Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9220
2026-07-29
Civiel recht
C/10/684402 / HA ZA 24-712
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
maritieme zaak, eindvonnis in hulploonzaak. Eisers hebben hulpverleningswerkzaamheden verricht bij een schip met brand aan boord. De rechtbank stelt het hulploon vast op € 120.000,-.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.645 tekens)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/684402 / HA ZA 24-712
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.D.S. HARLINGEN B.V.,
gevestigd te Harlingen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIJMA B.V.,
gevestigd te Zuidbroek,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIJMA BEHEER B.V.,
gevestigd te Zuidbroek,
eiseressen,
advocaat mr. P.J. Hoepel te Rotterdam,
tegen
de rechtspersoon naar Duits recht
EILTANK SCHIFFAHRT GMBH & CO CHEMIE TRANSPORT KG.,
gevestigd te Aschaffenburg, Duitsland,
gedaagde,
advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda.
Eiseres sub 1 wordt hierna B.D.S. genoemd, eiseres sub 2 Bijma en eiseres sub 3 Bijma Beheer. Eiseressen worden hierna gezamenlijk B.D.S. c.s. genoemd. Gedaagde wordt hierna Eiltank genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het vonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde processtukken;
het vonnis van 23 juli 2025 en de daarin genoemde processtukken;
het deskundigenrapport van Marinsal Consultants B.V. van 26 november 2025 met bijlagen 1 tot en met 11 (hierna: het deskundigenrapport);
de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende wijziging van eis van B.D.S. c.s. met productie E16;
de conclusie na deskundigenbericht van Eiltank;
de e-mail van de rechtbank van 8 april 2026 waarin onder meer aan partijen in overweging is gegeven om gezamenlijk tot een inschatting van de geredde waarde van het schip te komen;
de e-mail van mr. Van Zuethem van 4 mei 2026 waarin is aangegeven dat partijen in overleg tot een geredde waarde van het schip zijn gekomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaak op hoofdlijnen
Waar gaat de zaak over?
2.1.
In de vroege ochtend van 26 mei 2023 is het binnenvaartschip Ursula Valentin (hierna: het schip), eigendom van Eiltank, aangevangen haar lading, die bestond uit vloeibare bitumen, te lossen bij de lossteiger van het bedrijf JPB Logistics B.V. in de haven te Farmsum. Tijdens het lossen is als gevolg van een mechanisch defect een tank overgelopen en is bitumen in de tanktunnel en in het water terecht gekomen. Enige tijd later is brand ontstaan aan boord van het schip. Rond 07:20 uur zijn B.D.S. en Bijma met de sleepboot Gruno IV (hierna ook: de sleepboot), eigendom van Bijma Beheer, ter plaatse gekomen en hebben hulpverleningswerkzaamheden verricht.
2.2.
B.D.S. c.s. stellen dat zij succesvol hulp hebben verleend aan het in gevaar verkerende schip en dus recht hebben op betaling van een redelijk hulploon. B.D.S. c.s. vorderen - na de laatste wijziging van eis bij conclusie na deskundigenbericht - veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Eiltank tot betaling van:
- € 150.000,00 aan hulploon, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 26 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
- € 7.719,80 en € 3.581,60 aan vergoedingen voor expertisekosten;
- € 12.624,61 aan vergoeding van de kosten van de gerechtsdeskundige;
- € 3.275,00 aan vergoeding van de buitengerechtelijke kosten;
- de (na)kosten van het geding met rente.
2.3.
Eiltank meent dat B.D.S. c.s. geen recht hebben op (het gevorderde) hulploon. Primair betwist Eiltank dat sprake is van hulpverlening (die recht geeft op hulploon). Subsidiair betwist Eiltank de hoogte van het gevorderde hulploon.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat B.D.S. c.s. hulpverlening hebben verricht
2.4.
In het vonnis van 26 maart 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 werkzaamheden hebben verricht die vallen onder hulpverlening als bedoeld in artikel 1 Hulpverleningsverdrag 1989. De werkzaamheden die B.D.S. c.s. in de dagen na het incident stellen te hebben verricht om bitumen op te ruimen vallen buiten het bestek van hulpverlening, omdat toen geen sprake (meer) was van gevaar. De vraag of B.D.S. c.s. recht hebben op hulploon kon de rechtbank nog niet beantwoorden, omdat hiervoor eerst vast moest komen te staan of de werkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 hebben geleid tot een gunstig gevolg voor het schip en/of de lading. Op dat punt wenste de rechtbank voorlichting door een deskundige en is vervolgens een deskundige benoemd die een deskundigenrapport heeft uitgebracht.
De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat Eiltank € 120.000,00 aan hulploon aan B.D.S. c.s. moet betalen
2.5.
Naar aanleiding van het deskundigenrapport oordeelt de rechtbank dat de hulpverlening van B.D.S. c.s. een gunstig gevolg heeft gehad. Dit tezamen met het oordeel dat deze werkzaamheden vallen onder hulpverlening als bedoeld in artikel 1 Hulpverleningsverdrag 1989, maakt dat B.D.S. c.s. recht hebben op hulploon. Gezien de criteria in artikel 13 lid 1 Hulpverleningsverdrag 1989 en met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening stelt de rechtbank het hulploon vast op € 120.000,00.
Hierna wordt toegelicht hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
3De verdere beoordeling
De hulpverlening heeft een gunstig gevolg gehad
3.1.
Van een gunstig gevolg is sprake als aan het einde van de hulpverlening het in gevaar verkerende schip of de zaken zijn gered of de hulpverlening tot hun redding heeft bijgedragen. Bij vonnis van 23 juli 2025 heeft de rechtbank de heer A.W. Herrebout , senior maritiem consultant bij Marinsal Consultants B.V. (hierna: de deskundige), tot deskundige benoemd en aan hem de vraag voorgelegd:
“In hoeverre hebben de hulpverleningswerkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 een gunstig gevolg gehad voor het schip en/of de lading in die zin dat de werkzaamheden hebben bijgedragen aan de redding van het schip en/of de lading?”
3.2.
De deskundige heeft naar aanleiding van deze vraag in het deskundigenrapport geconcludeerd:
“B.D.S. c.s. hebben naar mijn mening succesvol hulpverleningswerkzaamheden uitgevoerd aan boord van de Ursula Valentin. Deze werkzaamheden hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de redding van het schip en de lading. De brandweer heeft, ondanks de massale uitruk, geen noemenswaardige rol gespeeld in de bestrijding van de brand.
De hulpverleningswerkzaamheden hebben tot gevolg gehad dat de lading in een goede conditie kon worden overgeslagen naar een ander schip. Met name voor de lading in tank 4 was dit cruciaal, gelet op de schade aan de leidingen in de leidingtunnel boven de tank. Vertraging in de hulpverlening zou hebben geleid tot een verlies van een gedeelte van de lading.
De grote schade rond tank 4 is ontstaan als gevolg van de brand en had niet door B.D.S. c.s. kunnen worden voorkomen, tenzij zij eerder waren gevraagd om assistentie te verlenen aan het schip.
Kort na het wegslepen van het schip van de steiger van JPB Logistics nam de brand sterk af, waarschijnlijk doordat het grootste deel van de brandstof was verbrand. De brand kwam hierdoor in de doof-fase, maar was nog niet onder controle of geblust. De blus- en koelwerkzaamheden van B.D.S. c.s. hebben de brand onder controle gebracht, geblust en voorkomen dat een secundaire brandhaard is ontstaan aan boord. Daarmee is verdere schade aan het schip voorkomen.
Het argument van B.D.S. c.s. dat zij door het verlenen van hulp hebben voorkomen dat het schip volledig zou uitbranden en zinken is onterecht. Het risico dat het schip zou zinken zou alleen reëel zijn geweest als één of meerdere van de ladingtanks bij de brand waren betrokken en dat was niet het geval, de brand woedde aan dek van het schip. De hitte van de brand werd door geleiding wel door de constructie van het schip geleid, maar het is niet aannemelijk dat dit zou hebben geleid tot ontbranding van de bitumen in een van de ladingtanks.”
3.3.
B.D.S. c.s. hebben in hun conclusie na deskundigenbericht de conclusie van de deskundige overgenomen en geen inhoudelijke bezwaren tegen het deskundigenrapport aangevoerd.
3.4.
