Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8981

2026-07-15 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/711431 / FA RK 25-9345 & C/10/713859 / FA RK 26-648
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/711431 / FA RK 25-9345 & C/10/713859 / FA RK 26-648
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Grootouders zij belast met de voogdij over de minderjarige omdat de moeder tijdens de geboorte van de minderjarige minderjarig was. Beide ouders verzoeken in een apart verzoek hen te belasten met het gezag. De grootouders voeren hier verweer tegen. De vader verzoekt tevens een zorgregeling te bepalen en de grootouders verzoeken een omgangsregeling te bepalen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.387 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaaknummer / rekestnummer: C/10/711431 / FA RK 25-9345
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713859 / FA RK 26-648




Beschikking van 15 juli 2026 over het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en een regeling van het omgangsrecht




in de zaak met zaaknummer C/10/711431 / FA RK 25-9345 van:





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam,



t e g e n





[naam grootmoeder] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
voogd van [minderjarige 1] , tevens grootmoeder van de minderjarigen,



en





[naam grootvader]
,
wonende te [woonplaats 3] ,
voogd van [minderjarige 1] , tevens grootvader van de minderjarigen,
hierna samen: de grootouders.
advocaat namens beiden mr. G.E. Doelman te Dordrecht,



In deze zaak is belanghebbende:


[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 4] ,
advocaat mr. A.J. Waaijers-de Graaf te Dordrecht.



en in de zaak met zaaknummer C/10/713859 / FA RK 26-648 van:





[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 4] ,
advocaat mr. A.J. Waaijers-de Graaf te Dordrecht,



t e g e n





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam.



Belanghebbenden zijn:


[naam grootmoeder]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
voogd van [minderjarige 1] ,



en





[naam grootvader]
,
wonende te [woonplaats 3] ,
voogd van [minderjarige 1] ,
hierna samen: de grootouders
advocaat namens beiden mr. G.E. Doelman te Dordrecht



Deze zaken gaan over de minderjarigen:


[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] , hierna: [minderjarige 1] ,


[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2] ,
hierna: [minderjarige 2] ,
hierna samen: de minderjarigen.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure met zaaknummer C/10/711431 / FA RK 25-9345 blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 december 2025;


het bericht van de man van 22 januari 2026;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van grootouders, ingekomen op 3 juni 2026.





1.2.
Het verloop van de procedure met zaaknummer C/10/713859 / FA RK 26-648 blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 26 januari 2026;


het bericht met bijlagen van de man van 5 februari 2026;


het aanvullend/gewijzigd verzoek van de man, ingekomen op 12 mei 2026;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 1 juni 2026;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van grootouders, ingekomen op 3 juni 2026.





1.3.
Gelet op de samenhang van de verzoeken zijn deze tijdens de mondelinge behandeling gelijktijdig behandeld.



1.4.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de grootouders, bijgestaan door hun advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .









2De vaststaande feiten


2.1.
De vrouw en de man zijn de ouders van de minderjarigen.



2.2.
De vrouw was ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] minderjarig.



2.3.
De man heeft [minderjarige 1] erkend.



2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 december 2019 zijn de grootouders met de voogdij over [minderjarige 1] belast.



2.5.
De man en de vrouw zijn op [huwelijksdag] te Alblasserdam met elkaar gehuwd. Het huwelijk van de man en de vrouw is op 24 januari 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 januari 2024 in de registers van de burgerlijke stand.



2.6.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.



2.7.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.



2.8.
De man en de vrouw hebben in het ouderschapsplan van 22 december 2023 – voor zover relevant – het volgende vastgelegd:



Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ligt bij de ouders van de vrouw. Nadat de scheiding is afgerond zullen de ouders de procedure in gang zetten om het gezamenlijke gezag over dit kind te krijgen. [minderjarige 1] is wel erkend door vader. Zodra het gezag is geregeld geldt het ouderschapsplan ook voor [minderjarige 1] .





