Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9223
2026-07-06
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/720664 / KG ZA 26-527
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
kort geding. Nakoming omgangsregeling, vervangende toestemming hulpverlening minderjarigen, verbod om druk uit te oefenen, verbod om onaangekondigd bij de woning te verschijnen en inzage financiële gegevens
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.088 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Familierecht
Zaaknummer: C/10/720664 / KG ZA 26-527
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
[naam vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. B. Özates te Rotterdam,
tegen
[naam man]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.
Partijen worden hierna ook de vrouw en de man genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties, betekend op 12 juni 2026;
de producties zonder begeleidend schrijven van de vrouw van 17 juni 2026;
de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties van 18 juni 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Rijnmond (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
De voorzieningenrechter heeft partijen na afloop van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om afspraken te maken. Zij hebben daarvoor een termijn van zeven dagen gekregen. De man heeft bij bericht van 25 juni 2026 en de vrouw bij bericht van 30 juni 2026 laten weten dat partijen daarin niet zijn geslaagd. Hetgeen de vrouw nog meer heeft aangevoerd in haar bericht van 30 juni 2026 wordt door de voorzieningenrechter buiten beschouwing gelaten, nu partijen zich alleen mochten uitlaten over het al dan niet maken van onderlinge afspraken.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.
2.2.
Zij zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] , en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Partijen oefenen het gezag over de minderjarigen samen uit. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4.
In het ouderschapsplan van 26 mei 2022, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 19 juli 2022, is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 1. De kinderen
(…) 1.3. Partijen zijn met elkaar de volgende zorg/contactregeling overeengekomen:
Week-/weekendregeling:
De kinderen verblijven iedere week, van woensdagavond (na het eten) tot
vrijdagavond (na het eten) bij de vader.
Indien het werkrooster van de vader wijzigt, zodat hij op woensdag, donderdag of
vrijdag moet werken, zal de vader contact op nemen met de moeder, en zullen de
ouders de hiervoor genoemde week-/weekendregeling evalueren en indien gewenst in onderling overleg aanpassen. (…)”
Verder zijn in het ouderschapsplan de vakanties, feestdagen en overige bijzondere dagen verdeeld.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 augustus 2025 is het verzoek van de vrouw om wijziging van de zorgregeling afgewezen. In die beschikking is de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage verlaagd naar € 71,- per maand per kind.
3Het geschil in conventie en reconventie
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:
I. te bepalen dat de zorgregeling voorlopig wordt geschorst voor zover deze betrekking heeft op onbegeleid verblijf van [minderjarige 2] bij de man en te bepalen dat [minderjarige 2] voorlopig niet gehouden is tot onbegeleid contact met de man;
II. te bepalen dat eventueel contact tussen de man en [minderjarige 2] uitsluitend onder professionele begeleiding plaatsvindt, althans op een wijze en frequentie zoals de voorzieningenrechter passend acht;
III. de man te verbieden druk uit te oefenen op [minderjarige 2] of de vrouw om onbegeleid contact af te dwingen;
IV. de man te verbieden onaangekondigd bij de woning van de vrouw te verschijnen;
V. de man te veroordelen om binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de hulpverlening voor de minderjarigen bij Youz of een vergelijkbare instelling, waaronder individuele behandeling van [minderjarige 2] en gezinsgerichte begeleiding onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat de man in gebreke blijft om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen met een maximum van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
VI. de man te veroordelen om binnen twee dagen na het vonnis volledige inzage te verschaffen in zijn actuele financiële situatie door overlegging van alle relevante financiële bescheiden, waaronder de btw-aangiften over het jaar 2025 en het eerste kwartaal van 2026 en de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2024 en 2025, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat de man nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom.
3.2.