Eiltank heeft in haar conclusie na deskundigenbericht het volgende geconcludeerd:
“Gelet op de vaststellingen in het deskundigenbericht, in samenhang bezien met het commentaar in Annex 4 bij het deskundigenbericht, staat vast dat de werkzaamheden van eisers niet hebben geleid tot daadwerkelijke redding van het schip. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de inzet van eisers het overslaan van de lading uit tank 4 heeft vergemakkelijkt betreft dit slechts een beperkt gedeelte van de totale lading, waardoor geen sprake is van substantiële redding van de lading. De brand nam vanzelf in intensiteit af door het opbranden van de brandstof, het gebruik van water bij een bitumenbrand was risicovol en heeft niet geleid tot het verminderen van de brand, de brandweer zou de situatie ook zonder inzet van eisers onder controle hebben gekregen en van een risico tot zinken van het schip of verlies van lading is geen sprake geweest. De werkzaamheden van Gruno hebben slechts met betrekking tot de lading in tank 4 een gunstig gevolg gehad in die zin dat de lading uit tank 4 niet is uitgehard en kon worden overgeslagen in de "Eiltank 43", die door gedaagde voor de overslag werd ingezet.”
3.5.
De rechtbank overweegt dat Eiltank in haar conclusie na deskundigenbericht wijst op losse vaststellingen in het deskundigenrapport en daar vervolgens zelf de conclusie aan verbindt dat geen sprake is geweest van een gunstig gevolg voor het schip. Voorts neemt Eiltank stellingen in die haaks staan op de bevindingen in het deskundigenrapport. De rechtbank gaat hier niet in mee. De deskundige heeft op heldere wijze onderbouwd hoe hij op basis van zijn gehele onderzoek tot zijn conclusie is gekomen. Het commentaar van Eiltank in Annex 10 (de rechtbank begrijpt dat Eiltank met “Annex 4” doelt op “Annex 10” waarin haar commentaar is opgenomen) waar Eiltank naar verwijst betreft haar commentaar op het conceptrapport. Dit commentaar is door de deskundige meegenomen in zijn eindrapport en hij is in zijn eindrapport ook inhoudelijk ingegaan op dit commentaar. De conclusie van de deskundige was (in het conceptrapport) en blijft (in het eindrapport) dat de werkzaamheden van B.D.S. c.s. in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de redding van het schip en de lading. De rechtbank acht de bevindingen en de daarop gegronde conclusies van de deskundige goed onderbouwd en overtuigend en zal deze overnemen.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de hulpverleningswerkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de redding van het schip en de lading.
B.D.S. c.s. hebben recht op hulploon
3.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de werkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 hebben geleid tot een gunstig gevolg voor het schip en de lading. Dit tezamen met het oordeel van de rechtbank dat deze werkzaamheden vallen onder hulpverlening als bedoeld in artikel 1 Hulpverleningsverdrag 1989 maakt dat B.D.S. c.s. recht hebben op hulploon.
3.7.
Voor zover Eiltank heeft willen betogen dat B.D.S. c.s. geen recht hebben op hulploon, omdat de hulpverleningswerkzaamheden niet hebben geleid tot het afwenden van een reëel risico tot zinken, overweegt de rechtbank dat dit betoog eraan voorbij ziet dat is voldaan aan de voorwaarde voor aanspraak op hulploon dat sprake was van gevaar voor het schip en haar lading. Met Eiltank gaat de rechtbank ervan uit dat het gevaar als gevolg van de brand niet zo groot was dat het schip volledig zou uitbranden en zinken (zie hierna onder 3.18) en dat dit van belang is voor de hoogte van het vast te stellen hulploon, maar dit betekent niet dat alleen hulploon is verschuldigd bij bewijs voor gevaar van ‘totaalverlies’ van schip en lading.
De hoogte van het hulploon
3.8.
Ingevolge artikel 13 lid 1 Hulpverleningsverdrag 1989 wordt het bedrag van het hulploon met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening vastgesteld rekening houdend met de volgende criteria:
de geredde waarde van het schip en de andere goederen;
de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu;
de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag;
e aard en ernst van het gevaar;
de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;
de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;
het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico's;
de snelheid van de verleende diensten;
de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting;
de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners.
3.9.
De rechtbank zal hierna bespreken wat partijen over deze criteria hebben aangevoerd en haar oordeel geven.
a.) De geredde waarde van het schip en de andere goederen
3.10.
Het moment waarop de geredde waarde wordt vastgesteld is direct na beëindiging van de hulpverlening aan de hand van de dan geldende marktwaarde van het schip en de lading. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de lading (de bitumen) na het incident € 415.426,22 was. De rechtbank stelt de geredde waarde van de lading dan ook vast op dit bedrag.
3.11.
De marktwaarde van het schip direct na beëindiging van de hulpverlening is in deze zaak niet vastgesteld. Partijen hebben voor de vaststelling van de marktwaarde van het schip (aanvankelijk) aansluiting gezocht bij de waarde van het schip voorafgaand aan de brand minus de reparatiekosten. Beide partijen gaan ervan uit dat de waarde van het schip voorafgaand aan de brand € 2.950.000,00 was, maar zij verschillen van mening over de hoogte van de reparatiekosten.
3.12.
De rechtbank heeft partijen vanuit proceseconomisch oogpunt in overweging gegeven om gezamenlijk in overleg tot een grove c.q. voor beide partijen acceptabele inschatting van de geredde waarde van het schip te komen. Hierop hebben partijen laten weten in overleg gekomen te zijn tot een geredde waarde van het schip in eerste aanleg van € 1.450.000,00. In een eventueel hoger beroep behouden partijen zich het recht voor een afwijkende waarde te betogen. In dit vonnis zal de rechtbank uitgaan van de tussen partijen overeengekomen geredde waarde van het schip van € 1.450.000,00.
3.13.
De rechtbank stelt de totale geredde waarde van het schip en andere goederen dan ook vast op (€ 1.450.000,00 + € 415.426,22 =) € 1.865.426,22.
b.) De vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu
3.14.
In het vonnis van 26 maart 2025 is geoordeeld dat de door B.D.S. c.s. gestelde werkzaamheden ten behoeve van het opruimen van bitumen in de dagen ná het incident buiten het bestek van de hulpverlening vallen. Met deze werkzaamheden zal bij het bepalen van de hoogte van het hulploon dan ook geen rekening worden gehouden. Dit neemt echter niet weg dat met de hulpverlening door B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 mogelijk wel schade aan het milieu is voorkomen of beperkt.
3.15.
B.D.S. c.s. hebben gesteld dat dankzij hun professionele optreden een enorme milieuramp is voorkomen. Eiltank heeft hier tegen aangevoerd dat gevaar voor het milieu slechts bestond op het moment van het lekken van de bitumen en dat zij opdracht heeft gegeven aan HEBO om de gelekte bitumen te verwijderen.
3.16.
De deskundige heeft gerapporteerd dat de milieubeschermende maatregelen door B.D.S. c.s. bestonden uit het verlenen van hulp aan het schip op een zodanige manier dat de lading veilig kon worden gelost, waardoor werd voorkomen dat er nog bitumen uit het schip kon lekken. In het door B.D.S. c.s. overgelegd advies van Rijkswaterstaat van 26 mei 2023 staat vermeld:
“Er is 20 m3 bitumen in het water terecht gekomen van het Zeehaven kanaal te Delfzijl. De verwachting is dat deze stof nauwelijks verspreidt op en in het water en na ongeveer een halve dag op de oever blijft plakken. Acute effecten op het aquatisch milieu worden niet verwacht. Effecten op de lange termijn kunnen niet worden uitgesloten.
Geadviseerd wordt de op het water drijvende bitumen zo snel mogelijk te ruimen en de oever schoon te maken.”
Tussen partijen is niet in geschil dat de bitumen die op 26 mei 2023 uit het schip is gelekt snel is opgeruimd. Zij twisten wel over de vraag door wie en in wiens opdracht dat is gedaan.
3.17.
Nu uit bovenstaande volgt dat acute effecten van gelekte bitumen op het aquatisch milieu niet waren te verwachten en vast staat dat gelekte bitumen snel kon worden opgeruimd, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat met de werkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 een ‘enorme milieuramp is voorkomen’, zoals B.D.S. c.s. stellen, of dat op andere wijze is bijgedragen aan het voorkomen of beperken van schade aan het milieu.
c. en d.) De mate van door hulpverlening verkregen gunstige uitslag en de aard en ernst van het gevaar
3.18.