De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na het uit elkaar gaan de zorg willen verdelen. De ouder waar de minderjarigen verblijven is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De ouders zijn de volgende zorgverdeling overeengekomen:





V= Vrouw, M = Man

















Oneven week/dag




Ma




Di




Wo




Do




Vr




Za




Zo






Ochtend




V




V




V




V




V




V/M




M






Middag




V




V




V




V




V




M




M






Avond




V




V




V




V




V




M




M/V





















Even week/dag




Ma




Di




Wo




Do




Vr




Za




Zo






Ochtend




V




V




V




V




V




V




V






Middag




V




V




V




V




V




V




V






Avond




V




V




V




V




V




V




V









Wisselmomenten en halen en brengen


Oneven weken: op zaterdagochtend haalt de man de minderjarigen rond 10:00 uur op bij de vrouw en op zondag rond 18 uur haalt vrouw de minderjarigen op bij de man.


Even weken: De minderjarigen zijn de hele week bij de vrouw.





Mocht een van de ouders buiten 20 km of directe omgeving gaan wonen, dan is deze verantwoordelijk voor het halen en brengen van de minderjarigen.





Vakanties


Tijdens schoolvakanties wordt de zorgregeling aangehouden. Als 1 van de ouders op vakantie wil met de minderjarigen dan is dat mogelijk in onderling overleg. De vakanties worden tweemaal per jaar met elkaar besproken. Dit zal gebeuren op de evaluatiemomenten die genoemd worden in het artikel over evaluaties.





Feestdagen


Tijdens feestdagen wordt de zorgverdeling aangehouden. Als ouders andere afspraken willen maken dan zullen zij dit met elkaar overleggen. Dit zal gebeuren op evaluatiemomenten die genoemd worden in het artikel over evaluaties. Moederdag altijd bij de vrouw en Vaderdag altijd bij de man. Als de kinderen bij de andere ouder zijn dan zullen ze op zaterdagavond al bij de betreffende ouder zijn om Vader- of Moederdag te vieren.








3De beoordeling


3.1.

Gezag



3.1.1.
De vrouw verzoekt de voogdij van de grootouders over de [minderjarige 1] te beëindigen en de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige 1] .



3.1.2.
De man verzoekt vast te stellen dat de man met de vrouw met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt belast, nadat de voogdij over [minderjarige 1] is beëindigd.



3.1.3.
De grootouders voeren gemotiveerd verweer.



3.1.4.
De vrouw stemt in met het verzoek van de man.



Juridisch kader verzoek vrouw




3.1.5.
Op grond van artikel 1:253b BW verkrijgt de moeder die op het moment van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag van rechtswege het gezag op het tijdstip dat zij daartoe bevoegd wordt. Dit geldt niet als op dat tijdstip een ander met het gezag is belast. Als op het laatstbedoelde tijdstip een ander het gezag heeft, kan de tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten.



3.1.6.
Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, als gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.



Juridisch kader verzoek man




3.1.7.

Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.




3.1.8.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend



3.1.9.
De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige 1] woont bij de vrouw en wordt ook verzorgd en opgevoed door de vrouw. Zij doet dat al een hele tijd. Uit de beschikking van 23 december 2019 blijkt ook dat, zodra de vrouw volwassen zou worden, het de bedoeling was dat het gezag door de man en de vrouw zou worden gedeeld en dat de voogdij zou eindigen. De wet zegt ook dat het verzoek slechts wordt afgewezen als gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zowel grootouders als de man aangegeven zich zorgen te maken over de minderjarigen en daarbij voorbeelden genoemd. Deze voorbeelden zijn echter op geen enkele manier onderbouwd en worden door de vrouw ook betwist. Zelfs als die voorbeelden geheel of ten dele een grond van waarheid zouden bevatten, dan kan niet worden gezegd dat er dan sprake is van een situatie waarbij gegronde vrees bestaat dat de belangen van [minderjarige 1] ernstig worden geschaad. Dat de opvoeding die de vrouw haar kinderen geeft niet aan de maatstaven van de grootouders voldoet is een gegeven, maar geen grond om het verzoek van de vrouw af te wijzen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen. Het voorgaande neemt niet weg dat de grootouders een grote rol hebben gespeeld bij de opvoeding en verzorging van de kinderen. Het is spijtig dat verschillen van mening over de opvoeding en verschillen van inzicht over hoe het leven geleefd moet of mag worden, hebben geleid tot een verwijdering tussen de moeder en de grootouders. De rechtbank hoopt dat er - al dan niet door middel van mediation - een moment komt waarop alle betrokkenen in staat zijn zich neer te leggen bij de situatie en ondanks hun verschillen van inzicht zullen beseffen dat kinderen er baat bij hebben zich geliefd te weten bij hun ouders en bij hun grootouders.