De man voert gemotiveerd verweer in conventie en vordert – zo begrijpt de voorzieningenrechter – in reconventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:
Primair
I. de vrouw per datum vonnis te veroordelen tot nakoming van de, krachtens artikel 1.3 van het op 26 mei 2022 ondertekende ouderschapsplan, rechtens geldende zorgregeling, zoals aangehecht aan de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2022;
II. de vrouw per datum vonnis te veroordelen, ter uitvoering van het onder I. gevorderde, de minderjarigen in het kader van de reguliere regeling bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen op de betreffende woensdagen (na het eten) alsmede de minderjarigen in het kader van de vakantie- en feestdagenregeling bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen bij aanvang van het deel van de betreffende vakanties en feestdagen dat de kinderen bij de man zullen doorbrengen;
Subsidiair
III. de vrouw per datum vonnis te veroordelen, voor de duur dat in een bodemprocedure zal zijn beslist, tot uitvoering van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] , uitgaande van minimaal wekelijkse contacten, zulks ter voorkoming van contactverlies;
IV. subsidiair, hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod en/of een spoedonderzoek door de raad te gelasten en/of een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW te benoemen;
En ook
V. het gevorderde onder sub I., II. en III. op straffe van een door de vrouw aan de man te verbeuren dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat de vrouw in gebreke mocht blijven om aan deze veroordeling te voldoen, een ingegane dag voor een gehele gerekend, en met een maximum van € 25.000,-.
Althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen nakoming van de zorgregeling door de vrouw, op straffe van verbeurte van dwangsommen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling in conventie en reconventie
4.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter per onderwerp bezien of deze samen behandeld kunnen worden.
Hulpverlening voor de minderjarigen
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen zich onlangs samen hebben gewend tot de praktijkondersteuner GGZ van de huisarts om hulpverlening te kunnen krijgen voor [minderjarige 2] . [minderjarige 2] is na een gesprek daar verwezen naar Youz. De man en de vrouw zijn het erover eens dat deze hulpverlening in het belang van [minderjarige 2] is en zij willen daar allebei aan meewerken. De vrouw heeft daarom haar vordering, om de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de hulp voor [minderjarige 2] bij Youz of een vergelijkbare instelling, ingetrokken.
4.3.
De vrouw heeft een vergelijkbare vordering ingebracht ten aanzien van [minderjarige 1] . De voorzieningenrechter wijst deze vordering bij gebrek aan (spoedeisend) belang af. Voor de voorzieningenrechter is, net als voor de man, onduidelijk gebleven welke hulpverlening [minderjarige 1] nodig heeft en om welke reden. De vrouw heeft haar stellingen daarover onvoldoende onderbouwd.
Zorgregeling
4.4.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningen-rechter is van oordeel dat dit het geval is, omdat er al een aantal maanden geen omgang meer is tussen de man en [minderjarige 2] . Gezien de samenhang zullen de vorderingen over de zorgregeling in conventie en in reconventie tezamen worden behandeld.
4.5.
Het uitgangspunt is dat een rechterlijke uitspraak over de omgang moet worden nagekomen. Hierop zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is wanneer na de uitspraak de omstandigheden zo zijn gewijzigd, dat volledige nakoming daarvan in strijd is met de belangen van de minderjarige. De tweede uitzondering is wanneer bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.6.
De voorzieningenrechter heeft gehoord en gelezen dat de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] sinds 25 februari 2026 niet meer wordt uitgevoerd. De vrouw beschuldigt de man ervan dat [minderjarige 2] op die dag fysiek zou zijn mishandeld, al dan niet door familie van de man. De man betwist dat daarvan sprake is geweest. Hij heeft uitgelegd dat [minderjarige 2] al tijdens de overdracht huilerig was en aangaf terug te willen naar de vrouw. De man heeft geprobeerd hem te kalmeren, maar slaagde daar niet in. Uiteindelijk heeft de man de vrouw gebeld en is [minderjarige 2] teruggegaan. Er is daarna nog een poging gedaan om de omgangsregeling te hervatten, maar dat is mislukt. Volgens de vrouw weigert [minderjarige 2] contact met de man te hebben. [minderjarige 1] verblijft wel bij de man volgens de vastgestelde zorgregeling.
4.7.