Partijen gaan er beide vanuit dat sprake is geweest van gevaar voor het schip en de lading als gevolg van de brand. Eiltank heeft in dit verband wel aangevoerd dat het onjuist is dat - zoals B.D.S. c.s. stellen - het schip zonder hulp volledig zou zijn uitgebrand. De rechtbank volgt Eiltank hierin, omdat de deskundige concludeert dat het argument van B.D.S. c.s. dat zij door het verlenen van hulp hebben voorkomen dat het schip volledig zou uitbranden en zinken onterecht is.
De rechtbank stelt - in lijn met de conclusie van de deskundige - vast dat de werkzaamheden van B.D.S. c.s. in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de redding van het schip en de lading.
3.19.
De rechtbank houdt hierbij ook rekening met het feit dat Eiltank geheel afhankelijk was van hulpverlening door B.D.S. c.s. aangezien - zoals de deskundige opmerkt - voor zover hem bekend de Veiligheidsregio Groningen geen specifieke kennis, ervaring of middelen voor de bestrijding van brand aan boord van schepen heeft en de brandweer, ondanks de massale uitruk, geen noemenswaardige rol heeft gespeeld bij de bestrijding van de brand.
e.) De vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens
3.20.
B.D.S. c.s. hebben gesteld dat zij zeer vakkundig en doortastend hebben opgetreden. Eiltank heeft in dit verband aangevoerd dat de vaardigheden en kennis van de bemanning van de sleepboot bij het blussen van de brand ontoereikend waren, aangezien zij probeerde het vuur met water te blussen. Voorts heeft Eiltank erop gewezen dat de brandbestrijdingsuitrusting van de Gruno IV volgens haar niet geschikt was om de brand te blussen, aangezien de Gruno IV slechts over waterblusapparatuur beschikte.
3.21.
De deskundige rapporteert dat de kritiek op de uitrustig van de Gruno IV wat betreft brandbestrijding misplaatst is. Hij wijst er samengevat op dat:
een vloeistofbrand bij voorkeur niet moet worden geblust met water;
van een sleepboot met brandbestrijdingscapaciteit niet mag worden verwacht dat een schuimvormend middel of bluspoeder aan boord is;
als er geen betere blusmiddelen beschikbaar zijn, gekeken moet worden naar de mogelijkheid om water wel te kunnen gebruiken;
water een groot koelend vermogen heeft dat kan worden gebruikt bij de bestrijding van een vloeistofbrand, maar dat voorkomen moet worden dat een sterke waterstraal direct op de bitumen wordt gespoten;
uit foto’s en video’s blijkt dat de Gruno IV de juiste techniek heeft toegepast bij de bestrijding van de brand aan boord van het schip; nergens is te zien dat de monitor direct op de vlammen is gericht, maar deze was altijd gericht boven of naast de brand.
3.22.
Gezien de bevindingen van de deskundige verwerpt de rechtbank het standpunt van Eiltank dat de vaardigheden en kennis van de bemanning van de sleepboot bij het blussen van de brand ontoereikend waren. De rechtbank wijst verder op de hulpverleningswerkzaamheden die B.D.S. c.s. naast het koelen van het schip hebben verricht, te weten: het wegslepen van een brandend schip en het - terecht (zie hierna onder 3.24) - blijven monitoren van de temperatuur van het schip ook nadat de brandweer het sein brandmeester had gegeven. De rechtbank stelt dan ook vast dat B.D.S. c.s. vakkundig en doortastend hebben opgetreden bij de redding van het schip en de lading.
f. en h.) De door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen en de snelheid van de verleende diensten
3.23.
Tussen partijen is niet in geschil dat B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 zeer snel ter plaatse waren om hulp te verlenen. Volgens B.D.S. c.s. heeft de totale hulpverlening ruim negen uur in beslag genomen. Volgens Eiltank duurde de hulpverlening niet langer dan twee uur, omdat om 10:00 uur de brand volledig onder controle was en het sein brandmeester werd gegeven.
3.24.
De rechtbank overweegt dat de hulpverlening voortduurt zolang sprake is van gevaar. Het feit dat de brandweer om 10:00 uur het sein brandmeester had gegeven betekent niet dat geen sprake meer was van gevaar. De deskundige merkt hierover op dat het sein brandmeester betekent dat de brand niet meer dreigt uit te breiden en het vuur onder controle is, maar dat dit niet het betekent dat de brand ook volledig uit is, want het nablussen is nog nodig. Het nablussen is uitgevoerd door de Gruno IV, waarbij de temperaturen aan dek werden gemeten met een digitale thermometer; op die wijze konden B.D.S. c.s. de situatie aan boord controleren. Rond 12:00 uur begonnen de temperaturen aan dek van het schip weer op te lopen en zijn B.D.S. c.s. opnieuw begonnen met het koelen van het schip. Dit proces is in de middag doorgegaan ook nadat de bemanning van het schip weer was terug gekomen aan boord. In de middag heeft het schip zelf met haar eigen brandbluspomp en de dekwas voor koelwater aan dek gezorgd. Hiervoor zijn (deels) brandslangen van de Gruno IV gebruikt. Nadat de brand aan boord was geblust en de situatie onder controle was gebracht, is het schip om 15:25 uur door de Gruno IV van de Aldel steiger naar de steiger van Contitank gesleept.
Voor de vaststelling van het hulploon zal de rechtbank daarom uitgaan van een totale duur van de hulpoperatie vanaf ongeveer 07:20 uur (het moment waarop B.D.S. c.s. ter plaatse waren) tot 15:25 uur: in totaal bijna negen uur.
3.25.
Als onweersproken staat vast dat B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 voor € 20.044,48 aan materieel hebben ingezet bestaande uit interventie teams, werkbussen, skimmers, olie-absorptiematerialen, een oliescherm en een werkschip.
g.) Het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico's
3.26.
B.D.S. c.s. stellen dat grote risico’s zijn gelopen bij de hulpverlening, zowel voor wat betreft het ingezette materiaal als voor ingezette mensen. Volgens Eiltank was er geen risico op overslaan van brand en hebben de hulpverleners zonder noemenswaardig gevaar voor eigen leven kunnen werken. Eiltank wijst op het feit dat de stalen draden van het schip waarmee het schip vastlag aan de steiger reeds door de bemanning van het schip waren losgemaakt zodat het schip eenvoudig van de steiger weg kon worden gesleept. De sleeplijn kon voorop aan het schip worden bevestigd, ver weg van de brandhaard en de hulpverleners aan boord van de sleepboot bevonden zich tijdens het slepen op ruime afstand van de brand.
3.27.
Gezien deze gemotiveerde betwisting van Eiltank die door B.D.S. c.s. niet is weersproken gaat de rechtbank ervan uit dat geen sprake is geweest van risico’s waarmee bij de bepaling van de hoogte van het hulploon rekening moet worden gehouden.
i. en j.) De beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting en de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners
3.28.
Als onweersproken staat het volgende vast. B.D.S. staat 24 uren per dag en zeven dagen per week klaar om hulp te verlenen aan schepen in nood in het kustgebied van de Nederlandse Waddenzee. B.D.S. beschikt over een vloot van speciaal uitgeruste schepen ten behoeve van hulpverlening alsook over een omvangrijke uitrusting van materieel ten behoeve van calamiteitenbestrijding
Bijma is in opdracht van B.D.S. continu inzetbaar voor bestrijding van calamiteiten in de haven van Delfzijl en Farmsum.
De sleepboot Gruno IV beschikt over speciale blusapparatuur die voldoet aan alle (ADR-) normen. De deskundige schrijft hierover onder meer:
“De Gruno IV is een sleepboot die is uitgerust met twee brandblusmonitors die boven de stuurhut zijn geplaatst. Aan boord is een brandbluspomp geplaatst met een capaciteit van 750 m3/uur. (….) Dit is ook wat verwacht mag worden van een sleepboot met brandbestrijdingscapaciteit.”
De verzekerde waarde van de Gruno IV inclusief haar apparatuur bedraagt € 4.000.000,00.
Voorts staat vast dat B.D.S. en Bijma met de Gruno IV op 26 mei 2023 zeer snel ter plaatse waren.
