Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9045
2026-07-17
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11547743 CV EXPL 25-3593
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur woonruimte. Vordering huurachterstand contractuele medehuurders. Een medehuurder heeft al ruim een jaar voor de dagvaarding de woning verlaten. Door omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om een deel van de huurachterstand van beide medehuurders hoofdelijk te eisen. Verhuurder moet nieuwe specificatie indienen nu een groot deel van de huurachterstand al is betaald.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.436 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11547743 CV EXPL 25-3593
datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
gemachtigde: Velthoven de Koning Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
woonplaats: [woonplaats]
gedaagde sub 1,
die zelf procedeert,
2 [gedaagde 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde sub 2,
gemachtigde: mr. H.E. Borgman.
Eiseres wordt hierna ‘ [eiseres] ’ genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 15 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken;
de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met bijlagen;
de aanvullende productie van [gedaagde 2] ;
de productie van [eiseres] die zij tijdens de zitting heeft ingediend.
1.2.
Op 23 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de gemachtigde van [eiseres] aanwezig. Ook [gedaagde 2] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde 1] heeft zich afgemeld en is niet verschenen.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn samen sinds 1 mei 2020 een woning gaan huren van [eiseres] . De huur was voor het laatst in februari 2025 € 973,42 per maand. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een huurachterstand laten ontstaan. [eiseres] eist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld om die huurachterstand te betalen. [eiseres] vorderde bij de dagvaarding ook dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning moeten verlaten. Sinds juni 2025 is [eiseres] echter niet meer de eigenaar van de woning. Daarom heeft zij de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning ingetrokken. [eiseres] vordert wel de huurachterstand, met rente en kosten.
2.2.
[gedaagde 1] is het eens met de vordering en heeft een betalingsregeling afgesproken om deze terug te betalen. De komende drie jaar betaalt zij de volledige huurachterstand in drie termijnen af.
2.3.
[gedaagde 2] is het niet eens met de vordering tegen hem. Allereerst zegt hij dat [naam V.O.F.] . zijn verhuurder is en niet [eiseres] . [naam V.O.F.] . staat namelijk op de huurovereenkomst als verhuurder opgegeven. [eiseres] heeft dan ook geen vordering op hem. Verder zegt [gedaagde 2] dat hij sinds augustus 2023 na een relatiebreuk de woning heeft verlaten. Sinds februari 2024 staat hij niet meer ingeschreven op het adres van de huurwoning. Toen heeft hij met [gedaagde 1] afgesproken een deel van de huurachterstand die op dat moment openstond te betalen aan [eiseres] en gevraagd om van de huurovereenkomst afgehaald te worden. [eiseres] heeft daarmee niet ingestemd. [gedaagde 2] vindt het onredelijk dat hij medeverantwoordelijk blijft voor het betalen van de huur als hij niet meer in de woning woont. Inmiddels woont [gedaagde 1] ook met haar nieuwe partner in de woning.
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat het onredelijk is om [gedaagde 2] verantwoordelijk te houden voor de volledige huurachterstand. [eiseres] moet wel de huurachterstand nader specificeren. Hieronder wordt dit oordeel uitgelegd.
[eiseres] is ontvankelijk in haar vordering
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering. Zij heeft namelijk voldoende onderbouwd dat zij de eigenaar was van de woning op het moment dat de woning werd verhuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Dit wordt bevestigd door het uittreksel van het Kadaster. Hieruit blijkt voor de kantonrechter voldoende dat [eiseres] vermeld had moeten worden op de huurovereenkomst en niet [naam V.O.F.] . [gedaagde 2] heeft daarentegen niet onderbouwd dat er sprake kan zijn van verwarring in de zin dat de [naam V.O.F.] . een vordering op hem heeft in plaats van [eiseres] . Niet is gebleken dat de genoemde commanditaire vennootschap bestaat. Bovendien heeft [gedaagde 2] in zijn incidentele conclusie ook aangegeven dat [eiseres] zijn verhuurder is.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de huur tot en met november 2024
2.6.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het betalen van de maandelijkse huur. Zij hebben namelijk de huurovereenkomst samen ondertekend en zijn daarom contractueel medehuurders. Toch ziet de kantonrechter in dit geval voldoende omstandigheden om te oordelen dat [gedaagde 2] slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor de huurachterstand die is ontstaan tot en met november 2024. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de huurachterstand vanaf december 2024 tot en met mei 2025. [gedaagde 2] woont namelijk sinds augustus 2023 niet meer in de woning. In februari 2024 heeft hij zich bij de gemeente laten uitschrijven van het adres. [gedaagde 1] heeft op 9 oktober 2024 aan [eiseres] gevraagd om het adres van [gedaagde 2] te wijzigen, zodat brieven aan [gedaagde 2] niet meer gestuurd worden naar de huurwoning. [gedaagde 2] heeft een maand later, op 19 november 2024, zelf aan [eiseres] gevraagd om hem van het huurcontract af te halen. Op dat moment woonde hij al ruim een jaar niet meer in de woning. [eiseres] heeft het verzoek van [gedaagde 2] geweigerd, omdat zij dan slechts één persoon kan aanspreken voor het betalen van de oplopende huurachterstand. [gedaagde 1] woont tijdens deze procedure met haar nieuwe partner in de woning, met wie zij ook is getrouwd. Dit biedt [eiseres] vanaf dat moment (weer) ook de financiële zekerheid om de verplichting tot het betalen van de huur te verdelen over twee personen. [gedaagde 1] , die inmiddels in een schuldhulpverleningstraject zit via de gemeente, heeft verder de verantwoordelijkheid op zich genomen om de volledige huurschuld te betalen aan [eiseres] in drie termijnen tot en met 2028. De eerste termijn is reeds voldaan, aldus [eiseres] . Onder deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [gedaagde 2] voor de periode na zijn verzoek om van het huurcontract afgehaald te worden (dus na november 2024) nog hoofdelijk aansprakelijk te houden voor het betalen van de huurachterstand.