De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om te beslissen dat er voorlopig geen omgang kan zijn tussen de man en [minderjarige 2] . Dat er zorgen zijn over het gedrag van [minderjarige 2] staat niet ter discussie, maar niet is vast komen te staan dat dat het (direct) gevolg is van de omgang tussen [minderjarige 2] en de man. De vrouw heeft verwezen naar het (concept)advies van de praktijkondersteuner GGZ van Indigo van 1 juni 2026. Daarin staat onder meer dat bij de praktijkondersteuner een beeld is ontstaan van een complexe en belastende gezinssituatie, waarin sprake is van aanhoudende spanningen tussen ouders met een duidelijke impact daarvan op het functioneren en welzijn van [minderjarige 2] . De praktijkondersteuner adviseert om het lopende onderzoekstraject voort te zetten en te verdiepen bij Youz. Partijen zullen daar gevolg aan geven, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.2. staat beschreven. In het verslag staat echter niet dat de omgang tussen de man en [minderjarige 2] in strijd is met de belangen van de minderjarige. Wel wordt geadviseerd om, in afwachting van verdere diagnostiek, het contact te monitoren en waar nodig te structureren of te begeleiden, om zo zijn emotionele veiligheid te waarborgen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man en de vrouw allebei op verantwoorde wijze omgaan met de klachten en angsten die [minderjarige 2] ervaart en dat zij hierover met elkaar in gesprek blijven, zoals zij eerder kennelijk ook hebben gedaan. Het advies van de praktijkondersteuner staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de uitvoering van de zorgregeling in de weg. Hij zal de vrouw daarom veroordelen tot nakoming van de vastgestelde zorgregeling.
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter een voorstel gedaan voor een korte opbouwregeling, in die zin dat de man en de vrouw samen met beide minderjarigen een ijsje gaan eten (bijvoorbeeld bij de McDonalds) om het contact tussen de man en [minderjarige 2] op laagdrempelige wijze te hervatten. Tijdens het eerste omgangsmoment kan de vrouw vervolgens samen met de minderjarigen naar de woning van de man gaan en blijft zij daar korte tijd, tot [minderjarige 2] rustig is geworden. Hoewel partijen tijdens de mondelinge behandeling positief hebben gereageerd op het voorstel van de voorzieningenrechter, heeft dit niet tot een concrete afspraak tussen partijen geleid. Omdat er al enkele maanden geen omgang meer is tussen de man en [minderjarige 2] en er bij [minderjarige 2] inmiddels enige weerstand is ontstaan voor het contact met de man, meent de voorzieningenrechter wel dat een korte opbouw op zijn plaats is. Daarom zal hij aldus beslissen dat de zorgregeling zal worden hervat via de opbouw zoals in het dictum omschreven.
4.9.
De voorzieningenrechter zal ook het door de man onder II gevorderde toewijzen, te weten dat de vrouw wordt veroordeeld om ter uitvoering van de zorgregeling de minderjarigen op de daartoe aangewezen momenten bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen. De vrouw heeft dit niet weersproken en ook is niet gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
4.10.
Omdat de voorzieningenrechter hiervoor de primaire vorderingen van de man in reconventie heeft toegewezen, komt hij niet meer toe aan een beoordeling van het subsidiaire (hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod en/of een spoedonderzoek door de raad en/of de benoeming van een bijzondere curator). Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat, zoals de raad duidelijk heeft aangestipt, het probleem niet bij de minderjarigen ligt, maar bij de ouders. Zij moeten veranderen en niet de minderjarigen. Op dit moment ligt de bal dan ook bij partijen zelf en acht de voorzieningenrechter de benoeming van een bijzondere curator in dit stadium niet in het belang van de minderjarige(n).
4.11.
Er wordt geen dwangsom verbonden aan de uitvoering van de zorgregeling. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij, hoe ingewikkeld dat misschien ook gaat worden, de zorgregeling zal uitvoeren als dat van haar wordt verlangd. De voorzieningenrechter heeft voldoende vertrouwen in haar vrijwillige medewerking.
