Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9383

2026-07-30 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12247533 VV EXPL 26-309
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12247533 VV EXPL 26-309
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woning toegewezen, omdat de huurder (gedaagde) ernstige overlast veroorzaakt en de woning illegaal onderverhuurt. De huurachterstand wordt afgewezen, omdat hiervoor een betalingsregeling loopt en een bodemprocedure aanhangig is.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.669 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12247533 VV EXPL 26-309



datum uitspraak: 30 juli 2026




Vonnis in kort geding van de kantonrechter




in de zaak van




Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. R.H. Ruysendaal,



tegen





1 [bewindvoerder gedaagde sub 1] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde sub 1] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde sub 1,
gemachtigde: mr. J. Pearson,




2. Hen die verblijven en/of aanwezig zijn in de woning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats],
gedaagden sub 2,
die niet in de procedure zijn verschenen.



Partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd. [gedaagde sub 1] wordt hierna ‘ [gedaagde sub 1] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 17 juni 2026, met bijlagen;


de akte overlegging nadere producties van Woonstad van 13 juli 2026;


de spreekaantekeningen van de gemachtigde van de bewindvoerder.





1.2.
Op 16 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:



[vertegenwoordiger] namens Woonstad;


De gemachtigde van Woonstad;


De gemachtigde van de bewindvoerder;



[gedaagde sub 1] .





1.3.
Gedaagden sub 2 zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.





2Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde sub 1] , die sinds 27 augustus 2022 onder bewind staat, huurt vanaf 10 januari 2019 van Woonstad de woning aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Volgens Woonstad heeft [gedaagde sub 1] niet zijn hoofdverblijf in de woning, is er sprake van illegale onderverhuur en veroorzaakt hij ernstige overlast. Woonstad vordert daarom in dit kort geding dat de woning wordt ontruimd. Ook vordert zij betaling van de huurachterstand van € 1.743,33 en betaling van de lopende huur tot aan de ontruiming. De bewindvoerder is het niet eens met de vordering.





3De beoordeling

3.1.
De kantonrechter oordeelt dat de woning moet worden ontruimd, maar wijst de gevorderde huurachterstand af. Hierna wordt uitgelegd waarom.



Het beoordelingskader




3.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Woonstad heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde sub 1] en de bewindvoerder als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.



3.3.

Volgens de bewindvoerder ontbreekt het spoedeisend belang omdat Woonstad ook al een bodemprocedure is gestart. De kantonrechter is echter van oordeel dat het spoedeisend belang van Woonstad bij de gevorderde ontruiming in voldoende mate is gegeven. Dat Woonstad eerder dit jaar reeds een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt, maakt dat niet anders. Daarbij wordt betrokken hetgeen hieronder in 3.4 wordt overwogen.
Aangenomen wordt daarom dat Woonstad de uitkomst van de bodemprocedure, die redelijkerwijs nog enige tijd in beslag zal nemen, niet kan afwachten.




Overlast en onderhuur




3.4.
Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat er vanuit de woning gedurende langere tijd ernstige en structurele overlast wordt veroorzaakt. [gedaagde sub 1] heeft ter zitting erkend dat er sprake was van hinder vanuit de woning, dat hij kampt met verslavingsproblematiek en dat hij mensen in huis heeft genomen die vervolgens buiten de woning gebruiken. Op grond van artikel 7:219 Burgerlijk Wetboek (BW) is een huurder echter aansprakelijk voor de gedragingen van degenen die zich met zijn goedvinden in de woning bevinden. Het verweer van [gedaagde sub 1] dat niet híj, maar zijn bezoekers en (voormalige) medebewoners de overlast veroorzaken, treft dan ook geen doel. [gedaagde sub 1] heeft kennelijk onvoldoende controle over de woning waardoor een onhoudbare situatie is ontstaan voor omwonenden. Zij ervaren regelmatig overlast door geschreeuw, ruzies, nachtelijk lawaai waaronder harde muziek en bonken op de buitendeur en de komst van drugsgebruikers. Uit de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting is verder genoegzaam gebleken dat de overlastmeldingen na het uitbrengen van de dagvaarding in de bodemprocedure structureel zijn voortgezet en in ernst zijn toegenomen (waaronder signalen van drugscriminaliteit en gevoelens van onveiligheid bij direct omwonenden). Woonstad heeft een plicht om op te treden ter waarborging van het ongestoord woongenot van omwonenden. Voldoende perspectief op beëindiging van die overlast ontbreekt.


