Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8991

2026-07-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12242922 VV EXPL 26-298
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12242922 VV EXPL 26-298
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming tijdelijke logeerwoning toegewezen. De logeerwoning was tijdelijk beschikbaar gesteld aan gedaagde (de huurder) vanwege een ernstige rioollekkage in haar eigen (oorspronkelijke) woning. Nadat de oorzaak van de lekkage was verholpen, wilde eiseres dat de huurder moest terugkeren. De huurder weigerde dit, omdat de oorspronkelijke woning volgens haar nog steeds een ongezond binnenklimaat heeft door restvocht, schimmel en bacteriën. De kantonrechter oordeelt dat de logeerwoning alleen bedoeld was als tijdelijke voorziening totdat de (oorzaak van de) lekkage was hersteld. Omdat dat inmiddels is gebeurd, moet de huurder de logeerwoning verlaten. De geldvorderingen van eiseres worden afgewezen, omdat de spoedeisendheid en de hoogte van de vordering niet voldoende duidelijk zijn.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.611 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12242922 VV EXPL 26-298



datum uitspraak: 23 juli 2026




Vonnis in kort geding van de kantonrechter




in de zaak van




Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. S.A. den Engelsen,



tegen





[gedaagde] , h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor],
in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.J.C.R. Romet.



Partijen worden hierna ‘Hef Wonen’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd. [persoon A] wordt hierna ‘ [persoon A] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 19 juni 2026, met bijlagen;


de conclusie van antwoord van 1 juli 2026, met bijlagen.





1.2.
Op 2 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:



[persoon B] namens Hef Wonen;


De gemachtigde van Hef Wonen;


De bewindvoerder;


De gemachtigde van de bewindvoerder;



[persoon A] .







2Waar gaat de zaak over?

2.1.

[persoon A] , die sinds 10 juli 2023 onder bewind staat, huurt van Hef Wonen de woning aan de [adres 1] in Rotterdam (hierna: de oorspronkelijke woning). Vanwege een ernstige rioollekkage in de oorspronkelijke woning heeft Hef Wonen aan [persoon A] per 10 november 2025 een logeerwoning aan de [adres 2] in Rotterdam (hierna: de logeerwoning) tijdelijk ter beschikking gesteld. In artikel 3 van de huurovereenkomst voor de logeerwoning is bepaald dat [persoon A] na afronding van de werkzaamheden in de oorspronkelijke woning moet terugkeren en de logeerwoning moet verlaten. De lekkage (de oorzaak) is inmiddels verholpen en er hebben in opdracht van Hef Wonen schoonmaakwerkzaamheden plaatsgevonden. Volgens Hef Wonen is de oorspronkelijke woning weer klaar voor gebruik. De bewindvoerder stelt, onder verwijzing naar een rapport van Intra Air, dat in de oorspronkelijke woning nog sprake is van restvocht, schimmels, bacteriën en een ongezond binnenklimaat doordat specialistische reiniging is uitgebleven. [persoon A] weigert daarom de logeerwoning te verlaten.





3Het geschil

3.1.
Hef Wonen vordert in dit kort geding dat de logeerwoning wordt ontruimd. Daarnaast eist zij betaling van € 7.080,46 (bestaande uit de huurachterstand van de oorspronkelijke woning en een vergoeding voor de logeerwoning), met kosten en rente en de lopende termijnen totdat de logeerwoning is ontruimd. Volgens de bewindvoerder zijn de werkzaamheden nog niet helemaal afgerond omdat de oorspronkelijke woning een ongezond binnenklimaat heeft doordat deze niet specialistisch is gereinigd. De bewindvoerder is het ook niet eens met de geldvorderingen omdat de huurovereenkomst voor de logeerwoning buiten hem om is gesloten.





4De beoordeling

4.1.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot ontruiming van de logeerwoning wordt toegewezen terwijl de geldvorderingen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.



Het beoordelingskader




4.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Hef Wonen heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [persoon A] en de bewindvoerder als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.



4.3.
Voldoende is gebleken dat Hef Wonen een spoedeisend belang heeft bij haar ontruimingsvordering, zodat zij daarin ontvankelijk is. Zij heeft namelijk als woningcorporatie er een spoedeisend belang bij dat logeerwoningen beschikbaar blijven voor noodgevallen.