3.29.
Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat B.D.S. c.s. terstond gereed waren voor de hulpverlening die van hen werd gevraagd en de juiste materialen beschikbaar hadden en hebben ingezet.
Niet is vast komen staan dat potentiële aansprakelijkheden zijn voorkomen
3.30.
Volgens B.D.S. c.s. moet bij het bepalen van de hoogte van het hulploon ook worden meegewogen dat zonder de inzet van B.D.S. c.s. de totale schade aan de terminal met enkele tonnen was toegenomen en de steiger voor meerdere weken niet had kunnen worden gebruikt. B.D.S. c.s. stellen dat het vuur zich naar de laadarmen van de naastgelegen terminal had kunnen verspreiden. De laadarm ‘MLA’ op de JPB-steiger bevond zich op een afstand van slechts tien meter van de vlammen en de brandende houten delen van de steiger en bovendien bevatten de leidingen op de steiger diverse chemische producten. Het voorkomen van potentiële aansprakelijkheden kwalificeert ook als hulpverleningswerkzaamheid, aldus steeds B.D.S. c.s.
3.31.
Eiltank heeft aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat het vuur zich naar de terminal had kunnen verspreiden en dat het beschermen van de steiger en terminal niet onder de hulpverlening aan het schip valt.
3.32.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat als de hulpverlening van B.D.S. c.s. heeft bijgedragen aan het ontkomen van mogelijke aansprakelijkheden voor schade van de JPB steiger / terminal, dit een bijkomende omstandigheid is die in aanmerking kan worden genomen bij het vaststellen van de hoogte van het hulploon. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet vast komen te staan dat potentiële aansprakelijkheden zijn voorkomen. De deskundige heeft namelijk gerapporteerd dat verwacht mag worden dat de brandweer het vuur bovenop de steiger onder controle zou hebben gekregen zonder de inzet van hulpverleners en dat de laadarmen van de terminal met een waterscherm van de brandweer konden worden afgeschermd, zodat het onwaarschijnlijk is dat deze ook in brand zouden zijn gevlogen. Gezien de betwisting van Eiltank en de bevindingen van de deskundige hebben B.D.S. c.s. naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd dat potentiële aansprakelijkheden zijn voorkomen. De rechtbank houdt hiermee geen rekening bij de bepaling van de hoogte van het hulploon.
Conclusie: Eiltank moet € 120.000,00 aan hulploon betalen
3.33.
Bij de beoordeling van de criteria uit artikel 13 lid 1 Hulpverleningsverdrag 1989 heeft de rechtbank samengevat geoordeeld dat:
de geredde waarde van het schip en andere goederen € 1.865.426,22 bedraagt;
niet is komen vast te staan te staan dat met de werkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 is bijgedragen aan het voorkomen of beperken van schade aan het milieu;
sprake is geweest van gevaar voor het schip en de lading als gevolg van de brand, waarbij het gevaar niet zo groot is geweest dat het schip volledig zou uitbranden en zinken zonder de hulpverlening;
B.D.S. c.s. in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de redding van het schip en de lading;
B.D.S. c.s. vakkundig en doortastend hebben opgetreden;
B.D.S. c.s. zeer snel ter plaatse waren, bijna negen uur hulp hebben verleend en voor ruim € 20.000,00 aan materieel hebben ingezet;
geen sprake is geweest van risico’s waarmee bij de bepaling van de hoogte van het hulploon rekening moet worden gehouden;
B.D.S. c.s. terstond gereed waren voor de hulpverlening die van hen werd gevraagd en de juiste materialen beschikbaar hadden en hebben ingezet.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat potentiële aansprakelijkheden zijn voorkomen door het optreden van B.D.S. c.s.
Rekening houdend met deze beoordeling van de criteria en met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening stelt de rechtbank het hulploon vast op € 120.000,00.
3.34.
De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen zoals gevorderd. Het gaat daarbij om de wettelijke rente van artikel 6:119 BW.
De expertisekosten worden afgewezen
3.35.
B.D.S. c.s. hebben de kosten voor het inschakelen van deskundigen gevorderd op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. Zij vorderen de kosten van het expertisebureau Eelsing dat een rapport van bevindingen heeft opgesteld over de door B.D.S. c.s. geboden hulpverlening en het (naar haar oordeel) redelijk hulploon. Daarnaast vorderen zij de kosten van expertisebureau BMT dat B.D.S. c.s. hebben ingeschakeld om de door Eiltank gestelde schadeomvang van het schip te beoordelen. De kosten van BMT kwalificeren volgens B.D.S. c.s. bovendien als kosten gemaakt ter vaststelling van de omvang van het te vergoeden hulploon, omdat de reparatiekosten invloed hebben op de hoogte van de geredde waarde.
3.36.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De vordering tot betaling van hulploon is geen schadevergoedingsvordering, zodat B.D.S. c.s. geen aanspraak hebben op vergoeding van de redelijke kosten van vaststelling van aansprakelijkheid en schade op grond van artikel 6:96 lid 2 onderdeel b BW. B.D.S. c.s. hebben onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld voor toewijzing van de expertisekosten op een andere grondslag.
Eiltank moet de buitengerechtelijke kosten vergoeden
3.37.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen nu daartegen geen verweer is gevoerd. B.D.S. c.s. hebben de hoogte van deze kosten begroot overeenkomstig de staffel uit het Besluit BIK, alhoewel dit besluit strikt genomen niet van toepassing is. Na wijziging van eis waarbij B.D.S. c.s. de gevorderde hoofdsom hebben verlaagd van € 300.000,00 naar € 150.000,00, hebben zij het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten echter niet verlaagd. De rechtbank zal dit alsnog doen en wijst, gelet op de toegewezen hoofdsom, een bedrag ad € 1.975,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toe.
Eiltank moet de proceskosten betalen
3.38.
Eiltank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van B.D.S. c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 112,37
- griffierecht € 6.617,00
- salaris advocaat € 7.178,50 (3,5 punten × tarief € 2.051,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 14.096,87
3.39.
De gevorderde rente over de proces- en nakosten wordt toegewezen.
Eiltank moet de kosten van de gerechtsdeskundige vergoeden
3.40.
De kosten van de deskundige bedragen volgens zijn opgave € 12.624,61. Geen van partijen heeft bezwaar gemaakt tegen de eindnota van de deskundige, zodat de rechtbank van oordeel is dat de deskundige in redelijkheid een bedrag van € 12.624,61 heeft gefactureerd. De rechtbank zal het loon van de deskundige daarom begroten op het bedrag van de eindnota van € 12.624,61. Eiltank dient als de in het ongelijk gestelde partij dit bedrag te vergoeden aan B.D.S. c.s.
Dit bedrag is lager dan het voorschot van € 12.800,00 dat door B.D.S. c.s. is voldaan. Het verschil (€ 12.800,00 - € 12.624,61 =) € 175,39 dient door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) aan B.D.S. c.s. te worden terugbetaald.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.41.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat B.D.S. c.s. dat eisen en Eiltank daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
veroordeelt Eiltank om aan B.D.S. c.s. te betalen € 120.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 26 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt Eiltank tot betaling aan B.D.S. c.s. van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.975,00;
4.3.
veroordeelt Eiltank in de proceskosten van € 14.096,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Eiltank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Eiltank € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.4.
veroordeelt Eiltank in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.5.
veroordeelt Eiltank tot betaling aan B.D.S. c.s. van € 12.624,61 aan kosten van de gerechtsdeskundige;
4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
verstaat dat het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) € 175,39 aan B.D.S. c.s. terugbetaalt;
4.8.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
2459/615/320
Zie het deskundigenrapport hoofdstuk 10 “Reactie van deskundige op opmerkingen en verzoeken”
Zie het vonnis van 26 maart 2025 r.o. 2.14 tot en met 2.22
Vgl. Hof Den Haag 27 januari 2026, S&S 2026/58
Zie het vonnis van 26 maart 2025, r.o. 2.30
Zie het vonnis van 26 maart 2025 r.o. 2.21
Zie het deskundigenrapport pagina 22
Productie E13
Zie het deskundigenrapport pagina’s 25 en 26
Zie het deskundigenrapport pagina’s 28 en 29 en Annex 7
Zie het vonnis van 26 maart 2025 r.o. 2.3
Productie E14
Zie het vonnis van 26 maart 2025 r.o. 2.23
Zie het deskundigenrapport pagina 31
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/684402 / HA ZA 24-712
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.D.S. HARLINGEN B.V.,
gevestigd te Harlingen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIJMA B.V.,
gevestigd te Zuidbroek,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIJMA BEHEER B.V.,
gevestigd te Zuidbroek,
eiseressen,
advocaat mr. P.J. Hoepel te Rotterdam,
tegen
de rechtspersoon naar Duits recht
EILTANK SCHIFFAHRT GMBH & CO CHEMIE TRANSPORT KG.,
gevestigd te Aschaffenburg, Duitsland,
gedaagde,
advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda.
