenstrijdige beslissingen acht de rechtbank gezamenlijke behandeling en berechting van beide zaken aangewezen. In de hoofdzaak ligt ter beoordeling voor of [persoon A] en [persoon B] een boete van € 41.200,-- aan de VvE moeten betalen. [persoon A] en [persoon B] verzoeken in de verzoekschriftprocedure vernietiging van het besluit van de VvE waarbij die boete is vastgesteld. Het is evident dat de beslissing op het verzoekschrift mede van belang is voor de beoordeling van het geschil in de hoofdzaak. Daarom is het wenselijk dat deze zaken door dezelfde rechter worden behandeld.



4.4.
Dat alle appartementseigenaars in de verzoekschriftprocedure als belanghebbenden moeten worden opgeroepen maakt, anders dan de VvE heeft betoogd, niet dat de gevorderde verwijzing ondoelmatig is. Bij de beoordeling van de (on)doelmatigheid speelt het stadium waarin de andere zaak (hier: de verzoekschriftprocedure) zich bevindt een doorslaggevende rol. Het is de rechtbank gebleken dat in de verzoekschriftprocedure (net als in de hoofdzaak) nog geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De mondelinge behandeling in beide met elkaar samenhangende zaken kan na verwijzing gelijktijdig plaatsvinden. Er bestaat bij deze stand van zaken geen aanleiding om de verwijzing ondoelmatig te oordelen.



4.5.
Gelet hierop zal de rechtbank de incidentele vordering tot verwijzing toewijzen. De zaak zal in de stand waarin deze zich bevindt worden verwezen naar de kantonrechter.



de proceskosten worden gecompenseerd





4.6.
Aangezien [persoon A] en [persoon B] om compensatie van de proceskosten hebben verzocht, zal de rechtbank de kosten van het incident tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.









5De beslissing


De rechtbank




in het incident




5.1.
wijst de incidentele vordering tot verwijzing toe;



5.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



in de hoofdzaak





5.3.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam, op donderdag 13 augustus 2026 om 10:00 uur;



5.4.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen hoe de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;



5.5.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer hoeven te worden vertegenwoordigd door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;



5.6.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht op grond van artikel 8 lid 4 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.










Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
4084 / 3266 / 2459
















































Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking