Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9099
2026-07-27
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/8356
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over het kwijtscheldingsverzoek van eiser van de openstaande vordering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de criteria voor kwijtschelding.
Citeert (5)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1787 Centrale Raad van Beroep 05-12-2025
- ECLI:NL:CRVB:2026:239 Centrale Raad van Beroep 04-03-2026
- ECLI:NL:CRVB:2025:1895 Centrale Raad van Beroep 16-12-2025
- ECLI:NL:CRVB:2019:2458 Centrale Raad van Beroep 24-07-2019
- ECLI:NL:CRVB:2020:1802 Centrale Raad van Beroep 10-08-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.795 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8356
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het kwijtscheldingsverzoek van eiser van de openstaande vordering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de criteria voor kwijtschelding.
Procesverloop
1. Met het besluit van 22 mei 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV het verzoek van eiser om kwijtschelding van de openstaande vordering afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding.
1.1. Met het besluit van 12 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding gebleven. Het UWV heeft eisers bezwaren tegen het primaire besluit ook opgevat als herzieningsverzoek tegen de terugvordering en dit verzoek doorverwezen naar de afdeling Handhaven van het UWV.
1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. Eiser heeft op 20 april 2026 aanvullende gronden ingediend. Het UWV heeft op
7 mei 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het UWV. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1. Eiser ontvangt een Wajong-uitkering. Met een beslissing van 24 maart 2020 heeft het UWV een bedrag van bruto € 8.786,25 van eiser teruggevorderd, omdat hij over de periode van 1 januari 2016 tot en met 21 januari 2020 een te hoge Wajong-uitkering heeft ontvangen nadat hij zijn (andere) inkomsten over die periode niet had doorgegeven. Met een tweede beslissing van diezelfde datum is aan eiser een boete opgelegd van € 4.393,13 vanwege schending van de inlichtingenplicht.
2.2. Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Het UWV heeft met de beslissing op bezwaar van 15 september 2020 het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond verklaard en het bedrag vastgesteld op € 8.772,23. Het UWV heeft de hoogte van de boete gematigd vanwege eisers draagkracht naar € 46,68. Met eiser is vervolgens een betalingsregeling getroffen.
2.3. Bij brief van 23 april 2025 heeft eiser het UWV verzocht de terugvordering en de daaraan ten grondslag gelegde besluitvorming te herzien. Het UWV heeft dit verzoek opgepakt als een verzoek om kwijtschelding. Dit heeft geleid tot de onder het kopje ‘procesverloop’ weergegeven besluitvorming.
Standpunt eiser
3. Eiser meent dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn betalingsinspanning, waaronder de ingelopen achterstanden. Op grond van artikel 2:59, tweede lid, van de Wajong kan het UWV afzien van verdere terugvordering. Daarnaast heeft het UWV volgens eiser nagelaten de huidige financiële situatie, de aflossingscapaciteit en de (eventueel) problematische schulden te beoordelen. Er had dan ook op grond van artikel 2:59, vierde lid, van de Wajong, rekening gehouden moeten worden met de beslagvrije voet en getoetst moeten worden of de verkorte termijn van toepassing is. Verder had op grond van artikel 2:59, vijfde lid, van de Wajong en de jurisprudentie beoordeeld moeten worden of sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De dringende reden is een open norm en het UWV had dan ook de relevante feiten en omstandigheden moeten afwegen aan de algemene beginselen van bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel. De afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek bevat geen afweging van de persoonlijke omstandigheden van eiser, zijn betalingsbereidheid, zijn actuele schuldenpositie, de gevolgen van de voortgezette invordering, of een toereikende motivering waarom deze inspanningen niet tot een positieve beslissing hebben geleid, aldus eiser.
Beoordeling door de rechtbank
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5. Deze procedure gaat niet over de vraag of eiser zijn inlichtingplicht heeft geschonden en of het terug te betalen bedrag te hoog is vastgesteld. Aan de orde is of het UWV terecht het verzoek om kwijtschelding van de openstaande vordering heeft afgewezen.
5.1. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het verzoek om kwijtschelding van de openstaande vordering terecht heeft afgewezen. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Het UWV heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding, omdat hij zijn maandelijkse betalingsverplichting op grond van de betalingsregeling niet is nagekomen.
6.1. Op grond van artikel 2:59, tweede en derde lid, van de Wajong kan het UWV van (verdere) terugvordering afzien indien betrokkene gedurende vijf jaar (en gedurende 10 jaar bij een terugvordering als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht) niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met rente en invorderingskosten, alsnog heeft betaald. Op grond van paragraaf 4.2 van de Beleidsregel terug- en invordering (de Beleidsregel) kan slechts eenmalig van deze bevoegdheid gebruik worden gemaakt. Met de brief over de betalingsregeling van 11 mei 2020 is eiser erop gewezen dat hij slechts voor kwijtschelding in aanmerking komt indien hij niet meer dan één keer een betalingsachterstand van maximaal zes maanden heeft gehad.