Verbod om druk uit te oefenen en verbod om onaangekondigd bij de woning te verschijnen
4.12.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw - om de man te verbieden dat hij druk uitoefent op haar of [minderjarige 2] om contact af te dwingen en om onaangekondigd bij de woning van de vrouw te verschijnen - af bij gebrek aan (spoedeisend) belang. Uit de overgelegde producties volgt niet dat sprake is van een situatie waarin de man druk uitoefent. Ook is niet gesteld of gebleken dat de man onaangekondigd bij de woning van de vrouw verschijnt.
Inzage financiële gegevens
4.13.
De vrouw wil dat de man inzage verschaft in zijn actuele financiële situatie. Zij vermoedt dat zijn situatie is gewijzigd en dat dit ertoe moet leiden dat de kinderbijdrage moet worden gewijzigd. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering zo dat de vrouw aan de hand van deze ontvangen stukken wil gaan onderzoeken of zij een bodemprocedure moet starten om de kinderbijdrage te laten herberekenen. De voorzieningenrechter ziet daarin geen spoedeisend belang. De vordering van de vrouw wordt afgewezen.
Proceskosten
4.14.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en reconventie
5.1.
veroordeelt de vrouw per datum van dit vonnis tot nakoming van de zorgregeling uit het ouderschapsplan van 26 mei 2022, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 19 juli 2022, met dien verstande dat [minderjarige 2] :
de eerste week alleen op vrijdag bij de man zal verblijven,
de tweede week vanaf donderdag tot vrijdagavond (na het eten), en
vanaf de derde week volgens de zorgregeling uit het ouderschapsplan;
5.2.
veroordeelt de vrouw per datum van dit vonnis, ter uitvoering van de onder 5.1. genoemde zorgregeling, en rekening houdend met de daarin genoemde opbouw, de minderjarigen in het kader van de reguliere regeling bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen op de betreffende (woens)dagen (na het eten) alsmede de minderjarigen in het kader van de vakantie- en feestdagenregeling bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen bij aanvang van het deel van de betreffende vakanties en feestdagen dat de kinderen bij de man zullen doorbrengen;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
Familierecht
Zaaknummer: C/10/720664 / KG ZA 26-527
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
[naam vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. B. Özates te Rotterdam,
tegen
[naam man]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.
Partijen worden hierna ook de vrouw en de man genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties, betekend op 12 juni 2026;
de producties zonder begeleidend schrijven van de vrouw van 17 juni 2026;
de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties van 18 juni 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Rijnmond (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
De voorzieningenrechter heeft partijen na afloop van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om afspraken te maken. Zij hebben daarvoor een termijn van zeven dagen gekregen. De man heeft bij bericht van 25 juni 2026 en de vrouw bij bericht van 30 juni 2026 laten weten dat partijen daarin niet zijn geslaagd. Hetgeen de vrouw nog meer heeft aangevoerd in haar bericht van 30 juni 2026 wordt door de voorzieningenrechter buiten beschouwing gelaten, nu partijen zich alleen mochten uitlaten over het al dan niet maken van onderlinge afspraken.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.
2.2.
Zij zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] , en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Partijen oefenen het gezag over de minderjarigen samen uit. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4.
In het ouderschapsplan van 26 mei 2022, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 19 juli 2022, is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 1. De kinderen
(…) 1.3. Partijen zijn met elkaar de volgende zorg/contactregeling overeengekomen:
Week-/weekendregeling:
De kinderen verblijven iedere week, van woensdagavond (na het eten) tot
vrijdagavond (na het eten) bij de vader.
Indien het werkrooster van de vader wijzigt, zodat hij op woensdag, donderdag of
vrijdag moet werken, zal de vader contact op nemen met de moeder, en zullen de
ouders de hiervoor genoemde week-/weekendregeling evalueren en indien gewenst in onderling overleg aanpassen. (…)”
Verder zijn in het ouderschapsplan de vakanties, feestdagen en overige bijzondere dagen verdeeld.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 augustus 2025 is het verzoek van de vrouw om wijziging van de zorgregeling afgewezen. In die beschikking is de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage verlaagd naar € 71,- per maand per kind.
