Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9067

2026-07-06 Bestuursrecht; Omgevingsrecht ROT 26/4730
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-06
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Proces-verbaal
Zaaknummer
ROT 26/4730
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om last onder bestuursdwang tegen ondeugdelijke fundering eigen woning. Voorzieningenrechter wijst verzoek om voorlopige voorzieningen hangende bezwaar in mondelinge uitspraak af. In dat verband neemt de voorzieningenrechter onder meer in aanmerking dat als er al een overtreding is, verzoekers de overtreders zijn. Zij zijn vergunninghouder en uitvoerders van het project (i.c. de bouwwerkzaamheden). Als de situatie zo onveilig is als verzoekers stellen, dan ligt het op de weg van verzoekers zelf om maatregelen te treffen, nu zij daarvoor als eigenaren hoe dan ook de aangewezen partij zijn. Er staat niets aan in de weg dat verzoekers hun fundering laten herstellen als dat volgens hen nodig is en dat zij in afwachting daarvan andere voorlopige maatregelen nemen die zij in dat verband nodig en gewenst achten. De onderhavige kwestie is een civiele aangelegenheid tussen verzoekers en de aannemer.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.455 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: ROT 26/4730


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen





[verzoeker] en


[verzoekster]
, uit [plaats] , verzoekers


en




het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee
(gemachtigde: [persoon A] ).



Inleiding


1. Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 heeft het college het verzoek om handhaving van verzoekers van de bouwkundige situatie op hun perceel aan de [adres] in [plaats] (de locatie) afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 5 juni 2026 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.



1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn verzoekers en de gemachtigde van het college vergezeld van [persoon B] en constructeur [persoon C] .



1.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



Wat ging aan deze zaak vooraf?


3. Op 12 oktober 2018 hebben verzoekers een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van hun nieuwbouwwoning aan de [adres] in [plaats] (de locatie). Met het besluit van 27 november 2018 heeft het college aan verzoekers een omgevingsvergunning voor bouwen verleend. De woning is in 2020 opgeleverd.





Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?


4. Op 21 december 2025 hebben verzoekers bij het college een verzoek om handhaving van de bouwkundige situatie op de locatie ingediend. Verzoekers stellen dat de fundering niet aan de veiligheidsnormen voldoet en van de verleende vergunning afwijkt. Verzoekers vrezen dat de garage instort en dat hierdoor kinderen worden geraakt. Het college dient volgens verzoekers handhavend op te treden tegen de aannemer.


4.1.
Constructeur IOB heeft in opdracht van het college een rapport over de fundering opgesteld van 24 februari 2026. In dit rapport stelt de constructeur onder meer dat de slankheidsregel voor de funderingspalen op de kniklengte is gebaseerd. Paalnummer 2 van 180x180 millimeter is geheid en staat vanaf circa 9 meter in het zand waar deze voldoende zijwaartse druk kan opnemen. De kniklengte is minder dan 6 meter en voldoet daarmee ruim. De constructeur overweegt verder dat er over het traject van circa 7,50 tot 12,00 meter NAP positieve kleef mag worden gerekend. De draagkracht op de opgemeten paalpuntniveaus van de palen is voldoende.



4.2.
Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 heeft het college het handhavingsverzoek van verzoekers afgewezen. Het college stelt op grond van het rapport van de constructeur dat geen sprake is van instortingsgevaar noch van een overtreding.



Toetsingskader

5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Op de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.




5.1.
Op de locatie was vóór 1 januari 2024 voor zover van belang het bestemmingsplan “Landgoed Drenkeling, Wonen in het park - 1e fase” (bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De locatie heeft de bestemmingen “Waarde-Archeologie”, “Woongebied” en “Groen”. De locatie heeft de functieaanduiding “specifieke vorm van waarde-3” en de gebiedsaanduiding “milieuzone”.



Gronden van het verzoek


6. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het bestreden besluit enkel steunt op het advies van constructeur IOB. Dit advies is echter gebaseerd op onjuistheden. De paallengte is in werkelijkheid geen 16,2 meter, maar 22 meter. Er wordt ook niet aan de slankheidslimiet voldaan. Die zou 90 moeten zijn, maar is in werkelijkheid 122. Er is geen stabiliteitscontrole conform NEN 9997-1 uitgevoerd, noch is getoetst aan de vereiste ontwerplast. Verzoekers verwijzen naar de berekening van Constructiehuis waaruit zou volgen dat de fundering een draagkrachttekort van 49,19% heeft. Verzoekers voeren ook aan dat uit rechtspraak volgt dat NEN-normen algemeen verbindende voorschriften zijn die bij veiligheidsrisico’s de beleidsruimte van het college opzij zetten. Verzoekers betogen dat het college willekeurig handelt en verwijzen naar rechtspraak waarin het college wel handhavend optrad, terwijl geen sprake was van een veiligheidsrisico. Het college dient ten slotte de kosten voor het herstellen van de fundering te verhalen op de verzekeraar van ingenieursbureau [naam] .

