Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9358

2026-07-02 Civiel recht C/10/720148 / KG ZA 26-493
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/10/720148 / KG ZA 26-493
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Machtiging te gelde maken woning. Verstek. Afwijzing. Onvoldoende spoedeisend belang en gegrondheid en rechtmatigheid van de vorderingen is onvoldoende aannemelijk.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.239 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/720148 / KG ZA 26-493




Vonnis in kort geding van 2 juli 2026




in de zaak van





[eiseres]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. D. Abotay,



tegen





[gedaagde]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
niet verschenen.






1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 27 mei 2026, met producties 1 tot en met 5;


het afschrift van de publicatie van de oproeping in de Staatscourant van 2 juni 2026;


de mondelinge behandeling op 18 juni 2026.








2De vordering

2.1.
De vrouw vordert, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:



I.
eiseres te machtigen om met uitsluiting van gedaagde, al datgene te doen en te
verrichten wat noodzakelijk is voor de verkoop en levering van de woning staande en gelegen aan [adres] te [plaats 1] , waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot:

a. het verstrekken en ondertekenen van een verkoopopdracht aan een makelaar;
b. het voeren van onderhandelingen met kandidaat-kopers;
c. het accepteren van een bod en het sluiten en ondertekenen van een koopovereenkomst;
d. het ondertekenen van alle voor verkoop en levering noodzakelijke stukken;
e. het geven van instructies aan de notaris;
f. het meewerken aan het transport van de woning;
g. het ondertekenen van de notariële akte van levering;
h. het verrichten van alle overige feitelijke en rechtshandelingen die noodzakelijk zijn om de

verkoop en levering van de woning tot stand te brengen;


II.

te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis, op de voet van artikel 3:300 lid 1 en lid 2 BW, in
de plaats treedt van de voor de verkoop en levering van de woning vereiste toestemming,
medewerking, handtekening en/of wilsverklaring van gedaagde, voor zover gedaagde deze
toestemming, medewerking, handtekening en/of wilsverklaring niet verleent;

III.

te bepalen dat eiseres bevoegd is om namens gedaagde de koopovereenkomst en alle overige voor de verkoop en levering noodzakelijke stukken te ondertekenen, waaronder begrepen de notariële akte van levering, alsmede alle documenten die verband houden met de aflossing en doorhaling van de op de woning rustende hypothecaire geldlening;

IV.

te bepalen dat de woning mag worden verkocht aan de in het lichaam van deze dagvaarding
bedoelde koper, althans aan een derde, tegen een marktconforme koopprijs, althans tegen een door de makelaar redelijk te achten koopprijs, een en ander onder de gebruikelijke
voorwaarden voor verkoop van een woning;

V.

te bepalen dat de notaris die met de levering van de woning wordt belast, na voldoening uit de verkoopopbrengst van de hypothecaire geldlening, makelaarskosten, notariskosten en overige aan de verkoop en levering verbonden kosten, uitsluitend het eventuele aandeel van gedaagde in de netto-verkoopopbrengst in depot zal houden, zulks onder aftrek van, althans rekening houdend met, de door eiseres betaalde eigenaarslasten, hypotheeklasten, gebruikerslasten en overige aan de woning verbonden lasten die in de onderlinge verhouding tussen partijen mede voor rekening van gedaagde komen, totdat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de verdeling en verrekening daarvan, dan wel daarover in rechte onherroepelijk is beslist;

VI.

te bepalen dat het eventuele aandeel van eiseres in de netto-verkoopopbrengst, voor zover dit niet aan gedaagde toekomt en voor zover dit niet in verband met de hiervoor bedoelde
verrekening in depot hoeft te blijven, door de notaris aan eiseres mag worden uitgekeerd;

VII.

althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist en geraden acht.







3De beoordeling

Verstekverlening



3.1.

De vrouw heeft een uittreksel uit het BRP in het geding gebracht waaruit blijkt dat in het BRP geen woonadres van de man staat geregistreerd. De voorzieningenrechter heeft ambtshalve geconstateerd dat in het door de vrouw in het geding gebrachte [taal] echtscheidingsvonnis van [datum] een adres van de man in [plaats 2] ( [land] ) staat vermeld. Namens de vrouw is ter zitting meegedeeld dat dit adres niet meer actueel is en het huidige adres van de man onbekend is voor de vrouw, en nergens uit blijkt dat het tegendeel het geval is.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de dagvaarding terecht aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij dit gerecht is betekend waarbij het uittreksel van het exploot bekend is gemaakt in de Staatscourant, één en ander zoals is bepaald in art. 54 lid 2 Rv. Tegen de man wordt daarom verstek verleend. Hij is immers goed opgeroepen en niet verschenen.




Onvoldoende spoedeisend belang





3.2.

Van een spoedeisend belang bij de door de vrouw gevorderde voorziening is de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken, gelet op het volgende. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw toegelicht dat het spoedeisend belang van de vrouw bij spoedige verkoop van de woning erin is gelegen dat de vrouw emotioneel belast is met nare herinneringen aan de woning waarin zij op dit moment verblijft met de kinderen van partijen. Van een financiële noodzaak tot spoedige verkoop is geen sprake. De vrouw is voornemens om samen met de kinderen van partijen bij haar ouders in te trekken na de levering van de woning. De voorzieningenrechter overweegt dat ook zonder verkoop van de woning er geen beletsel is voor de vrouw om met de kinderen bij haar ouders in te trekken. Voorts is de stelling niet onderbouwd, dat de door de vrouw beoogde koper de woning slechts wil afnemen indien de levering van de woning met spoed plaatsvindt. Dat blijkt ook nergens uit.


Gegrondheid en rechtmatigheid van de vorderingen is onvoldoende aannemelijk




3.3.

Daar komt bij dat de gegrondheid en rechtmatigheid van de vorderingen onvoldoende aannemelijk zijn, gelet op het volgende:- Uit de ter zitting overhandigde WOZ-beschikking volgt dat de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2024 € 237.000,00 betrof. Deze WOZ-waarde van toen zegt echter niet veel over de waarde van de woning in de vrije verkoop anno juli 2026. De waarde in de vrije verkoop is dikwijls hoger dan de WOZ-waarde, en er is bovendien een aanzienlijk tijdsverloop.
- De vrouw is onderling met een kennis (het betreft de beoogde koper) een verkoopprijs overeengekomen van € 240.000,00. Onderbouwing dat dit een reële verkoopprijs betreft is noodzakelijk gelet op het hiervoor overwogene omtrent de WOZ-waarde, maar ontbreekt. Een taxatie is nooit verricht. Volgens de stellingen van de vrouw heeft ook de man, als mede-eigenaar, belang bij een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst, zodat de voorzieningenrechter aan dit belang niet voorbij mag gaan.- Uit de [taal] echtscheidingsbeschikking volgt dat sprake zou zijn van een echtscheidingsconvenant, zodat partijen mogelijk in onderling overleg reeds over de toedeling van de woning hebben beslist. Dit valt echter niet na te gaan, want het echtscheidingsconvenant is niet in het geding gebracht.- Dat partijen de woning samen hebben aangeschaft, stelt de vrouw wel, maar blijkt evenmin uit enig verificatoir stuk.



3.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen.



Proceskosten





3.5.
De voorzieningenrechter ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten tussen ex-partners worden gecompenseerd. De proceskosten tussen partijen worden daarom gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






4De beslissing
De voorzieningenrechter


4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen man,



4.2.
wijst de vorderingen van de vrouw af,



4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.[3894/638]