3Het geschil in conventie en reconventie
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:
I. te bepalen dat de zorgregeling voorlopig wordt geschorst voor zover deze betrekking heeft op onbegeleid verblijf van [minderjarige 2] bij de man en te bepalen dat [minderjarige 2] voorlopig niet gehouden is tot onbegeleid contact met de man;
II. te bepalen dat eventueel contact tussen de man en [minderjarige 2] uitsluitend onder professionele begeleiding plaatsvindt, althans op een wijze en frequentie zoals de voorzieningenrechter passend acht;
III. de man te verbieden druk uit te oefenen op [minderjarige 2] of de vrouw om onbegeleid contact af te dwingen;
IV. de man te verbieden onaangekondigd bij de woning van de vrouw te verschijnen;
V. de man te veroordelen om binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de hulpverlening voor de minderjarigen bij Youz of een vergelijkbare instelling, waaronder individuele behandeling van [minderjarige 2] en gezinsgerichte begeleiding onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat de man in gebreke blijft om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen met een maximum van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
VI. de man te veroordelen om binnen twee dagen na het vonnis volledige inzage te verschaffen in zijn actuele financiële situatie door overlegging van alle relevante financiële bescheiden, waaronder de btw-aangiften over het jaar 2025 en het eerste kwartaal van 2026 en de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2024 en 2025, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat de man nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom.
3.2.
De man voert gemotiveerd verweer in conventie en vordert – zo begrijpt de voorzieningenrechter – in reconventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:
Primair
I. de vrouw per datum vonnis te veroordelen tot nakoming van de, krachtens artikel 1.3 van het op 26 mei 2022 ondertekende ouderschapsplan, rechtens geldende zorgregeling, zoals aangehecht aan de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2022;
II. de vrouw per datum vonnis te veroordelen, ter uitvoering van het onder I. gevorderde, de minderjarigen in het kader van de reguliere regeling bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen op de betreffende woensdagen (na het eten) alsmede de minderjarigen in het kader van de vakantie- en feestdagenregeling bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen bij aanvang van het deel van de betreffende vakanties en feestdagen dat de kinderen bij de man zullen doorbrengen;
Subsidiair
III. de vrouw per datum vonnis te veroordelen, voor de duur dat in een bodemprocedure zal zijn beslist, tot uitvoering van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] , uitgaande van minimaal wekelijkse contacten, zulks ter voorkoming van contactverlies;
IV. subsidiair, hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod en/of een spoedonderzoek door de raad te gelasten en/of een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW te benoemen;
En ook
V. het gevorderde onder sub I., II. en III. op straffe van een door de vrouw aan de man te verbeuren dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat de vrouw in gebreke mocht blijven om aan deze veroordeling te voldoen, een ingegane dag voor een gehele gerekend, en met een maximum van € 25.000,-.
Althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen nakoming van de zorgregeling door de vrouw, op straffe van verbeurte van dwangsommen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling in conventie en reconventie
4.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter per onderwerp bezien of deze samen behandeld kunnen worden.
Hulpverlening voor de minderjarigen
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen zich onlangs samen hebben gewend tot de praktijkondersteuner GGZ van de huisarts om hulpverlening te kunnen krijgen voor [minderjarige 2] . [minderjarige 2] is na een gesprek daar verwezen naar Youz. De man en de vrouw zijn het erover eens dat deze hulpverlening in het belang van [minderjarige 2] is en zij willen daar allebei aan meewerken. De vrouw heeft daarom haar vordering, om de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de hulp voor [minderjarige 2] bij Youz of een vergelijkbare instelling, ingetrokken.
4.3.