Tussen de man en de vrouw bestaat geen geschil over de vraag of zij samen het gezag ook over [minderjarige 1] moeten uitoefenen. Het verzoek van de man ligt daarom voor toewijzing gereed. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.




3.1.10.
Omdat deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, eindigt op grond van artikel 1:281 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 1:281 lid 2 BW de voogdij van rechtswege daags na het verzenden van deze beschikking.



3.1.11.
De voogden zijn van rechtswege verplicht aan hun opvolgers in het bewind, te weten de vrouw en de man, rekening en verantwoording te doen van het gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 1] .




3.2.

Omgangsregeling



3.2.1.
De grootouders verzoeken een regeling in de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen tussen de grootouders en de minderjarigen als volgt:


de minderjarigen zijn wekelijks op woensdag na school tot na het avondeten bij de grootouders in [locatie] , waarbij de grootouders zorgen voor het ophalen uit school en het weer thuisbrengen bij de vrouw om 19:00 uur;


deze regeling kan in de vakanties worden aangepast in overleg maar minimaal met dezelfde frequentie.


Althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen die de rechtbank juist acht.



3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat tussen de grootouders en de minderjarigen geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking zodat zij in hun verzoek niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.



3.2.3.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.



3.2.4.
De rechtbank moet allereerst bepalen of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de minderjarigen. Als dat het geval is, hebben de minderjarigen in beginsel recht op omgang met grootouders. Voor de beantwoording of van een nauwe persoonlijke betrekking sprake is, moet aansluiting worden gezocht bij het criterium “family life” als bedoeld in artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het biologisch grootouderschap op zichzelf is ontoereikend om aan te nemen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Beoordeeld moet worden of er bijkomende omstandigheden zijn waaruit voortvloeit dat een zo nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en minderjarigen bestaat dat een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling gerechtvaardigd is.



3.2.5.
De rechtbank is van oordeel dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de grootouders en de minderjarigen. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken staat vast dat de grootouders langdurig de voogdij over [minderjarige 1] hebben uitgeoefend. Tevens heeft de vrouw langdurig met de minderjarigen bij grootouders ingewoond en de vrouw heeft daarna met de minderjarigen ook in de dezelfde straat als grootouders gewoond. De minderjarigen gingen daardoor vaak nog naar de grootouders toe. Naar het oordeel van de rechtbank kan de relatie tussen grootouders en de minderjarigen worden aangemerkt als een voldoende hechte, normale familieband. Dat de vrouw niet meer bij de grootouders woont en het contact sinds zij is verhuisd en opnieuw is gehuwd slecht is, maakt dit niet anders. De rechtbank verklaart de grootouders dan ook ontvankelijk in hun verzoek.



3.2.6.
De vrouw en de grootouders betreuren de manier waarop het contact nu verloopt. De vrouw en grootouders hebben met elkaar afgesproken dat zij met elkaar in mediation zullen gaan met als doel de onderlinge verhoudingen te verbeteren en met elkaar tot een oplossing te komen. De rechtbank zal de behandeling van de zaak in afwachting van de resultaten van mediation zes maanden aanhouden.




3.3.

Zorgregeling



3.3.1.
De man verzoekt vast te stellen dat de regeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) in het ouderschapsplan wordt gewijzigd en dat tussen de man en de minderjarigen de volgende zorgregeling zal gelden:


de minderjarigen verblijven tot aan de zomervakantie 2026 om de week bij de man van zaterdag 8:15 uur tot zondag 19:30 uur. De vrouw brengt de minderjarigen en de man brengt de minderjarigen terug bij de vrouw;


de minderjarigen verblijven vanaf het eerste weekend na de zomervakantie als volgt bij de man:




primair: om de week van vrijdag uit school (de man haalt de minderjarigen op school op) tot maandag naar school (de man brengt de minderjarigen naar school);


subsidiair: om het weekend bij de man van vrijdag uit school (de man haalt de minderjarigen op school op) tot zondagavond 19:30 uur. De man brengt de minderjarigen bij de vrouw.



