Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9050

2026-04-24 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11632858 CV EXPL 25-8663
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-04-24
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11632858 CV EXPL 25-8663
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst, nakoming.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.180 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11632858 CV EXPL 25-8663



datum uitspraak: 24 april 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van





[eiser] , die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: de heer [persoon A] (TOP Credit Management B.V.),



tegen





[gedaagde]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door de heer [persoon B] .



De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 25 maart 2025, met bijlagen;


de aantekeningen van het mondelinge verweer;


het aanvullende antwoord, met bijlagen.





1.2.
Op 30 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] , bijgestaan door de heer [persoon A] als gemachtigde, en de heer [persoon B] namens [gedaagde] .





2De beoordeling



Wat is de kern?




2.1.

Partijen hebben op 5 september 2024 een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] diverse gereedschappen heeft gekocht van [handelsnaam] voor
€ 16.940,-. Onderdeel van deze overeenkomst is de koop van een vloerenreiniger. Omdat [gedaagde] slechts € 11.924,55 van de € 16.940,- heeft betaald, eist [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het restant van € 5.015,45, met rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten aan hem te betalen. [gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiser] . Zij stelt dat zij het recht heeft de vloerenreiniger te retourneren en dat zij daarvoor niet hoeft te betalen.





2.2.
De eis van [eiser] wordt in zijn geheel toegewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot haar oordeel is gekomen.




[gedaagde] moet het restant van de koopsom betalen





2.3.
Voor de beoordeling van de eis van [eiser] is van belang of [gedaagde] de vloerreiniger mocht retourneren, waarmee haar betalingsverplichting voor dat deel zou vervallen. Daarvoor moet worden vastgesteld of sprake is van een consumentenkoop, aangezien de wet in dat geval extra beschermingsregels kent voor de consument, waaronder het recht om bij een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte de goederen binnen veertien dagen na ontvangst te retourneren. Als geen sprake is van een consumentenkoop, kan [gedaagde] zich daar niet op beroepen.



2.4.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de koopovereenkomst is gesloten tussen twee ondernemingen. [gedaagde] heeft dit niet weersproken, zodat dit tussen partijen vaststaat. De afleverbon is daarnaast op naam gesteld van ‘ [gedaagde] ’ en door haar ondertekend, waaruit ook volgt dat [gedaagde] handelde in het kader van de uitoefening van haar bedrijf. Er is dus geen sprake van een consumentenkoop, zodat de daarop betrekking hebbende regels niet van toepassing zijn. [gedaagde] kan zich daarom niet beroepen op het wettelijke herroepingsrecht van veertien dagen. Zij blijft daarom gehouden het restant van de koopsom (€ 5.015,45) aan [eiser] te voldoen.




[gedaagde] moet incassokosten van € 625,75 betalen





2.5.
De incassokosten van € 625,75 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). [gedaagde] heeft deze kosten niet betwist.




[gedaagde] moet rente betalen





2.6.
De gevorderde wettelijke handelsrente van € 328,98, die [eiser] heeft berekend tot aan de dag van de dagvaarding, wordt toegewezen. Verder wordt de wettelijke handelsrente toegewezen over de hoofdsom van € 5.015,45 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald. De rente over de wettelijke handelsrente wordt afgewezen, omdat het niet duidelijk is welk deel langer dan een jaar verschuldigd is (artikel 6:119a lid 3 BW).



2.7.

[eiser] eist verder de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over de buitengerechtelijke incassokosten, maar die rente is daarop niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk weliswaar betalen op basis van een handelsovereenkomst, maar het is niet de primaire betalingsverplichting. Daarom wordt de wettelijke rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 720,-aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.269,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 5.970,18 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 5.015,45 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald en over € 625,75 vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;



3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.269,04 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;



3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.4.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
67789




Artikel 6:230o BW.


Hoge Raad, 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106