3.5.
Ten aanzien van de onderverhuur heeft [gedaagde sub 1] ter zitting toegelicht dat dit incidenteel was. Uit de overgelegde stukken, waaronder het rapport van Buro Veerkracht en het huisbezoek waarbij een onderhuurder met een schriftelijke huurovereenkomst werd aangetroffen, volgt echter het tegendeel, namelijk dat er sprake is van substantiële en illegale (onder)verhuur c.q. ingebruikgeving van de woning aan derden.


3.6.
Gelet op hetgeen in r.o. 3.4 en 3.5. is overwogen kan hier onbesproken blijven of [gedaagde sub 1] zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft.



Ontruiming en belangenafweging




3.7.
Voorshands wordt aangenomen dat [gedaagde sub 1] op twee wezenlijke punten ernstig tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Ieder van deze tekortkomingen vormt op zichzelf al grond voor ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure. Hoewel de kantonrechter oog heeft voor de kwetsbare positie van [gedaagde sub 1] en de nadelige gevolgen van een ontruiming voor zijn leven weegt het belang van Woonstad en de omwonenden bij onmiddellijk herstel van de rust en veiligheid in de woonomgeving zwaarder. Eerdere sommaties om de overlast te doen stoppen hebben geen effect gehad.



3.8.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal ontbinden. Vooruitlopend daarop moet de woning worden ontruimd. De ontruimingstermijn wordt bepaald op vijf dagen nadat het vonnis is betekend. Vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag van de ontruiming moet de bewindvoerder de lopende huur van € 646,97 per maand (blijven) betalen.



Huurachterstand




3.9.
Woonstad vordert ook betaling van de huurachterstand van € 1.743,33. Bij een geldvordering in kort geding is terughoudendheid geboden. Niet in geschil is dat partijen voor deze achterstand een betalingsregeling van € 50,- per maand hebben afgesproken en dat de bewindvoerder deze nakomt. Nu voorts over de huurachterstand reeds de bodemprocedure aanhangig is, ontbreekt bij Woonstad het voor deze vordering vereiste spoedeisend belang. Deze vordering wordt dan ook afgewezen. De lopende huur tot aan de ontruiming is, als onweersproken, wel toewijsbaar.



Proceskosten

3.10.De bewindvoerder en gedaagden sub 2 worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die zij aan Woonstad moeten betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Het griffierecht wordt vastgesteld op € 139,-, omdat het meerdere wordt aangemerkt als nodeloos gemaakte kosten en die komen daarom voor rekening van Woonstad. Woonstad heeft namelijk in de dagvaarding betaling van de huurachterstand gevorderd, terwijl zij had kunnen en moeten weten dat deze vordering afgewezen zou worden, omdat voor de huurachterstand een betalingsregeling loopt die wordt nagekomen en het spoedeisend belang hiervoor ontbreekt gelet op de lopende bodemprocedure (artikel 237 lid 1 Rv). Het had dan ook Woonstad van te voren duidelijk moeten zijn dat zij haar vordering te hoog heeft ingezet. De proceskosten worden in totaal vastgesteld op € 1.013,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.




Uitvoerbaar bij voorraad




3.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist en de bewindvoerder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





4De beslissing
De kantonrechter:


4.1.
veroordeelt de bewindvoerder en gedaagden sub 2 om binnen vijf dagen nadat dit vonnis is betekend de woning aan [adres] in [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hen bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;



4.2.
veroordeelt de bewindvoerder te betalen € 646,97 per maand met ingang van 1 juni 2026 tot en met de dag van ontruiming met de verhoging die is toegestaan;



4.3.
veroordeelt de bewindvoerder en gedaagden sub 2 hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.013,02;



4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



4.5.
wijst af het anders of meer gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
53954