Eiseres sub 1 wordt hierna B.D.S. genoemd, eiseres sub 2 Bijma en eiseres sub 3 Bijma Beheer. Eiseressen worden hierna gezamenlijk B.D.S. c.s. genoemd. Gedaagde wordt hierna Eiltank genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het vonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde processtukken;
het vonnis van 23 juli 2025 en de daarin genoemde processtukken;
het deskundigenrapport van Marinsal Consultants B.V. van 26 november 2025 met bijlagen 1 tot en met 11 (hierna: het deskundigenrapport);
de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende wijziging van eis van B.D.S. c.s. met productie E16;
de conclusie na deskundigenbericht van Eiltank;
de e-mail van de rechtbank van 8 april 2026 waarin onder meer aan partijen in overweging is gegeven om gezamenlijk tot een inschatting van de geredde waarde van het schip te komen;
de e-mail van mr. Van Zuethem van 4 mei 2026 waarin is aangegeven dat partijen in overleg tot een geredde waarde van het schip zijn gekomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaak op hoofdlijnen
Waar gaat de zaak over?
2.1.
In de vroege ochtend van 26 mei 2023 is het binnenvaartschip Ursula Valentin (hierna: het schip), eigendom van Eiltank, aangevangen haar lading, die bestond uit vloeibare bitumen, te lossen bij de lossteiger van het bedrijf JPB Logistics B.V. in de haven te Farmsum. Tijdens het lossen is als gevolg van een mechanisch defect een tank overgelopen en is bitumen in de tanktunnel en in het water terecht gekomen. Enige tijd later is brand ontstaan aan boord van het schip. Rond 07:20 uur zijn B.D.S. en Bijma met de sleepboot Gruno IV (hierna ook: de sleepboot), eigendom van Bijma Beheer, ter plaatse gekomen en hebben hulpverleningswerkzaamheden verricht.
2.2.
B.D.S. c.s. stellen dat zij succesvol hulp hebben verleend aan het in gevaar verkerende schip en dus recht hebben op betaling van een redelijk hulploon. B.D.S. c.s. vorderen - na de laatste wijziging van eis bij conclusie na deskundigenbericht - veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Eiltank tot betaling van:
- € 150.000,00 aan hulploon, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 26 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
- € 7.719,80 en € 3.581,60 aan vergoedingen voor expertisekosten;
- € 12.624,61 aan vergoeding van de kosten van de gerechtsdeskundige;
- € 3.275,00 aan vergoeding van de buitengerechtelijke kosten;
- de (na)kosten van het geding met rente.
2.3.
Eiltank meent dat B.D.S. c.s. geen recht hebben op (het gevorderde) hulploon. Primair betwist Eiltank dat sprake is van hulpverlening (die recht geeft op hulploon). Subsidiair betwist Eiltank de hoogte van het gevorderde hulploon.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat B.D.S. c.s. hulpverlening hebben verricht
2.4.
In het vonnis van 26 maart 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 werkzaamheden hebben verricht die vallen onder hulpverlening als bedoeld in artikel 1 Hulpverleningsverdrag 1989. De werkzaamheden die B.D.S. c.s. in de dagen na het incident stellen te hebben verricht om bitumen op te ruimen vallen buiten het bestek van hulpverlening, omdat toen geen sprake (meer) was van gevaar. De vraag of B.D.S. c.s. recht hebben op hulploon kon de rechtbank nog niet beantwoorden, omdat hiervoor eerst vast moest komen te staan of de werkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 hebben geleid tot een gunstig gevolg voor het schip en/of de lading. Op dat punt wenste de rechtbank voorlichting door een deskundige en is vervolgens een deskundige benoemd die een deskundigenrapport heeft uitgebracht.
De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat Eiltank € 120.000,00 aan hulploon aan B.D.S. c.s. moet betalen
2.5.
Naar aanleiding van het deskundigenrapport oordeelt de rechtbank dat de hulpverlening van B.D.S. c.s. een gunstig gevolg heeft gehad. Dit tezamen met het oordeel dat deze werkzaamheden vallen onder hulpverlening als bedoeld in artikel 1 Hulpverleningsverdrag 1989, maakt dat B.D.S. c.s. recht hebben op hulploon. Gezien de criteria in artikel 13 lid 1 Hulpverleningsverdrag 1989 en met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening stelt de rechtbank het hulploon vast op € 120.000,00.
Hierna wordt toegelicht hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
3De verdere beoordeling
De hulpverlening heeft een gunstig gevolg gehad
3.1.
Van een gunstig gevolg is sprake als aan het einde van de hulpverlening het in gevaar verkerende schip of de zaken zijn gered of de hulpverlening tot hun redding heeft bijgedragen. Bij vonnis van 23 juli 2025 heeft de rechtbank de heer A.W. Herrebout , senior maritiem consultant bij Marinsal Consultants B.V. (hierna: de deskundige), tot deskundige benoemd en aan hem de vraag voorgelegd:
“In hoeverre hebben de hulpverleningswerkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 een gunstig gevolg gehad voor het schip en/of de lading in die zin dat de werkzaamheden hebben bijgedragen aan de redding van het schip en/of de lading?”
3.2.
De deskundige heeft naar aanleiding van deze vraag in het deskundigenrapport geconcludeerd:
“B.D.S. c.s. hebben naar mijn mening succesvol hulpverleningswerkzaamheden uitgevoerd aan boord van de Ursula Valentin. Deze werkzaamheden hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de redding van het schip en de lading. De brandweer heeft, ondanks de massale uitruk, geen noemenswaardige rol gespeeld in de bestrijding van de brand.
De hulpverleningswerkzaamheden hebben tot gevolg gehad dat de lading in een goede conditie kon worden overgeslagen naar een ander schip. Met name voor de lading in tank 4 was dit cruciaal, gelet op de schade aan de leidingen in de leidingtunnel boven de tank. Vertraging in de hulpverlening zou hebben geleid tot een verlies van een gedeelte van de lading.
De grote schade rond tank 4 is ontstaan als gevolg van de brand en had niet door B.D.S. c.s. kunnen worden voorkomen, tenzij zij eerder waren gevraagd om assistentie te verlenen aan het schip.
Kort na het wegslepen van het schip van de steiger van JPB Logistics nam de brand sterk af, waarschijnlijk doordat het grootste deel van de brandstof was verbrand. De brand kwam hierdoor in de doof-fase, maar was nog niet onder controle of geblust. De blus- en koelwerkzaamheden van B.D.S. c.s. hebben de brand onder controle gebracht, geblust en voorkomen dat een secundaire brandhaard is ontstaan aan boord. Daarmee is verdere schade aan het schip voorkomen.
Het argument van B.D.S. c.s. dat zij door het verlenen van hulp hebben voorkomen dat het schip volledig zou uitbranden en zinken is onterecht. Het risico dat het schip zou zinken zou alleen reëel zijn geweest als één of meerdere van de ladingtanks bij de brand waren betrokken en dat was niet het geval, de brand woedde aan dek van het schip. De hitte van de brand werd door geleiding wel door de constructie van het schip geleid, maar het is niet aannemelijk dat dit zou hebben geleid tot ontbranding van de bitumen in een van de ladingtanks.”
3.3.
B.D.S. c.s. hebben in hun conclusie na deskundigenbericht de conclusie van de deskundige overgenomen en geen inhoudelijke bezwaren tegen het deskundigenrapport aangevoerd.
3.4.