7. In deze zaak kan er op twee manieren sprake zijn van een overtreding. Het kan zijn dat de woning is gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning. Ook kan er een situatie zijn die in strijd is met het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Als zo’n situatie zich voordoet, wil dat niet nog zeggen dat in alle gevallen vervolgens ook handhavend moet worden opgetreden. Verzoekers zeggen dat de fundering van de woning niet voldoet omdat de palen anders zijn uitgevoerd dan vergund en dat de fundering daarom onvoldoende draagkracht heeft, wat een gevaarlijke situatie oplevert vanwege instortingsgevaar. Op basis van wat in deze procedure aan de orde is gekomen, acht de voorzieningenrechter het niet op voorhand aannemelijk dat het college, door het handhavingsverzoek af te wijzen, een onrechtmatig besluit heeft genomen.In de eerste plaats noemen verzoekers artikelen uit het Bbl en bepaalde NEN-normen maar die geven de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er in zoverre sprake is van een overtreding waarop kan worden gehandhaafd. Er is in opdracht van verzoekers onderzoek verricht naar de feitelijke situatie waarbij een paal is beschouwd. In opdracht van het college is het door verzoekers ingebrachte onderzoek door een deskundige beoordeeld, en die heeft geconcludeerd dat de draagkracht van de funderingspalen voldoet en er geen reden is voor handhavend optreden. Het gestelde bouwen in afwijking van de verleende omgevingsvergunning kan wel een overtreding opleveren. De voorzieningenrechter constateert echter dat voor een gedegen vaststelling van de door verzoekers gestelde overtreding nader onderzoek nodig is. Het college zegt in de stukken dat er geen sprake is van een overtreding, maar op de zitting heeft het hierover verklaard dat mogelijk wel in afwijking van de vergunning is gebouwd. Om een overtreding vast te kunnen stellen, zou duidelijk moeten zijn of in de verleende omgevingsvergunning is vastgelegd dat bepaalde funderingspalen met een voorgeschreven diameter moeten worden gebruikt. Vervolgens zou sprake moeten zijn van een situatie die daarvan afwijkt. In deze procedure kan de voorzieningenrechter de diameter van de funderingspalen niet vaststellen en ook is niet duidelijk geworden wat nu precies bindend in de omgevingsvergunning over de funderingspalen is vastgelegd. Een dergelijke feitenvaststelling kan binnen deze spoedprocedure nu niet adequaat plaatsvinden. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter op basis van een belangenafweging tot een oordeel komen. De voorzieningenrechter ziet niet in dat verzoekers belang hebben bij een schorsing van het bestreden besluit. Als sprake zou zijn van een overtreding, dan zouden verzoekers namelijk zelf de overtreders zijn. Verzoekers zijn vergunninghouder en hebben bovendien het project (i.c. de bouwwerkzaamheden) in juridische zin uitgevoerd. Als het college al een last zou opleggen die strekt tot het in overeenstemming brengen van de feitelijke situatie met de vergunning, dan zou deze dus aan verzoekers worden opgelegd. De voorzieningenrechter ziet zich verder voor de vraag gesteld of sprake is van een onveilige of gevaarzettende situatie. Op basis van het dossier en de bespreking op zitting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de situatie op de locatie onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakt. De scheurvorming, wat daar van zij, is daarvoor echt onvoldoende. En als de situatie zo onveilig is als verzoekers stellen, dan ligt het op de weg van verzoekers zelf om maatregelen te treffen, nu zij daarvoor als eigenaren hoe dan ook de aangewezen partij zijn. Er staat niets aan in de weg dat verzoekers hun fundering laten herstellen als dat volgens hen nodig is en dat zij in afwachting daarvan andere voorlopige maatregelen nemen die zij in dat verband nodig en gewenst achten. De voorzieningenrechter ziet niet in dat en waarom daar een voorlopige voorziening voor nodig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderhavige kwestie een civiele aangelegenheid betreft tussen verzoekers en de aannemer. Hierin is het college geen partij. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat er geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers kunnen het besluit op hun bezwaar afwachten. Het betoog van verzoekers slaagt niet.




Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


8.1.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.




Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Brekelmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.





De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen











griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.


Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


ABRvS 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2750.


ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5990.