Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8966
2026-05-22
Civiel recht
11904952 RR FORM 25-105
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Regelrechter 2.0 zaak. Eiser heeft een ijsblokjesmachine gekocht op de website van gedaagde. Volgens eiser was de ijsblokjesmachine defect. Eiser heeft een beroep gedaan op zijn herroepingsrecht. Gedaagde moet het aankoopbedrag aan eiser terugbetalen. De door eiser gevorderde schadevergoeding en werkelijke proceskosten worden afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.057 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11904952 RR FORM 25-105
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[eiser]
woonplaats: [woonplaats] ( [land] ),
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [vertegenwoordiger] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
1.2.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het vonnis in incident van 12 december 2025 en de daarin genoemde processtukken;
de mail van [eiser] van 3 april 2026 met bijlagen;
de mail van [gedaagde] van 13 april 2026;
de spreekaantekeningen van [eiser] .
1.3.
Op 12 december 2025 heeft de rechter in het vonnis in incident geoordeeld dat zij bevoegd is om het geschil te beoordelen. Bij partijen is vervolgens verhinderdata opgevraagd en is een mondelinge behandeling gepland. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij waren de heer [eiser] samen met zijn vrouw aanwezig. Namens [gedaagde] is niemand verschenen op de zitting, ondanks dat zij daarvoor wel was uitgenodigd.
2De verdere beoordeling
Waar gaat de zaak over
2.1.
[eiser] heeft op 15 augustus 2025 een ijsblokjesmachine gekocht voor € 118,99 bij [gedaagde] . Op 20 augustus 2025 heeft [eiser] geklaagd dat de machine niet werkt en heeft op verzoek van [gedaagde] nadere foto’s en informatie over de levering en het product opgestuurd. [gedaagde] heeft [eiser] in reactie hierop twee opties aangeboden ter compensatie:
De machine op kosten van [eiser] opsturen voor een garantieonderzoek. De machine zal dan worden onderzocht en zo nodig worden hersteld of vervangen. Als de machine in orde is, kan deze weer worden opgehaald bij [gedaagde] ;
Verzending van een nieuwe ijsblokjesmachine. De huidige hoeft niet retour te worden gezonden. Deze optie is alleen mogelijk onder de voorwaarde dat [eiser] een positieve recensie schrijft over [gedaagde] .
2.2.
[eiser] heeft gekozen geen gebruik te maken van de bovenstaande opties en heeft een beroep gedaan op het herroepingsrecht. [eiser] vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het bedrag van € 118,99 aan hem terug te betalen. Ook vordert [eiser] de reis-en verblijfskosten ter hoogte van € 299,- en zijn verletkosten ter hoogte van € 309,-.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser] en voert aan dat het consumentenrecht niet van toepassing is in deze zaak en dat het onredelijk en disproportioneel is om deze procedure aanhangig te maken bij de rechtbank gelet op de geringe vordering.
Er is sprake van een consumentenkoop
2.4.
[gedaagde] betwist dat sprake is van een consumentenkoop. De rechter volgt [gedaagde] hierin niet omdat [gedaagde] dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat [eiser] uit beroep op bedrijf heeft gehandeld toen hij de ijsblokjesmachine kocht. Dat betekent dat in het onderhavige geval sprake is van een consumentenkoop, zoals bedoeld in artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
[gedaagde] moet een bedrag van € 118,99 aan [eiser] betalen
2.5.
[eiser] doet een beroep op het herroepingsrecht zoals bedoeld in artikel 6:230o BW. Artikel 6:230o lid 1 sub b onder 4 BW bepaalt dat een consument de overeenkomst op afstand buiten de verkoopruimte zonder opgave van redenen kan ontbinden tot een termijn van veertien dagen is verstreken na de dag waarop de consument de zaak heeft ontvangen.
2.6.
De rechter stelt allereerst vast dat sprake is van een overeenkomst op afstand. Tussen partijen staat namelijk vast dat de overeenkomst via de website van [gedaagde] tot stand is gekomen. Verder staat vast dat de ijsblokjesmachine op 19 augustus 2025 aan [eiser] is geleverd en dat [eiser] op 23 augustus 2025 per e-mail een beroep heeft gedaan op het herroepingsrecht. Daarmee heeft [eiser] tijdig een beroep gedaan op zijn herroepingsrecht, namelijk binnen veertien dagen na ontvangst van de machine.
2.7.
Omdat aan alle voorwaarden voor een geldig beroep op het herroepingsrecht is voldaan, is [gedaagde] gehouden het aankoopbedrag van de ijsblokjesmachine aan [eiser] terug te betalen. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van € 118,99. [eiser] moet de ijsblokjesmachine teruggeven aan [gedaagde] .
De vordering is niet disproportioneel
2.8.
[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat zij de vordering van [eiser] disproportioneel acht en dat deze niet in verhouding staat tot het daarmee gemoeide belang. De rechter gaat aan dit standpunt voorbij. De regelrechterprocedure staat open voor geldvorderingen tot een bedrag van € 5.000,-. Aan het instellen van een vordering is geen minimumbedrag verbonden. Dat [gedaagde] de vordering zelf niet proportioneel acht, doet niets af aan de toewijsbaarheid van de vordering.