6.2. Uit het dossier blijkt dat eiser meermaals zijn betalingsverplichting op grond van de betalingsregeling niet is nagekomen, te weten in de maanden april 2023, februari 2024, augustus 2024, september 2024, januari 2025, februari 2025 en april 2025. Daarmee voldoet eiser niet aan de in artikel 2:59, tweede en derde lid, van de Wajong in samenhang met paragraaf 4.2. van de Beleidsregel gestelde voorwaarden voor kwijtschelding. Eisers stelling dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn betalingsinspanningen, volgt de rechtbank dan ook niet.
6.3. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat het UWV heeft nagelaten zijn persoonlijke omstandigheden, zijn betalingsbereidheid, zijn actuele schuldenpositie en de gevolgen van de voortgezette invordering mee te wegen bij de beoordeling van zijn verzoek om kwijtschelding. Het UWV heeft bij de besluitvorming ten aanzien van de terugvordering rekening gehouden met eisers financiële situatie door een betalingsregeling met eiser te treffen. Voor zover eiser stelt dat het UWV bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding ook met de dringende redenen rekening had moeten houden, volgt de rechtbank die stelling niet. Op grond van vaste rechtspraak spelen de dringende redenen slechts een rol bij de initiële vaststelling van de omvang van de terugvordering. De jurisprudentie waar eiser in dit verband op wijst, leidt niet tot een ander oordeel. De door eiser genoemde jurisprudentie, ziet immers niet op verzoeken om kwijtschelding, maar op terugvorderingen. Tot slot slaagt eisers beroep op de uitzondering van een verkorte kwijtscheldingstermijn van drie jaar, zoals genoemd in artikel 2:59, vierde lid, van de Wajong, niet. Deze uitzondering is niet op eisers situatie van toepassing, omdat de terugvordering is ontstaan doordat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
7. Het beroep van eiser dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het motiveringsbeginsel, volgt de rechtbank niet omdat eiser dit betoog niet nader heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is verder ook niet van strijd met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gebleken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht het verzoek van eiser om kwijtschelding van zijn openstaande vordering op grond van de Wajong heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel 2:58 Intrekking en herziening beschikkingen
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen herziet beschikkingen op grond van dit hoofdstuk of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet nakomen van de artikelen 2:7, 2:8, 2:31 en 2:32 en de daarop berustende bepalingen het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of een inkomensvoorziening ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 2:22 of 2:23 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins het recht op arbeidsondersteuning ten onrechte of een inkomensvoorziening tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 2:59. Terugvordering
1 Een inkomensvoorziening die op grond van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald, hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 2:58 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverschuldigd is betaald of verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
2 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
3 De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid.
4 De in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van degene van wie wordt teruggevorderd in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b.de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid.
5 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Beleidsregel terug- en invordering
Paragraaf 4.1.2. van de Beleidsregel bepaalt dat bij vorderingen die het gevolg zijn van overtreding van de inlichtingenplicht het Lisv ambtshalve beoordeelt of van verdere terugvordering wordt afgezien, nadat de schuldenaar:
gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en
tenminste de helft van de vordering is voldaan.
Indien na vijf jaar nog niet de helft van de vordering is voldaan, beoordeelt het Lisv ambtshalve of van verdere terugvordering wordt afgezien op het latere tijdstip dat de schuldenaar de helft van de vordering heeft voldaan mits hij tot dat moment tevens volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Paragraaf 4.2. van de Beleidsregel bepaalt dat door niet, conform hoofdstuk 4.1. vastgestelde termijnen, te betalen, de schuldenaar de mogelijkheid verspeelt dat het Lisv afziet van verdere terugvordering. Als de schuldenaar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald kan het Lisv besluiten toch af te zien van verdere terugvordering.
Het Lisv maakt eenmalig van deze bevoegdheid gebruik als:
a. de achterstand niet meer dan zes maanden bedraagt én;
b. het verzoek is gedaan binnen zes maanden nadat de schuldenaar voor het eerst niet meer aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan én;
c. de achterstand met rente en kosten wordt betaald binnen drie maanden nadat de uitvoeringsinstelling aan de schuldenaar heeft opgegeven hoeveel hij moet betalen.
Bij een grotere achterstand of aanzuivering na langere tijd is niet zozeer sprake van aanzuivering van de achterstand maar eerder van afkoop van de vordering. Bovendien kan dan niet meer gezegd worden dat de schuldenaar gedurende drie of vijf jaar heeft geleefd van een inkomen rond het bestaansminimum.