De vrouw heeft een vergelijkbare vordering ingebracht ten aanzien van [minderjarige 1] . De voorzieningenrechter wijst deze vordering bij gebrek aan (spoedeisend) belang af. Voor de voorzieningenrechter is, net als voor de man, onduidelijk gebleven welke hulpverlening [minderjarige 1] nodig heeft en om welke reden. De vrouw heeft haar stellingen daarover onvoldoende onderbouwd.
Zorgregeling
4.4.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningen-rechter is van oordeel dat dit het geval is, omdat er al een aantal maanden geen omgang meer is tussen de man en [minderjarige 2] . Gezien de samenhang zullen de vorderingen over de zorgregeling in conventie en in reconventie tezamen worden behandeld.
4.5.
Het uitgangspunt is dat een rechterlijke uitspraak over de omgang moet worden nagekomen. Hierop zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is wanneer na de uitspraak de omstandigheden zo zijn gewijzigd, dat volledige nakoming daarvan in strijd is met de belangen van de minderjarige. De tweede uitzondering is wanneer bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.6.
De voorzieningenrechter heeft gehoord en gelezen dat de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] sinds 25 februari 2026 niet meer wordt uitgevoerd. De vrouw beschuldigt de man ervan dat [minderjarige 2] op die dag fysiek zou zijn mishandeld, al dan niet door familie van de man. De man betwist dat daarvan sprake is geweest. Hij heeft uitgelegd dat [minderjarige 2] al tijdens de overdracht huilerig was en aangaf terug te willen naar de vrouw. De man heeft geprobeerd hem te kalmeren, maar slaagde daar niet in. Uiteindelijk heeft de man de vrouw gebeld en is [minderjarige 2] teruggegaan. Er is daarna nog een poging gedaan om de omgangsregeling te hervatten, maar dat is mislukt. Volgens de vrouw weigert [minderjarige 2] contact met de man te hebben. [minderjarige 1] verblijft wel bij de man volgens de vastgestelde zorgregeling.
4.7.
De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om te beslissen dat er voorlopig geen omgang kan zijn tussen de man en [minderjarige 2] . Dat er zorgen zijn over het gedrag van [minderjarige 2] staat niet ter discussie, maar niet is vast komen te staan dat dat het (direct) gevolg is van de omgang tussen [minderjarige 2] en de man. De vrouw heeft verwezen naar het (concept)advies van de praktijkondersteuner GGZ van Indigo van 1 juni 2026. Daarin staat onder meer dat bij de praktijkondersteuner een beeld is ontstaan van een complexe en belastende gezinssituatie, waarin sprake is van aanhoudende spanningen tussen ouders met een duidelijke impact daarvan op het functioneren en welzijn van [minderjarige 2] . De praktijkondersteuner adviseert om het lopende onderzoekstraject voort te zetten en te verdiepen bij Youz. Partijen zullen daar gevolg aan geven, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.2. staat beschreven. In het verslag staat echter niet dat de omgang tussen de man en [minderjarige 2] in strijd is met de belangen van de minderjarige. Wel wordt geadviseerd om, in afwachting van verdere diagnostiek, het contact te monitoren en waar nodig te structureren of te begeleiden, om zo zijn emotionele veiligheid te waarborgen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man en de vrouw allebei op verantwoorde wijze omgaan met de klachten en angsten die [minderjarige 2] ervaart en dat zij hierover met elkaar in gesprek blijven, zoals zij eerder kennelijk ook hebben gedaan. Het advies van de praktijkondersteuner staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de uitvoering van de zorgregeling in de weg. Hij zal de vrouw daarom veroordelen tot nakoming van de vastgestelde zorgregeling.
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter een voorstel gedaan voor een korte opbouwregeling, in die zin dat de man en de vrouw samen met beide minderjarigen een ijsje gaan eten (bijvoorbeeld bij de McDonalds) om het contact tussen de man en [minderjarige 2] op laagdrempelige wijze te hervatten. Tijdens het eerste omgangsmoment kan de vrouw vervolgens samen met de minderjarigen naar de woning van de man gaan en blijft zij daar korte tijd, tot [minderjarige 2] rustig is geworden. Hoewel partijen tijdens de mondelinge behandeling positief hebben gereageerd op het voorstel van de voorzieningenrechter, heeft dit niet tot een concrete afspraak tussen partijen geleid. Omdat er al enkele maanden geen omgang meer is tussen de man en [minderjarige 2] en er bij [minderjarige 2] inmiddels enige weerstand is ontstaan voor het contact met de man, meent de voorzieningenrechter wel dat een korte opbouw op zijn plaats is. Daarom zal hij aldus beslissen dat de zorgregeling zal worden hervat via de opbouw zoals in het dictum omschreven.