Eiltank heeft in haar conclusie na deskundigenbericht het volgende geconcludeerd:
“Gelet op de vaststellingen in het deskundigenbericht, in samenhang bezien met het commentaar in Annex 4 bij het deskundigenbericht, staat vast dat de werkzaamheden van eisers niet hebben geleid tot daadwerkelijke redding van het schip. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de inzet van eisers het overslaan van de lading uit tank 4 heeft vergemakkelijkt betreft dit slechts een beperkt gedeelte van de totale lading, waardoor geen sprake is van substantiële redding van de lading. De brand nam vanzelf in intensiteit af door het opbranden van de brandstof, het gebruik van water bij een bitumenbrand was risicovol en heeft niet geleid tot het verminderen van de brand, de brandweer zou de situatie ook zonder inzet van eisers onder controle hebben gekregen en van een risico tot zinken van het schip of verlies van lading is geen sprake geweest. De werkzaamheden van Gruno hebben slechts met betrekking tot de lading in tank 4 een gunstig gevolg gehad in die zin dat de lading uit tank 4 niet is uitgehard en kon worden overgeslagen in de "Eiltank 43", die door gedaagde voor de overslag werd ingezet.”
3.5.
De rechtbank overweegt dat Eiltank in haar conclusie na deskundigenbericht wijst op losse vaststellingen in het deskundigenrapport en daar vervolgens zelf de conclusie aan verbindt dat geen sprake is geweest van een gunstig gevolg voor het schip. Voorts neemt Eiltank stellingen in die haaks staan op de bevindingen in het deskundigenrapport. De rechtbank gaat hier niet in mee. De deskundige heeft op heldere wijze onderbouwd hoe hij op basis van zijn gehele onderzoek tot zijn conclusie is gekomen. Het commentaar van Eiltank in Annex 10 (de rechtbank begrijpt dat Eiltank met “Annex 4” doelt op “Annex 10” waarin haar commentaar is opgenomen) waar Eiltank naar verwijst betreft haar commentaar op het conceptrapport. Dit commentaar is door de deskundige meegenomen in zijn eindrapport en hij is in zijn eindrapport ook inhoudelijk ingegaan op dit commentaar. De conclusie van de deskundige was (in het conceptrapport) en blijft (in het eindrapport) dat de werkzaamheden van B.D.S. c.s. in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de redding van het schip en de lading. De rechtbank acht de bevindingen en de daarop gegronde conclusies van de deskundige goed onderbouwd en overtuigend en zal deze overnemen.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de hulpverleningswerkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de redding van het schip en de lading.
B.D.S. c.s. hebben recht op hulploon
3.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de werkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 hebben geleid tot een gunstig gevolg voor het schip en de lading. Dit tezamen met het oordeel van de rechtbank dat deze werkzaamheden vallen onder hulpverlening als bedoeld in artikel 1 Hulpverleningsverdrag 1989 maakt dat B.D.S. c.s. recht hebben op hulploon.
3.7.
Voor zover Eiltank heeft willen betogen dat B.D.S. c.s. geen recht hebben op hulploon, omdat de hulpverleningswerkzaamheden niet hebben geleid tot het afwenden van een reëel risico tot zinken, overweegt de rechtbank dat dit betoog eraan voorbij ziet dat is voldaan aan de voorwaarde voor aanspraak op hulploon dat sprake was van gevaar voor het schip en haar lading. Met Eiltank gaat de rechtbank ervan uit dat het gevaar als gevolg van de brand niet zo groot was dat het schip volledig zou uitbranden en zinken (zie hierna onder 3.18) en dat dit van belang is voor de hoogte van het vast te stellen hulploon, maar dit betekent niet dat alleen hulploon is verschuldigd bij bewijs voor gevaar van ‘totaalverlies’ van schip en lading.
De hoogte van het hulploon
3.8.
Ingevolge artikel 13 lid 1 Hulpverleningsverdrag 1989 wordt het bedrag van het hulploon met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening vastgesteld rekening houdend met de volgende criteria:
de geredde waarde van het schip en de andere goederen;
de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu;
de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag;
e aard en ernst van het gevaar;
de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;
de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;
het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico's;
de snelheid van de verleende diensten;
de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting;
de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners.
3.9.
De rechtbank zal hierna bespreken wat partijen over deze criteria hebben aangevoerd en haar oordeel geven.
a.) De geredde waarde van het schip en de andere goederen
3.10.
Het moment waarop de geredde waarde wordt vastgesteld is direct na beëindiging van de hulpverlening aan de hand van de dan geldende marktwaarde van het schip en de lading. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de lading (de bitumen) na het incident € 415.426,22 was. De rechtbank stelt de geredde waarde van de lading dan ook vast op dit bedrag.
3.11.
De marktwaarde van het schip direct na beëindiging van de hulpverlening is in deze zaak niet vastgesteld. Partijen hebben voor de vaststelling van de marktwaarde van het schip (aanvankelijk) aansluiting gezocht bij de waarde van het schip voorafgaand aan de brand minus de reparatiekosten. Beide partijen gaan ervan uit dat de waarde van het schip voorafgaand aan de brand € 2.950.000,00 was, maar zij verschillen van mening over de hoogte van de reparatiekosten.
3.12.
De rechtbank heeft partijen vanuit proceseconomisch oogpunt in overweging gegeven om gezamenlijk in overleg tot een grove c.q. voor beide partijen acceptabele inschatting van de geredde waarde van het schip te komen. Hierop hebben partijen laten weten in overleg gekomen te zijn tot een geredde waarde van het schip in eerste aanleg van € 1.450.000,00. In een eventueel hoger beroep behouden partijen zich het recht voor een afwijkende waarde te betogen. In dit vonnis zal de rechtbank uitgaan van de tussen partijen overeengekomen geredde waarde van het schip van € 1.450.000,00.
3.13.
De rechtbank stelt de totale geredde waarde van het schip en andere goederen dan ook vast op (€ 1.450.000,00 + € 415.426,22 =) € 1.865.426,22.
b.) De vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of beperken van schade aan het milieu
3.14.
In het vonnis van 26 maart 2025 is geoordeeld dat de door B.D.S. c.s. gestelde werkzaamheden ten behoeve van het opruimen van bitumen in de dagen ná het incident buiten het bestek van de hulpverlening vallen. Met deze werkzaamheden zal bij het bepalen van de hoogte van het hulploon dan ook geen rekening worden gehouden. Dit neemt echter niet weg dat met de hulpverlening door B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 mogelijk wel schade aan het milieu is voorkomen of beperkt.
3.15.
B.D.S. c.s. hebben gesteld dat dankzij hun professionele optreden een enorme milieuramp is voorkomen. Eiltank heeft hier tegen aangevoerd dat gevaar voor het milieu slechts bestond op het moment van het lekken van de bitumen en dat zij opdracht heeft gegeven aan HEBO om de gelekte bitumen te verwijderen.
3.16.
De deskundige heeft gerapporteerd dat de milieubeschermende maatregelen door B.D.S. c.s. bestonden uit het verlenen van hulp aan het schip op een zodanige manier dat de lading veilig kon worden gelost, waardoor werd voorkomen dat er nog bitumen uit het schip kon lekken. In het door B.D.S. c.s. overgelegd advies van Rijkswaterstaat van 26 mei 2023 staat vermeld:
“Er is 20 m3 bitumen in het water terecht gekomen van het Zeehaven kanaal te Delfzijl. De verwachting is dat deze stof nauwelijks verspreidt op en in het water en na ongeveer een halve dag op de oever blijft plakken. Acute effecten op het aquatisch milieu worden niet verwacht. Effecten op de lange termijn kunnen niet worden uitgesloten.
Geadviseerd wordt de op het water drijvende bitumen zo snel mogelijk te ruimen en de oever schoon te maken.”
Tussen partijen is niet in geschil dat de bitumen die op 26 mei 2023 uit het schip is gelekt snel is opgeruimd. Zij twisten wel over de vraag door wie en in wiens opdracht dat is gedaan.
3.17.
Nu uit bovenstaande volgt dat acute effecten van gelekte bitumen op het aquatisch milieu niet waren te verwachten en vast staat dat gelekte bitumen snel kon worden opgeruimd, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat met de werkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 een ‘enorme milieuramp is voorkomen’, zoals B.D.S. c.s. stellen, of dat op andere wijze is bijgedragen aan het voorkomen of beperken van schade aan het milieu.
c. en d.) De mate van door hulpverlening verkregen gunstige uitslag en de aard en ernst van het gevaar
3.18.