2.8.
Het gaat de kantonrechter echter te ver om te oordelen dat [gedaagde 2] in het geheel niet hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige huurachterstand die is ontstaan. Als [gedaagde 2] namelijk na het vertrekken uit de woning van het huurcontract af wil, dan ligt het op zijn weg om hierover contact op te nemen met [eiseres] , zodat [eiseres] weet dat hij niet meer in de woning woont en dat hij niet langer medehuurder wil zijn. Hij heeft wel gesteld dat hij meerdere keren contact op heeft genomen met [eiseres] , maar heeft deze stelling niet onderbouwd met bewijs. [eiseres] betwist dat zij voor 19 november 2024 een verzoek heeft gehad van [gedaagde 2] om hem van het huurcontract af te halen. [gedaagde 2] legt nog wel een afschrift van de BRP over waaruit blijkt dat hij sinds februari 2024 ook niet meer stond ingeschreven op het adres van de huurwoning, maar uit artikel 22.3 van de algemene voorwaarden blijkt dat enkel het verlaten van de huurwoning niet ertoe leidt dat hij geen medehuurder meer is. Om van het huurcontract afgehaald te worden, is medewerking van [eiseres] vereist. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben volgens [gedaagde 2] wel onderling een afspraak gemaakt dat hij na de betaling van € 700,00 niet meer verantwoordelijk is voor het betalen van de huur, maar de verhuurder is geen partij bij deze afspraak. Gelet op het voorgaande is [gedaagde 2] wel hoofdelijk aansprakelijk voor de huurachterstand die is ontstaan tot en met november 2024.
2.9.
Dit alles betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeeld worden om de huurachterstand tot en met november 2024 te betalen aan [eiseres] . De kantonrechter voegt hier wel aan toe dat [eiseres] tijdens de zitting heeft toegezegd deze huurachterstand niet van [gedaagde 2] te vorderen zolang [gedaagde 1] zich houdt aan haar betalingsregeling.
[gedaagde 1] moet de huurachterstand vanaf december 2024 betalen
2.10.
De kantonrechter oordeelt verder dat [gedaagde 1] de huurachterstand vanaf december 2024 tot en met mei 2025 aan [eiseres] moet betalen. Zij heeft niet betwist dat zij dit moet betalen.
De toerekening van de door [gedaagde 1] betaalde bedragen
2.11.
Het is de kantonrechter duidelijk geworden dat [gedaagde 1] tijdens de procedure een best omvangrijk bedrag heeft betaald. [eiseres] heeft namelijk toegelicht dat de huurachterstand tot en met mei 2025 € 7.998,51 is. Daarna heeft [gedaagde 1] nog een bedrag van € 3.547,10 betaald. De kantonrechter heeft tijdens de zitting echter geen specificatie ontvangen op welke maanden of welke vorderingen de betaalde bedragen in mindering strekken. Deze heeft zij wel nodig om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te kunnen veroordelen om de huurachterstand waarvoor zij verantwoordelijk zijn te betalen. De kantonrechter stelt [eiseres] in de gelegenheid om een nieuwe specificatie te overleggen, zoals zij heeft gedaan in productie 3 bij de dagvaarding. Aan de hand daarvan kan zij uitleggen op welke vorderingen de betalingen van [gedaagde 1] in mindering strekken. Dit moet zij uiterlijk doen op de rolzitting van donderdag 20 augustus 2026 om 11.30 uur. Daarna mogen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] nog op de akte van [eiseres] reageren. Als er door partijen schriftelijk wordt gereageerd, dan moet de akte uiterlijk een dag voor de rolzitting door de rechtbank zijn ontvangen.
