Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9137

2026-07-27 Bestuursrecht ROT 25/7163
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-07-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/7163
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Varia, mondelinge uitspraak. De minister heeft toegelicht dat het verzendproces van DUO volledig is geautomatiseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de administratiesystemen die DUO hanteert bij deze verzendprocessen, voldoende waarborgen bieden om te kunnen controleren dat brieven daadwerkelijk ter post zijn bezorgd. Eiser heeft het vermoeden van ontvangst niet ontzenuwd. De enkele stelling dat eiser de brief niet heeft ontvangen, is onvoldoende om dat vermoeden te ontzenuwen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.748 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/7163


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),


en


de minister van Werk en Participatie, de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).




Procesverloop


De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft met het primaire besluit van 19 februari 2025 aan eiser een boete opgelegd. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 op het bezwaar van eiser heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.



Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. O.C. Bozbiyik, als waarnemer van mr. N. Talhaoui, en de gemachtigde van de minister (via een digitale verbinding).




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Motivering

1. In deze zaak gaat het om de vraag of eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt. Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst worden vastgesteld wanneer eiser het primaire besluit heeft ontvangen.

2. Eiser betwist de ontvangst van het primaire besluit. De minister moet daarom de verzending aannemelijk maken. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister daarin geslaagd. Het primaire besluit is opgesteld en verzonden door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). De minister heeft toegelicht dat het verzendproces van DUO volledig is geautomatiseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de administratiesystemen die DUO hanteert bij deze verzendprocessen, voldoende waarborgen bieden om te kunnen controleren dat brieven daadwerkelijk ter post zijn bezorgd. Uit de verzendadministratie volgt dat het primaire besluit op 19 februari 2026 is afgedrukt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat verzending van dat besluit op dezelfde dag heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft vanwege de automatisering van het verzendproces geen reden om daaraan te twijfelen. Verder staat niet ter discussie dat het besluit naar het juiste adres is verstuurd.

3. Eiser heeft het vermoeden van ontvangst niet ontzenuwd. De enkele stelling dat eiser de brief niet heeft ontvangen, is onvoldoende om dat vermoeden te ontzenuwen. Eiser heeft nog aangevoerd dat het besluit, gelet op het punitieve karakter ervan, per aangetekende post had moeten worden verzonden. Er is echter geen rechtsregel die daartoe verplicht.

4. Het moet er dus voor worden gehouden dat eiser het primaire besluit kort na 19 februari 2026 heeft ontvangen. Dat betekent dat eiser te laat, namelijk pas op 26 juni 2025, bezwaar heeft gemaakt.

5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er omstandigheden zijn die maken dat de overschrijding van de bezwaartermijn hem niet valt toe te rekenen en dus verschoonbaar is. De enkele omstandigheid dat het om een boetebesluit gaat, dat een punitief karakter heeft, is onvoldoende.

6. De minister heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026 door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2637.