Eiser verwijst naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 5 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1787, van 4 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:239 en van
16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1895.
Zie pagina’s 4 en 5 van deze brief.
Zie hiervoor de uitspraken van de Raad van 24 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2458 en
10 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1802.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8356
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het kwijtscheldingsverzoek van eiser van de openstaande vordering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de criteria voor kwijtschelding.
Procesverloop
1. Met het besluit van 22 mei 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV het verzoek van eiser om kwijtschelding van de openstaande vordering afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding.
1.1. Met het besluit van 12 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding gebleven. Het UWV heeft eisers bezwaren tegen het primaire besluit ook opgevat als herzieningsverzoek tegen de terugvordering en dit verzoek doorverwezen naar de afdeling Handhaven van het UWV.
1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. Eiser heeft op 20 april 2026 aanvullende gronden ingediend. Het UWV heeft op
7 mei 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het UWV. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1. Eiser ontvangt een Wajong-uitkering. Met een beslissing van 24 maart 2020 heeft het UWV een bedrag van bruto € 8.786,25 van eiser teruggevorderd, omdat hij over de periode van 1 januari 2016 tot en met 21 januari 2020 een te hoge Wajong-uitkering heeft ontvangen nadat hij zijn (andere) inkomsten over die periode niet had doorgegeven. Met een tweede beslissing van diezelfde datum is aan eiser een boete opgelegd van € 4.393,13 vanwege schending van de inlichtingenplicht.
2.2. Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Het UWV heeft met de beslissing op bezwaar van 15 september 2020 het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond verklaard en het bedrag vastgesteld op € 8.772,23. Het UWV heeft de hoogte van de boete gematigd vanwege eisers draagkracht naar € 46,68. Met eiser is vervolgens een betalingsregeling getroffen.
2.3. Bij brief van 23 april 2025 heeft eiser het UWV verzocht de terugvordering en de daaraan ten grondslag gelegde besluitvorming te herzien. Het UWV heeft dit verzoek opgepakt als een verzoek om kwijtschelding. Dit heeft geleid tot de onder het kopje ‘procesverloop’ weergegeven besluitvorming.
Standpunt eiser
3. Eiser meent dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn betalingsinspanning, waaronder de ingelopen achterstanden. Op grond van artikel 2:59, tweede lid, van de Wajong kan het UWV afzien van verdere terugvordering. Daarnaast heeft het UWV volgens eiser nagelaten de huidige financiële situatie, de aflossingscapaciteit en de (eventueel) problematische schulden te beoordelen. Er had dan ook op grond van artikel 2:59, vierde lid, van de Wajong, rekening gehouden moeten worden met de beslagvrije voet en getoetst moeten worden of de verkorte termijn van toepassing is. Verder had op grond van artikel 2:59, vijfde lid, van de Wajong en de jurisprudentie beoordeeld moeten worden of sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De dringende reden is een open norm en het UWV had dan ook de relevante feiten en omstandigheden moeten afwegen aan de algemene beginselen van bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel. De afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek bevat geen afweging van de persoonlijke omstandigheden van eiser, zijn betalingsbereidheid, zijn actuele schuldenpositie, de gevolgen van de voortgezette invordering, of een toereikende motivering waarom deze inspanningen niet tot een positieve beslissing hebben geleid, aldus eiser.
Beoordeling door de rechtbank
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5. Deze procedure gaat niet over de vraag of eiser zijn inlichtingplicht heeft geschonden en of het terug te betalen bedrag te hoog is vastgesteld. Aan de orde is of het UWV terecht het verzoek om kwijtschelding van de openstaande vordering heeft afgewezen.
5.1. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het verzoek om kwijtschelding van de openstaande vordering terecht heeft afgewezen. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Het UWV heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding, omdat hij zijn maandelijkse betalingsverplichting op grond van de betalingsregeling niet is nagekomen.
6.1. Op grond van artikel 2:59, tweede en derde lid, van de Wajong kan het UWV van (verdere) terugvordering afzien indien betrokkene gedurende vijf jaar (en gedurende 10 jaar bij een terugvordering als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht) niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met rente en invorderingskosten, alsnog heeft betaald. Op grond van paragraaf 4.2 van de Beleidsregel terug- en invordering (de Beleidsregel) kan slechts eenmalig van deze bevoegdheid gebruik worden gemaakt. Met de brief over de betalingsregeling van 11 mei 2020 is eiser erop gewezen dat hij slechts voor kwijtschelding in aanmerking komt indien hij niet meer dan één keer een betalingsachterstand van maximaal zes maanden heeft gehad.