2.12.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 20 augustus 2026 om 11.30 uur voor een akte van [eiseres] over hetgeen in overweging 2.11 staat;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
64363
Artikel 7:266 lid 1 BW.
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11547743 CV EXPL 25-3593
datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
gemachtigde: Velthoven de Koning Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
woonplaats: [woonplaats]
gedaagde sub 1,
die zelf procedeert,
2 [gedaagde 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde sub 2,
gemachtigde: mr. H.E. Borgman.
Eiseres wordt hierna ‘ [eiseres] ’ genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 15 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken;
de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met bijlagen;
de aanvullende productie van [gedaagde 2] ;
de productie van [eiseres] die zij tijdens de zitting heeft ingediend.
1.2.
Op 23 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de gemachtigde van [eiseres] aanwezig. Ook [gedaagde 2] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde 1] heeft zich afgemeld en is niet verschenen.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn samen sinds 1 mei 2020 een woning gaan huren van [eiseres] . De huur was voor het laatst in februari 2025 € 973,42 per maand. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een huurachterstand laten ontstaan. [eiseres] eist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld om die huurachterstand te betalen. [eiseres] vorderde bij de dagvaarding ook dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning moeten verlaten. Sinds juni 2025 is [eiseres] echter niet meer de eigenaar van de woning. Daarom heeft zij de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning ingetrokken. [eiseres] vordert wel de huurachterstand, met rente en kosten.
2.2.
[gedaagde 1] is het eens met de vordering en heeft een betalingsregeling afgesproken om deze terug te betalen. De komende drie jaar betaalt zij de volledige huurachterstand in drie termijnen af.
2.3.
[gedaagde 2] is het niet eens met de vordering tegen hem. Allereerst zegt hij dat [naam V.O.F.] . zijn verhuurder is en niet [eiseres] . [naam V.O.F.] . staat namelijk op de huurovereenkomst als verhuurder opgegeven. [eiseres] heeft dan ook geen vordering op hem. Verder zegt [gedaagde 2] dat hij sinds augustus 2023 na een relatiebreuk de woning heeft verlaten. Sinds februari 2024 staat hij niet meer ingeschreven op het adres van de huurwoning. Toen heeft hij met [gedaagde 1] afgesproken een deel van de huurachterstand die op dat moment openstond te betalen aan [eiseres] en gevraagd om van de huurovereenkomst afgehaald te worden. [eiseres] heeft daarmee niet ingestemd. [gedaagde 2] vindt het onredelijk dat hij medeverantwoordelijk blijft voor het betalen van de huur als hij niet meer in de woning woont. Inmiddels woont [gedaagde 1] ook met haar nieuwe partner in de woning.
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat het onredelijk is om [gedaagde 2] verantwoordelijk te houden voor de volledige huurachterstand. [eiseres] moet wel de huurachterstand nader specificeren. Hieronder wordt dit oordeel uitgelegd.
[eiseres] is ontvankelijk in haar vordering
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering. Zij heeft namelijk voldoende onderbouwd dat zij de eigenaar was van de woning op het moment dat de woning werd verhuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Dit wordt bevestigd door het uittreksel van het Kadaster. Hieruit blijkt voor de kantonrechter voldoende dat [eiseres] vermeld had moeten worden op de huurovereenkomst en niet [naam V.O.F.] . [gedaagde 2] heeft daarentegen niet onderbouwd dat er sprake kan zijn van verwarring in de zin dat de [naam V.O.F.] . een vordering op hem heeft in plaats van [eiseres] . Niet is gebleken dat de genoemde commanditaire vennootschap bestaat. Bovendien heeft [gedaagde 2] in zijn incidentele conclusie ook aangegeven dat [eiseres] zijn verhuurder is.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de huur tot en met november 2024
2.6.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het betalen van de maandelijkse huur. Zij hebben namelijk de huurovereenkomst samen ondertekend en zijn daarom contractueel medehuurders. Toch ziet de kantonrechter in dit geval voldoende omstandigheden om te oordelen dat [gedaagde 2] slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor de huurachterstand die is ontstaan tot en met november 2024. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de huurachterstand vanaf december 2024 tot en met mei 2025. [gedaagde 2] woont namelijk sinds augustus 2023 niet meer in de woning. In februari 2024 heeft hij zich bij de gemeente laten uitschrijven van het adres. [gedaagde 1] heeft op 9 oktober 2024 aan [eiseres] gevraagd om het adres van [gedaagde 2] te wijzigen, zodat brieven aan [gedaagde 2] niet meer gestuurd worden naar de huurwoning. [gedaagde 2] heeft een maand later, op 19 november 2024, zelf aan [eiseres] gevraagd om hem van het huurcontract af te halen. Op dat moment woonde hij al ruim een jaar niet meer in de woning. [eiseres] heeft het verzoek van [gedaagde 2] geweigerd, omdat zij dan slechts één persoon kan aanspreken voor het betalen van de oplopende huurachterstand. [gedaagde 1] woont tijdens deze procedure met haar nieuwe partner in de woning, met wie zij ook is getrouwd. Dit biedt [eiseres] vanaf dat moment (weer) ook de financiële zekerheid om de verplichting tot het betalen van de huur te verdelen over twee personen. [gedaagde 1] , die inmiddels in een schuldhulpverleningstraject zit via de gemeente, heeft verder de verantwoordelijkheid op zich genomen om de volledige huurschuld te betalen aan [eiseres] in drie termijnen tot en met 2028. De eerste termijn is reeds voldaan, aldus [eiseres] . Onder deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [gedaagde 2] voor de periode na zijn verzoek om van het huurcontract afgehaald te worden (dus na november 2024) nog hoofdelijk aansprakelijk te houden voor het betalen van de huurachterstand.