Partijen gaan er beide vanuit dat sprake is geweest van gevaar voor het schip en de lading als gevolg van de brand. Eiltank heeft in dit verband wel aangevoerd dat het onjuist is dat - zoals B.D.S. c.s. stellen - het schip zonder hulp volledig zou zijn uitgebrand. De rechtbank volgt Eiltank hierin, omdat de deskundige concludeert dat het argument van B.D.S. c.s. dat zij door het verlenen van hulp hebben voorkomen dat het schip volledig zou uitbranden en zinken onterecht is.
De rechtbank stelt - in lijn met de conclusie van de deskundige - vast dat de werkzaamheden van B.D.S. c.s. in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de redding van het schip en de lading.
3.19.
De rechtbank houdt hierbij ook rekening met het feit dat Eiltank geheel afhankelijk was van hulpverlening door B.D.S. c.s. aangezien - zoals de deskundige opmerkt - voor zover hem bekend de Veiligheidsregio Groningen geen specifieke kennis, ervaring of middelen voor de bestrijding van brand aan boord van schepen heeft en de brandweer, ondanks de massale uitruk, geen noemenswaardige rol heeft gespeeld bij de bestrijding van de brand.
e.) De vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens
3.20.
B.D.S. c.s. hebben gesteld dat zij zeer vakkundig en doortastend hebben opgetreden. Eiltank heeft in dit verband aangevoerd dat de vaardigheden en kennis van de bemanning van de sleepboot bij het blussen van de brand ontoereikend waren, aangezien zij probeerde het vuur met water te blussen. Voorts heeft Eiltank erop gewezen dat de brandbestrijdingsuitrusting van de Gruno IV volgens haar niet geschikt was om de brand te blussen, aangezien de Gruno IV slechts over waterblusapparatuur beschikte.
3.21.
De deskundige rapporteert dat de kritiek op de uitrustig van de Gruno IV wat betreft brandbestrijding misplaatst is. Hij wijst er samengevat op dat:
een vloeistofbrand bij voorkeur niet moet worden geblust met water;
van een sleepboot met brandbestrijdingscapaciteit niet mag worden verwacht dat een schuimvormend middel of bluspoeder aan boord is;
als er geen betere blusmiddelen beschikbaar zijn, gekeken moet worden naar de mogelijkheid om water wel te kunnen gebruiken;
water een groot koelend vermogen heeft dat kan worden gebruikt bij de bestrijding van een vloeistofbrand, maar dat voorkomen moet worden dat een sterke waterstraal direct op de bitumen wordt gespoten;
uit foto’s en video’s blijkt dat de Gruno IV de juiste techniek heeft toegepast bij de bestrijding van de brand aan boord van het schip; nergens is te zien dat de monitor direct op de vlammen is gericht, maar deze was altijd gericht boven of naast de brand.
3.22.
Gezien de bevindingen van de deskundige verwerpt de rechtbank het standpunt van Eiltank dat de vaardigheden en kennis van de bemanning van de sleepboot bij het blussen van de brand ontoereikend waren. De rechtbank wijst verder op de hulpverleningswerkzaamheden die B.D.S. c.s. naast het koelen van het schip hebben verricht, te weten: het wegslepen van een brandend schip en het - terecht (zie hierna onder 3.24) - blijven monitoren van de temperatuur van het schip ook nadat de brandweer het sein brandmeester had gegeven. De rechtbank stelt dan ook vast dat B.D.S. c.s. vakkundig en doortastend hebben opgetreden bij de redding van het schip en de lading.
f. en h.) De door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen en de snelheid van de verleende diensten
3.23.
Tussen partijen is niet in geschil dat B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 zeer snel ter plaatse waren om hulp te verlenen. Volgens B.D.S. c.s. heeft de totale hulpverlening ruim negen uur in beslag genomen. Volgens Eiltank duurde de hulpverlening niet langer dan twee uur, omdat om 10:00 uur de brand volledig onder controle was en het sein brandmeester werd gegeven.
3.24.
De rechtbank overweegt dat de hulpverlening voortduurt zolang sprake is van gevaar. Het feit dat de brandweer om 10:00 uur het sein brandmeester had gegeven betekent niet dat geen sprake meer was van gevaar. De deskundige merkt hierover op dat het sein brandmeester betekent dat de brand niet meer dreigt uit te breiden en het vuur onder controle is, maar dat dit niet het betekent dat de brand ook volledig uit is, want het nablussen is nog nodig. Het nablussen is uitgevoerd door de Gruno IV, waarbij de temperaturen aan dek werden gemeten met een digitale thermometer; op die wijze konden B.D.S. c.s. de situatie aan boord controleren. Rond 12:00 uur begonnen de temperaturen aan dek van het schip weer op te lopen en zijn B.D.S. c.s. opnieuw begonnen met het koelen van het schip. Dit proces is in de middag doorgegaan ook nadat de bemanning van het schip weer was terug gekomen aan boord. In de middag heeft het schip zelf met haar eigen brandbluspomp en de dekwas voor koelwater aan dek gezorgd. Hiervoor zijn (deels) brandslangen van de Gruno IV gebruikt. Nadat de brand aan boord was geblust en de situatie onder controle was gebracht, is het schip om 15:25 uur door de Gruno IV van de Aldel steiger naar de steiger van Contitank gesleept.
Voor de vaststelling van het hulploon zal de rechtbank daarom uitgaan van een totale duur van de hulpoperatie vanaf ongeveer 07:20 uur (het moment waarop B.D.S. c.s. ter plaatse waren) tot 15:25 uur: in totaal bijna negen uur.
3.25.
Als onweersproken staat vast dat B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 voor € 20.044,48 aan materieel hebben ingezet bestaande uit interventie teams, werkbussen, skimmers, olie-absorptiematerialen, een oliescherm en een werkschip.
g.) Het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen risico's
3.26.
B.D.S. c.s. stellen dat grote risico’s zijn gelopen bij de hulpverlening, zowel voor wat betreft het ingezette materiaal als voor ingezette mensen. Volgens Eiltank was er geen risico op overslaan van brand en hebben de hulpverleners zonder noemenswaardig gevaar voor eigen leven kunnen werken. Eiltank wijst op het feit dat de stalen draden van het schip waarmee het schip vastlag aan de steiger reeds door de bemanning van het schip waren losgemaakt zodat het schip eenvoudig van de steiger weg kon worden gesleept. De sleeplijn kon voorop aan het schip worden bevestigd, ver weg van de brandhaard en de hulpverleners aan boord van de sleepboot bevonden zich tijdens het slepen op ruime afstand van de brand.
3.27.
Gezien deze gemotiveerde betwisting van Eiltank die door B.D.S. c.s. niet is weersproken gaat de rechtbank ervan uit dat geen sprake is geweest van risico’s waarmee bij de bepaling van de hoogte van het hulploon rekening moet worden gehouden.
i. en j.) De beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde uitrusting en de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de hulpverleners
3.28.
Als onweersproken staat het volgende vast. B.D.S. staat 24 uren per dag en zeven dagen per week klaar om hulp te verlenen aan schepen in nood in het kustgebied van de Nederlandse Waddenzee. B.D.S. beschikt over een vloot van speciaal uitgeruste schepen ten behoeve van hulpverlening alsook over een omvangrijke uitrusting van materieel ten behoeve van calamiteitenbestrijding
Bijma is in opdracht van B.D.S. continu inzetbaar voor bestrijding van calamiteiten in de haven van Delfzijl en Farmsum.
De sleepboot Gruno IV beschikt over speciale blusapparatuur die voldoet aan alle (ADR-) normen. De deskundige schrijft hierover onder meer:
“De Gruno IV is een sleepboot die is uitgerust met twee brandblusmonitors die boven de stuurhut zijn geplaatst. Aan boord is een brandbluspomp geplaatst met een capaciteit van 750 m3/uur. (….) Dit is ook wat verwacht mag worden van een sleepboot met brandbestrijdingscapaciteit.”
De verzekerde waarde van de Gruno IV inclusief haar apparatuur bedraagt € 4.000.000,00.
Voorts staat vast dat B.D.S. en Bijma met de Gruno IV op 26 mei 2023 zeer snel ter plaatse waren.
3.29.
Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat B.D.S. c.s. terstond gereed waren voor de hulpverlening die van hen werd gevraagd en de juiste materialen beschikbaar hadden en hebben ingezet.