 de minderjarigen zijn de helft van de vakanties en feestdagen bij de man en wel als volgt:


in de even jaren voorjaarsvakantie bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;


in de even jaren de eerste week van de meivakantie bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de oneven jaren andersom;


in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw en de 4,5,6 week bij de man. In de oneven jaren andersom;


in de even jaren de herfstvakantie bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;


in de even jaren de eerste helft van de kerstvakantie bij de man en de tweede week bij de vrouw;


vakanties beginnen vrijdag uit school en eindigen op de eerste schooldag maandag begin school;


een eventuele wissel tijdens een vakantie langer dan één week vindt halverwege op zaterdag plaats;


Pasen: om en om;


Hemelvaart: conform reguliere regeling;


Pinksteren: om en om;


Koningsdag: conform vakantieverdeling;


Sinterklaas: conform reguliere regeling;


verjaardagen minderjarigen: conform reguliere regeling;


kerstavond vanaf 17:00 uur tot tweede kerstdag 10:00 uur in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;


tweede kerstdag vanaf 10:00 uur tot de dag daarna 10:00 uur: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;


oudjaar vanaf 17:00 uur tot nieuwjaarsdag 13:00 uur in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man.





3.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.



3.3.3.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.



3.3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man het contact met de minderjarigen wil uitbreiden. Momenteel ziet hij de minderjarigen weinig. De man maakt zich zorgen over het welzijn van de minderjarigen. De man heeft al negen maanden een stabiele relatie. Hij woont met zijn vriendin bij haar ouders. In die woning is genoeg plek om de minderjarigen te ontvangen en te laten slapen. De vrouw heeft een andere zienswijze over de relaties van de man en zijn woonsituatie. De vrouw staat open voor uitbreiding, maar ziet graag dat de man een eigen woonruimte heeft waar de minderjarigen een eigen slaapplek hebben. Zij betwijfelt of dat nu het geval is. De communicatie tussen partijen verloopt moeizaam en er is veel miscommunicatie. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven open te staan voor hulpverlening om hun communicatie te verbeteren.



3.3.5.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is vermeld in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt, Routeringspunt ZHZ, Mooi Sociaal Lokaal, voor aanmelding bij de zorgaanbieder. De rechtbank zal ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt.



3.3.6.
De rechtbank verzoekt de zorgaanbieder om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna genoemde manier.



3.3.7.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.



3.3.8.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de zorgaanbieder het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.



3.3.9.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de zorgaanbieder bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.



3.3.10.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.



3.3.11.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.



3.3.12.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:


Verzoek tot wijzigen van de zorgregeling



Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang/de belangen van de minderjarigen?


Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?


Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?





3.3.13.
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.







4De beslissing


De rechtbank:



in de zaken C/10/711431 / FA RK 25-9345 & C/10/713859 / FA RK 26-648



4.1.
ontslaat [naam grootmoeder] en [naam grootvader] van de voogdij over [minderjarige 1] en belast de vrouw en de man met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ;



4.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;



4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


in de zaak C/10/711431 / FA RK 25-9345




4.4.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht wordt aangehouden tot 1 februari 2027 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd;


in de zaak C/10/713859 / FA RK 26-648




4.5.
stelt vast dat partijen, te weten:



[naam man] ,
wonende te [woonplaats 4] ,
en

[naam vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,



bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de zorgaanbieder;




4.6.
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject bewerkstelligen dat zij op een constructieve manier met elkaar overleggen en samenwerken in het belang van de minderjarigen en dat zij verdere afspraken zullen maken ten behoeve van onbelast en regelmatig contact tussen de minderjarigen en beide partijen;



4.7.
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking naar het routeringspunt te versturen;



4.8.
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de zorgaanbieder aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;



4.9.
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;



4.10.
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;



4.11.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;



4.12.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



4.13.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan tot 1 mei 2027 PRO FORMA.










Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van H.J. de Wit, griffier, op 15 juli 2026.













































Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.