Ontruiming




4.4.
De kern van het geschil met betrekking tot de ontruiming is of de verplichting van Hef Wonen om de logeerwoning ter beschikking te stellen is komen te vervallen. De kantonrechter oordeelt dat dat zo is en volgt hierin het primaire standpunt van Hef Wonen.



4.5.
Vooropgesteld wordt dat de logeerwoning ter beschikking is gesteld om het aanvankelijke gebrek – de verstopte riolering en de lekkage en de daaraan ten grondslag liggende scheur in de rioolleiding – te verhelpen. Niet in geschil is dat de oorzaak van de rioollekkage inmiddels is hersteld. Daarmee is feitelijk voldaan aan de in de logeerovereenkomst geformuleerde ontbindende voorwaarde, te weten de ‘afronding van de werkzaamheden’ gericht op het herstel van de lekkage.



4.6.
Het verweer van de bewindvoerder ziet inhoudelijk op de vermeende gevolgschade. Ook is aangevoerd het aanwezige ongezonde binnenklimaat wegens restvocht, schimmels en bacteriën in de constructie. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de oorspronkelijke woning thans een gebrek in de zin van artikel 7:204 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vertoont waarvoor Hef Wonen mogelijk verantwoordelijk is, betekent dit niet zonder meer dat de logeerovereenkomst voortduurt. Een eventuele aansprakelijkheid van Hef Wonen voor de gestelde (gevolg)schade dan wel een verplichting tot (specialistisch) herstel, schept op zichzelf geen rechtstitel voor [persoon A] om de logeerwoning te behouden. Als [persoon A] meent dat de oorspronkelijke woning (nog) gebreken vertoont, zal zij, althans haar bewindvoerder, daarover een afzonderlijke bodemprocedure moeten starten, bijvoorbeeld voor herstel of huurprijsvermindering.



4.7.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat de bodemrechter in een bodemprocedure zal oordelen dat [persoon A] thans zonder recht of titel in de logeerwoning verblijft. Vooruitlopend daarop moet zij, althans de bewindvoerder, de woning ontruimen. De ontruimingstermijn zal in redelijkheid worden vastgesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.



Geldvorderingen




4.8.
Hef Wonen eist in totaal € 7.080,46 aan achterstanden en vergoedingen. Bij een geldvordering in kort geding is terughoudendheid geboden. Voor toewijzing is niet alleen vereist dat het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook dat sprake is van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat een onmiddellijke voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed noodzakelijk is.



4.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken van een spoedeisend belang aan de zijde van Hef Wonen bij onmiddellijke betaling van deze vorderingen. Bovendien is de hoogte van de vordering vooralsnog onvoldoende aannemelijk. De bewindvoerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat [persoon A] de huurovereenkomst voor de logeerwoning tijdens het beschermingsbewind zonder toestemming van de bewindvoerder is aangegaan. Volgens de bewindvoerder kunnen de uit die overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen, gelet op artikel 1:440 BW, daarom in beginsel niet worden verhaald op de onder bewind staande goederen. Voorts is onduidelijk welke kosten reeds worden gedekt door de huur die voor de oorspronkelijke woning wordt betaald. Bovendien is gebleken dat de spoedeisendheid zich voornamelijk richt op het zo spoedig mogelijk ter beschikking krijgen van de logeerwoning, welke vordering wordt toegewezen.



4.10.
Omdat een kort geding zich niet leent voor diepgaand feitenonderzoek en het spoedeisend belang bij de betaling niet is gebleken, wijst de kantonrechter de geldvorderingen af.



Proceskosten




4.11.
Hef Wonen is deze procedure gestart omdat [persoon A] weigerde de logeerwoning te verlaten terwijl zij daar, na afronding van de werkzaamheden in haar oorspronkelijke woning, zonder recht of titel verbleef. De bewindvoerder moet daarom als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten betalen (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan Hef Wonen moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 559,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.721,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.



Uitvoerbaar bij voorraad




4.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en de bewindvoerder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





5De beslissing
De kantonrechter:

5.1.
veroordeelt de bewindvoerder om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend de logeerwoning aan de [adres 2] in Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege de bewindvoerder bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Hef Wonen te stellen;



5.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.721,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



5.4.
wijst af het anders of meer gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
53954