Niet is vast komen staan dat potentiële aansprakelijkheden zijn voorkomen
3.30.
Volgens B.D.S. c.s. moet bij het bepalen van de hoogte van het hulploon ook worden meegewogen dat zonder de inzet van B.D.S. c.s. de totale schade aan de terminal met enkele tonnen was toegenomen en de steiger voor meerdere weken niet had kunnen worden gebruikt. B.D.S. c.s. stellen dat het vuur zich naar de laadarmen van de naastgelegen terminal had kunnen verspreiden. De laadarm ‘MLA’ op de JPB-steiger bevond zich op een afstand van slechts tien meter van de vlammen en de brandende houten delen van de steiger en bovendien bevatten de leidingen op de steiger diverse chemische producten. Het voorkomen van potentiële aansprakelijkheden kwalificeert ook als hulpverleningswerkzaamheid, aldus steeds B.D.S. c.s.
3.31.
Eiltank heeft aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat het vuur zich naar de terminal had kunnen verspreiden en dat het beschermen van de steiger en terminal niet onder de hulpverlening aan het schip valt.
3.32.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat als de hulpverlening van B.D.S. c.s. heeft bijgedragen aan het ontkomen van mogelijke aansprakelijkheden voor schade van de JPB steiger / terminal, dit een bijkomende omstandigheid is die in aanmerking kan worden genomen bij het vaststellen van de hoogte van het hulploon. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet vast komen te staan dat potentiële aansprakelijkheden zijn voorkomen. De deskundige heeft namelijk gerapporteerd dat verwacht mag worden dat de brandweer het vuur bovenop de steiger onder controle zou hebben gekregen zonder de inzet van hulpverleners en dat de laadarmen van de terminal met een waterscherm van de brandweer konden worden afgeschermd, zodat het onwaarschijnlijk is dat deze ook in brand zouden zijn gevlogen. Gezien de betwisting van Eiltank en de bevindingen van de deskundige hebben B.D.S. c.s. naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd dat potentiële aansprakelijkheden zijn voorkomen. De rechtbank houdt hiermee geen rekening bij de bepaling van de hoogte van het hulploon.
Conclusie: Eiltank moet € 120.000,00 aan hulploon betalen
3.33.
Bij de beoordeling van de criteria uit artikel 13 lid 1 Hulpverleningsverdrag 1989 heeft de rechtbank samengevat geoordeeld dat:
de geredde waarde van het schip en andere goederen € 1.865.426,22 bedraagt;
niet is komen vast te staan te staan dat met de werkzaamheden van B.D.S. c.s. op 26 mei 2023 is bijgedragen aan het voorkomen of beperken van schade aan het milieu;
sprake is geweest van gevaar voor het schip en de lading als gevolg van de brand, waarbij het gevaar niet zo groot is geweest dat het schip volledig zou uitbranden en zinken zonder de hulpverlening;
B.D.S. c.s. in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de redding van het schip en de lading;
B.D.S. c.s. vakkundig en doortastend hebben opgetreden;
B.D.S. c.s. zeer snel ter plaatse waren, bijna negen uur hulp hebben verleend en voor ruim € 20.000,00 aan materieel hebben ingezet;
geen sprake is geweest van risico’s waarmee bij de bepaling van de hoogte van het hulploon rekening moet worden gehouden;
B.D.S. c.s. terstond gereed waren voor de hulpverlening die van hen werd gevraagd en de juiste materialen beschikbaar hadden en hebben ingezet.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat potentiële aansprakelijkheden zijn voorkomen door het optreden van B.D.S. c.s.
Rekening houdend met deze beoordeling van de criteria en met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening stelt de rechtbank het hulploon vast op € 120.000,00.
3.34.
De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen zoals gevorderd. Het gaat daarbij om de wettelijke rente van artikel 6:119 BW.
De expertisekosten worden afgewezen
3.35.
B.D.S. c.s. hebben de kosten voor het inschakelen van deskundigen gevorderd op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. Zij vorderen de kosten van het expertisebureau Eelsing dat een rapport van bevindingen heeft opgesteld over de door B.D.S. c.s. geboden hulpverlening en het (naar haar oordeel) redelijk hulploon. Daarnaast vorderen zij de kosten van expertisebureau BMT dat B.D.S. c.s. hebben ingeschakeld om de door Eiltank gestelde schadeomvang van het schip te beoordelen. De kosten van BMT kwalificeren volgens B.D.S. c.s. bovendien als kosten gemaakt ter vaststelling van de omvang van het te vergoeden hulploon, omdat de reparatiekosten invloed hebben op de hoogte van de geredde waarde.
3.36.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De vordering tot betaling van hulploon is geen schadevergoedingsvordering, zodat B.D.S. c.s. geen aanspraak hebben op vergoeding van de redelijke kosten van vaststelling van aansprakelijkheid en schade op grond van artikel 6:96 lid 2 onderdeel b BW. B.D.S. c.s. hebben onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld voor toewijzing van de expertisekosten op een andere grondslag.
Eiltank moet de buitengerechtelijke kosten vergoeden
3.37.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen nu daartegen geen verweer is gevoerd. B.D.S. c.s. hebben de hoogte van deze kosten begroot overeenkomstig de staffel uit het Besluit BIK, alhoewel dit besluit strikt genomen niet van toepassing is. Na wijziging van eis waarbij B.D.S. c.s. de gevorderde hoofdsom hebben verlaagd van € 300.000,00 naar € 150.000,00, hebben zij het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten echter niet verlaagd. De rechtbank zal dit alsnog doen en wijst, gelet op de toegewezen hoofdsom, een bedrag ad € 1.975,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toe.
Eiltank moet de proceskosten betalen
3.38.
Eiltank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van B.D.S. c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 112,37
- griffierecht € 6.617,00
- salaris advocaat € 7.178,50 (3,5 punten × tarief € 2.051,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 14.096,87
3.39.
De gevorderde rente over de proces- en nakosten wordt toegewezen.
Eiltank moet de kosten van de gerechtsdeskundige vergoeden
3.40.
De kosten van de deskundige bedragen volgens zijn opgave € 12.624,61. Geen van partijen heeft bezwaar gemaakt tegen de eindnota van de deskundige, zodat de rechtbank van oordeel is dat de deskundige in redelijkheid een bedrag van € 12.624,61 heeft gefactureerd. De rechtbank zal het loon van de deskundige daarom begroten op het bedrag van de eindnota van € 12.624,61. Eiltank dient als de in het ongelijk gestelde partij dit bedrag te vergoeden aan B.D.S. c.s.
Dit bedrag is lager dan het voorschot van € 12.800,00 dat door B.D.S. c.s. is voldaan. Het verschil (€ 12.800,00 - € 12.624,61 =) € 175,39 dient door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) aan B.D.S. c.s. te worden terugbetaald.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.41.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat B.D.S. c.s. dat eisen en Eiltank daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
veroordeelt Eiltank om aan B.D.S. c.s. te betalen € 120.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 26 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt Eiltank tot betaling aan B.D.S. c.s. van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.975,00;
4.3.
veroordeelt Eiltank in de proceskosten van € 14.096,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Eiltank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Eiltank € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.4.
veroordeelt Eiltank in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.5.
veroordeelt Eiltank tot betaling aan B.D.S. c.s. van € 12.624,61 aan kosten van de gerechtsdeskundige;
4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
verstaat dat het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) € 175,39 aan B.D.S. c.s. terugbetaalt;
4.8.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
2459/615/320
Zie het deskundigenrapport hoofdstuk 10 “Reactie van deskundige op opmerkingen en verzoeken”
Zie het vonnis van 26 maart 2025 r.o. 2.14 tot en met 2.22
Vgl. Hof Den Haag 27 januari 2026, S&S 2026/58
Zie het vonnis van 26 maart 2025, r.o. 2.30
Zie het vonnis van 26 maart 2025 r.o. 2.21
Zie het deskundigenrapport pagina 22
Productie E13
Zie het deskundigenrapport pagina’s 25 en 26
Zie het deskundigenrapport pagina’s 28 en 29 en Annex 7
Zie het vonnis van 26 maart 2025 r.o. 2.3
Productie E14
Zie het vonnis van 26 maart 2025 r.o. 2.23
Zie het deskundigenrapport pagina 31