4.9.
De voorzieningenrechter zal ook het door de man onder II gevorderde toewijzen, te weten dat de vrouw wordt veroordeeld om ter uitvoering van de zorgregeling de minderjarigen op de daartoe aangewezen momenten bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen. De vrouw heeft dit niet weersproken en ook is niet gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
4.10.
Omdat de voorzieningenrechter hiervoor de primaire vorderingen van de man in reconventie heeft toegewezen, komt hij niet meer toe aan een beoordeling van het subsidiaire (hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod en/of een spoedonderzoek door de raad en/of de benoeming van een bijzondere curator). Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat, zoals de raad duidelijk heeft aangestipt, het probleem niet bij de minderjarigen ligt, maar bij de ouders. Zij moeten veranderen en niet de minderjarigen. Op dit moment ligt de bal dan ook bij partijen zelf en acht de voorzieningenrechter de benoeming van een bijzondere curator in dit stadium niet in het belang van de minderjarige(n).
4.11.
Er wordt geen dwangsom verbonden aan de uitvoering van de zorgregeling. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij, hoe ingewikkeld dat misschien ook gaat worden, de zorgregeling zal uitvoeren als dat van haar wordt verlangd. De voorzieningenrechter heeft voldoende vertrouwen in haar vrijwillige medewerking.
Verbod om druk uit te oefenen en verbod om onaangekondigd bij de woning te verschijnen
4.12.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw - om de man te verbieden dat hij druk uitoefent op haar of [minderjarige 2] om contact af te dwingen en om onaangekondigd bij de woning van de vrouw te verschijnen - af bij gebrek aan (spoedeisend) belang. Uit de overgelegde producties volgt niet dat sprake is van een situatie waarin de man druk uitoefent. Ook is niet gesteld of gebleken dat de man onaangekondigd bij de woning van de vrouw verschijnt.
Inzage financiële gegevens
4.13.
De vrouw wil dat de man inzage verschaft in zijn actuele financiële situatie. Zij vermoedt dat zijn situatie is gewijzigd en dat dit ertoe moet leiden dat de kinderbijdrage moet worden gewijzigd. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering zo dat de vrouw aan de hand van deze ontvangen stukken wil gaan onderzoeken of zij een bodemprocedure moet starten om de kinderbijdrage te laten herberekenen. De voorzieningenrechter ziet daarin geen spoedeisend belang. De vordering van de vrouw wordt afgewezen.
Proceskosten
4.14.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en reconventie
5.1.
veroordeelt de vrouw per datum van dit vonnis tot nakoming van de zorgregeling uit het ouderschapsplan van 26 mei 2022, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 19 juli 2022, met dien verstande dat [minderjarige 2] :
de eerste week alleen op vrijdag bij de man zal verblijven,
de tweede week vanaf donderdag tot vrijdagavond (na het eten), en
vanaf de derde week volgens de zorgregeling uit het ouderschapsplan;
5.2.
veroordeelt de vrouw per datum van dit vonnis, ter uitvoering van de onder 5.1. genoemde zorgregeling, en rekening houdend met de daarin genoemde opbouw, de minderjarigen in het kader van de reguliere regeling bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen op de betreffende (woens)dagen (na het eten) alsmede de minderjarigen in het kader van de vakantie- en feestdagenregeling bij de man (ten huize van zijn moeder) te brengen bij aanvang van het deel van de betreffende vakanties en feestdagen dat de kinderen bij de man zullen doorbrengen;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.