6.2. Uit het dossier blijkt dat eiser meermaals zijn betalingsverplichting op grond van de betalingsregeling niet is nagekomen, te weten in de maanden april 2023, februari 2024, augustus 2024, september 2024, januari 2025, februari 2025 en april 2025. Daarmee voldoet eiser niet aan de in artikel 2:59, tweede en derde lid, van de Wajong in samenhang met paragraaf 4.2. van de Beleidsregel gestelde voorwaarden voor kwijtschelding. Eisers stelling dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn betalingsinspanningen, volgt de rechtbank dan ook niet.
6.3. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat het UWV heeft nagelaten zijn persoonlijke omstandigheden, zijn betalingsbereidheid, zijn actuele schuldenpositie en de gevolgen van de voortgezette invordering mee te wegen bij de beoordeling van zijn verzoek om kwijtschelding. Het UWV heeft bij de besluitvorming ten aanzien van de terugvordering rekening gehouden met eisers financiële situatie door een betalingsregeling met eiser te treffen. Voor zover eiser stelt dat het UWV bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding ook met de dringende redenen rekening had moeten houden, volgt de rechtbank die stelling niet. Op grond van vaste rechtspraak spelen de dringende redenen slechts een rol bij de initiële vaststelling van de omvang van de terugvordering. De jurisprudentie waar eiser in dit verband op wijst, leidt niet tot een ander oordeel. De door eiser genoemde jurisprudentie, ziet immers niet op verzoeken om kwijtschelding, maar op terugvorderingen. Tot slot slaagt eisers beroep op de uitzondering van een verkorte kwijtscheldingstermijn van drie jaar, zoals genoemd in artikel 2:59, vierde lid, van de Wajong, niet. Deze uitzondering is niet op eisers situatie van toepassing, omdat de terugvordering is ontstaan doordat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
7. Het beroep van eiser dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het motiveringsbeginsel, volgt de rechtbank niet omdat eiser dit betoog niet nader heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is verder ook niet van strijd met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gebleken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht het verzoek van eiser om kwijtschelding van zijn openstaande vordering op grond van de Wajong heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel 2:58 Intrekking en herziening beschikkingen
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen herziet beschikkingen op grond van dit hoofdstuk of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet nakomen van de artikelen 2:7, 2:8, 2:31 en 2:32 en de daarop berustende bepalingen het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of een inkomensvoorziening ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 2:22 of 2:23 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins het recht op arbeidsondersteuning ten onrechte of een inkomensvoorziening tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 2:59. Terugvordering
1 Een inkomensvoorziening die op grond van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald, hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 2:58 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverschuldigd is betaald of verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
2 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
3 De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid.
4 De in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van degene van wie wordt teruggevorderd in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b.de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid.
5 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Beleidsregel terug- en invordering
Paragraaf 4.1.2. van de Beleidsregel bepaalt dat bij vorderingen die het gevolg zijn van overtreding van de inlichtingenplicht het Lisv ambtshalve beoordeelt of van verdere terugvordering wordt afgezien, nadat de schuldenaar:
gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en
tenminste de helft van de vordering is voldaan.
Indien na vijf jaar nog niet de helft van de vordering is voldaan, beoordeelt het Lisv ambtshalve of van verdere terugvordering wordt afgezien op het latere tijdstip dat de schuldenaar de helft van de vordering heeft voldaan mits hij tot dat moment tevens volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Paragraaf 4.2. van de Beleidsregel bepaalt dat door niet, conform hoofdstuk 4.1. vastgestelde termijnen, te betalen, de schuldenaar de mogelijkheid verspeelt dat het Lisv afziet van verdere terugvordering. Als de schuldenaar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald kan het Lisv besluiten toch af te zien van verdere terugvordering.
Het Lisv maakt eenmalig van deze bevoegdheid gebruik als:
a. de achterstand niet meer dan zes maanden bedraagt én;
b. het verzoek is gedaan binnen zes maanden nadat de schuldenaar voor het eerst niet meer aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan én;
c. de achterstand met rente en kosten wordt betaald binnen drie maanden nadat de uitvoeringsinstelling aan de schuldenaar heeft opgegeven hoeveel hij moet betalen.
Bij een grotere achterstand of aanzuivering na langere tijd is niet zozeer sprake van aanzuivering van de achterstand maar eerder van afkoop van de vordering. Bovendien kan dan niet meer gezegd worden dat de schuldenaar gedurende drie of vijf jaar heeft geleefd van een inkomen rond het bestaansminimum.
Eiser verwijst naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 5 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1787, van 4 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:239 en van
16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1895.
Zie pagina’s 4 en 5 van deze brief.
Zie hiervoor de uitspraken van de Raad van 24 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2458 en
10 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1802.