Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9382
Inhoudsindicatie
Vonnis in incident van tussenkomst. Het uitgangspunt is dat een partij kan tussenkomen als zij (1) een eigen eis wil instellen tegen (één van) de procederende partijen en (2) daarmee voldoende belang heeft om zich te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in het hoofdgeding kan ondervinden. Voor tussenkomst is niet vereist dat eiser in incident een zelfstandige eis instelt tegen alle procespartijen. Eiser in incident heeft ook voldoende belang (2) bij de geëiste tussenkomst. Haar eis tegen eiser in de hoofdzaak is namelijk gebaseerd op dezelfde overlast die ook aan de vorderingen in de hoofdzaak ten grondslag ligt. De uitkomst van de hoofdzaak kan daarom van invloed zijn op de rechtspositie van eiser in incident.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:768 Hoge Raad 28-03-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.262 tekens)
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12183088 CV EXPL 126-9647
datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis in het incident tot tussenkomst
in de zaak van
[verhuurder] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
gemachtigde: mr A.A.S. Wiesmeier-van der Brugge,
tegen
[persoon A] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident,
gemachtigde: mr. M. El Idrissi,
en in welke zaak primair wil tussenkomen, subsidiair zich wil voegen
[persoon B]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres in het incident,
gemachtigde: mr. K. Renssen.
De partijen worden hierna ‘ [verhuurder] ’, ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
1De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 27 maart 2026 almede een herstelexploot van 8 april 2026, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de incidentele conclusie tot tussenkomst althans voeging van [persoon B] ;
het antwoord van [verhuurder] in het incident;
het antwoord van [persoon A] in het incident.
2Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
[verhuurder] eist in de hoofdzaak samengevat:
de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [persoon A] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen,
[persoon A] te veroordelen aan haar te betalen € 576,86 per maand tot aan de ontruiming,
[persoon A] te veroordelen in de proceskosten met rente, en
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
[verhuurder] baseert de eis op het standpunt dat [persoon A] structureel ernstige overlast veroorzaakt in en rondom de woning.
2.3.
[persoon A] is het niet eens met de eis. Hij vindt dat hij geen overlast veroorzaakt en zeker niet zo erg dat de huurovereenkomst moet worden ontbonden.
3Het geschil in het incident
3.1.
[persoon B] eist primair dat zij mag tussenkomen en subsidiair dat zij zich aan de zijde van [verhuurder] mag voegen.
3.2.
Dat heeft zij, kort samengevat, als volgt toegelicht. [persoon B] is ook een huurder van [verhuurder] en ervaart overlast van [persoon A] . Zij wil in de hoofdzaak een vordering tot huurprijsvermindering tegen [verhuurder] instellen, omdat [verhuurder] onvoldoende heeft opgetreden tegen de overlast en tegen een andere huurder die een deel van het door haar gehuurde in gebruik heeft genomen. Zij heeft er belang bij te mogen tussenkomen, omdat een afwijzing van de vordering van [verhuurder] tegen [persoon A] haar recht op huurprijsvermindering negatief kan beïnvloeden.
3.3.
Subsidiair wil [persoon B] zich voegen aan de zijde van [verhuurder] , omdat zij wil dat de structurele overlast eindigt en zij een actieve bijdrage kan leveren aan toewijzing van de vordering van [verhuurder] .
3.4.
[persoon A] stelt dat [persoon B] geen zelfstandige vordering op hem heeft en daarom niet-ontvankelijk is voor wat betreft de vordering tot tussenkomst. Bij haar subsidiaire eis in het incident heeft [persoon B] volgens [persoon A] onvoldoende belang. Dat de uitkomst van de hoofdzaak mogelijk van belang is voor een recht van [persoon B] op huurprijsvermindering, is daarvoor volgens hem niet voldoende. Toewijzing van de incidentele eis(en) van [persoon B] zou bovendien tot onnodige en onredelijke vertraging van de zaak zorgen.
3.5.
[verhuurder] refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.
4De beoordeling
in het incident
4.1.
Aan de orde is nu (alleen) de vraag of [persoon B] mag tussenkomen (primair) of zich aan de zijde van [verhuurder] mag voegen (subsidiair).
4.2.
Het uitgangspunt is dat een partij kan tussenkomen als zij (1) een eigen eis wil instellen tegen (één van) de procederende partijen en (2) daarmee voldoende belang heeft om zich te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in het hoofdgeding kan ondervinden. Voor tussenkomst is niet vereist dat [persoon B] een zelfstandige eis instelt tegen alle procespartijen.
4.3.
Uit de toelichting van [persoon B] blijkt dat zij een eigen eis wil instellen tegen een van de procespartijen, namelijk tegen [verhuurder] . Daarmee is aan het eerste vereiste voldaan.
4.4.
[persoon B] heeft ook voldoende belang (2) bij de geëiste tussenkomst. Haar eis tegen [verhuurder] is namelijk gebaseerd op dezelfde overlast die ook aan de vorderingen in de hoofdzaak ten grondslag ligt. De uitkomst van de hoofdzaak kan daarom van invloed zijn op de rechtspositie van [persoon B] . Door haar eis in deze procedure aanhangig te maken, kan worden voorkomen dat over dezelfde feitelijke grondslag in afzonderlijke procedures moet worden geoordeeld.
4.5.
De kantonrechter ziet verder niet in waarom toewijzing van de incidentele eis zou leiden tot onredelijke vertraging of anderszins in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Het verweer van [persoon A] wordt dus verworpen.
4.6.
[verhuurder] heeft zich aan het oordeel van de kantonrechter gerefereerd.
4.7.
Het voorgaande betekent dat [persoon B] wordt toegestaan om in de hoofdzaak tussen te komen. Aan beoordeling van haar subsidiaire eis komt de kantonrechter dus niet toe.
4.8.
De kantonrechter ziet geen aanleiding een van partijen te veroordelen in de kosten van het incident. De proceskosten in het incident worden dan ook gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten in het incident moet betalen.
Het vervolg in de hoofdzaak
4.9.
De zaak wordt nu naar de rol verwezen zodat [persoon B] een conclusie kan nemen waarin zij haar eis formuleert en onderbouwt.
4.10.
Daarna volgt in beginsel een mondelinge behandeling. [verhuurder] , [persoon A] en [persoon B] kunnen op de rolzitting meteen opgaaf doen van hun verhinderdata voor de maanden september 2026 tot en met maart 2027.
5De beslissing
De kantonrechter:
in het incident
5.1.
staat [persoon B] toe om in de hoofdzaak tussen te komen;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat [persoon B] op de rolzitting van donderdag 13 augustus 2026 om 11:30 uur een conclusie mag nemen als bedoeld onder 4.9;
5.4.
bepaalt dat de partijen uiterlijk op donderdag 13 augustus 2026 moeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden september 2026 tot en met maart 2027 zij echt niet naar een zitting kunnen komen en hun e-mailadres moeten opgeven;
5.5.
wijst erop dat die conclusie in drievoud moet worden ingediend;
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
62574
Artikel 217 Rv en ECLI:NL:HR:2014:768, overweging 4.1.2.