2.8.
Het gaat de kantonrechter echter te ver om te oordelen dat [gedaagde 2] in het geheel niet hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige huurachterstand die is ontstaan. Als [gedaagde 2] namelijk na het vertrekken uit de woning van het huurcontract af wil, dan ligt het op zijn weg om hierover contact op te nemen met [eiseres] , zodat [eiseres] weet dat hij niet meer in de woning woont en dat hij niet langer medehuurder wil zijn. Hij heeft wel gesteld dat hij meerdere keren contact op heeft genomen met [eiseres] , maar heeft deze stelling niet onderbouwd met bewijs. [eiseres] betwist dat zij voor 19 november 2024 een verzoek heeft gehad van [gedaagde 2] om hem van het huurcontract af te halen. [gedaagde 2] legt nog wel een afschrift van de BRP over waaruit blijkt dat hij sinds februari 2024 ook niet meer stond ingeschreven op het adres van de huurwoning, maar uit artikel 22.3 van de algemene voorwaarden blijkt dat enkel het verlaten van de huurwoning niet ertoe leidt dat hij geen medehuurder meer is. Om van het huurcontract afgehaald te worden, is medewerking van [eiseres] vereist. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben volgens [gedaagde 2] wel onderling een afspraak gemaakt dat hij na de betaling van € 700,00 niet meer verantwoordelijk is voor het betalen van de huur, maar de verhuurder is geen partij bij deze afspraak. Gelet op het voorgaande is [gedaagde 2] wel hoofdelijk aansprakelijk voor de huurachterstand die is ontstaan tot en met november 2024.
2.9.
Dit alles betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeeld worden om de huurachterstand tot en met november 2024 te betalen aan [eiseres] . De kantonrechter voegt hier wel aan toe dat [eiseres] tijdens de zitting heeft toegezegd deze huurachterstand niet van [gedaagde 2] te vorderen zolang [gedaagde 1] zich houdt aan haar betalingsregeling.
[gedaagde 1] moet de huurachterstand vanaf december 2024 betalen
2.10.
De kantonrechter oordeelt verder dat [gedaagde 1] de huurachterstand vanaf december 2024 tot en met mei 2025 aan [eiseres] moet betalen. Zij heeft niet betwist dat zij dit moet betalen.
De toerekening van de door [gedaagde 1] betaalde bedragen
2.11.
Het is de kantonrechter duidelijk geworden dat [gedaagde 1] tijdens de procedure een best omvangrijk bedrag heeft betaald. [eiseres] heeft namelijk toegelicht dat de huurachterstand tot en met mei 2025 € 7.998,51 is. Daarna heeft [gedaagde 1] nog een bedrag van € 3.547,10 betaald. De kantonrechter heeft tijdens de zitting echter geen specificatie ontvangen op welke maanden of welke vorderingen de betaalde bedragen in mindering strekken. Deze heeft zij wel nodig om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te kunnen veroordelen om de huurachterstand waarvoor zij verantwoordelijk zijn te betalen. De kantonrechter stelt [eiseres] in de gelegenheid om een nieuwe specificatie te overleggen, zoals zij heeft gedaan in productie 3 bij de dagvaarding. Aan de hand daarvan kan zij uitleggen op welke vorderingen de betalingen van [gedaagde 1] in mindering strekken. Dit moet zij uiterlijk doen op de rolzitting van donderdag 20 augustus 2026 om 11.30 uur. Daarna mogen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] nog op de akte van [eiseres] reageren. Als er door partijen schriftelijk wordt gereageerd, dan moet de akte uiterlijk een dag voor de rolzitting door de rechtbank zijn ontvangen.
2.12.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 20 augustus 2026 om 11.30 uur voor een akte van [eiseres] over hetgeen in overweging 2.11 staat;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
64363
Artikel 7:266 lid 1 BW.