Schadevergoeding ten aanzien van werkverlet
2.9.
[eiser] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 309,- aan hem te betalen wegens ‘werkverlet’. De rechter wijst deze eis af. [eiser] heeft deze schade namelijk op geen enkele wijze onderbouwd.
De verzendkosten
2.10.
Na afloop van de zitting heeft de rechter een e-mail ontvangen van [eiser] met daarin het verzoek om zijn eis te vermeerderen met een bedrag van € 43,60, inzake de verzendkosten die hij moet betalen om de ijsblokjesmachine te retourneren aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft hierop via de email inhoudelijk gereageerd en (in het kort) aangegeven het hier niet mee eens te zijn.
2.11.
De rechter zal geen oordeel geven over de gevorderde verzendkosten. Daarbij stelt de rechter voorop dat artikel 11 van het Besluit bepaalt dat een eiser bevoegd is zijn eis tijdens de mondelinge behandeling mondeling te wijzigen of te vermeerderen, mits de wederpartij ter zitting is verschenen dan wel voorafgaand aan de mondelinge behandeling op andere wijze met die wijziging of vermeerdering bekend is geworden of daarvan kennis heeft kunnen nemen. In dit geval heeft [eiser] zijn eis ná de mondelinge behandeling vermeerderd. Gelet op het bepaalde in artikel 11 van het Besluit is deze eisvermeerdering te laat. De rechter zal de vermeerdering van eis daarom buiten beschouwing laten en over dit onderdeel geen oordeel geven.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit). De rechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 90,- aan griffierecht € 50,- aan onkosten voor iedere keer dat [eiser] voor een zitting naar de rechtbank is gekomen (artikel 238 lid 1 Rv). Dat is in totaal € 140,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
2.13.
De hoogte van het griffierecht is lager dan het bedrag dat [eiser] aan griffierecht heeft betaald. Dat komt omdat het toegewezen bedrag aan griffierecht past bij het deel van de vordering dat is toegewezen. Het bedrag dat [eiser] meer aan griffierecht heeft betaald hoeft [gedaagde] niet te betalen, omdat dat is gebaseerd op het deel van de eis dat is afgewezen. Die kosten waren dus onnodig.
2.14.
[eiser] vordert dat [gedaagde] ook (onder meer) zijn reiskosten en verblijfskosten moet betalen. Dat rechter wijst dit deel van de vordering af. [gedaagde] hoeft dus niet alle kosten te vergoeden die [eiser] heeft gemaakt. Dat hoeft namelijk alleen maar als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De rechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 118,99;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 140,- ;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
64362
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11904952 RR FORM 25-105
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[eiser]
woonplaats: [woonplaats] ( [land] ),
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [vertegenwoordiger] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
1.2.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het vonnis in incident van 12 december 2025 en de daarin genoemde processtukken;
de mail van [eiser] van 3 april 2026 met bijlagen;
de mail van [gedaagde] van 13 april 2026;
de spreekaantekeningen van [eiser] .
1.3.
Op 12 december 2025 heeft de rechter in het vonnis in incident geoordeeld dat zij bevoegd is om het geschil te beoordelen. Bij partijen is vervolgens verhinderdata opgevraagd en is een mondelinge behandeling gepland. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij waren de heer [eiser] samen met zijn vrouw aanwezig. Namens [gedaagde] is niemand verschenen op de zitting, ondanks dat zij daarvoor wel was uitgenodigd.
2De verdere beoordeling
Waar gaat de zaak over
2.1.
[eiser] heeft op 15 augustus 2025 een ijsblokjesmachine gekocht voor € 118,99 bij [gedaagde] . Op 20 augustus 2025 heeft [eiser] geklaagd dat de machine niet werkt en heeft op verzoek van [gedaagde] nadere foto’s en informatie over de levering en het product opgestuurd. [gedaagde] heeft [eiser] in reactie hierop twee opties aangeboden ter compensatie:
De machine op kosten van [eiser] opsturen voor een garantieonderzoek. De machine zal dan worden onderzocht en zo nodig worden hersteld of vervangen. Als de machine in orde is, kan deze weer worden opgehaald bij [gedaagde] ;
Verzending van een nieuwe ijsblokjesmachine. De huidige hoeft niet retour te worden gezonden. Deze optie is alleen mogelijk onder de voorwaarde dat [eiser] een positieve recensie schrijft over [gedaagde] .
2.2.
[eiser] heeft gekozen geen gebruik te maken van de bovenstaande opties en heeft een beroep gedaan op het herroepingsrecht. [eiser] vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het bedrag van € 118,99 aan hem terug te betalen. Ook vordert [eiser] de reis-en verblijfskosten ter hoogte van € 299,- en zijn verletkosten ter hoogte van € 309,-.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser] en voert aan dat het consumentenrecht niet van toepassing is in deze zaak en dat het onredelijk en disproportioneel is om deze procedure aanhangig te maken bij de rechtbank gelet op de geringe vordering.
Er is sprake van een consumentenkoop
2.4.
[gedaagde] betwist dat sprake is van een consumentenkoop. De rechter volgt [gedaagde] hierin niet omdat [gedaagde] dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat [eiser] uit beroep op bedrijf heeft gehandeld toen hij de ijsblokjesmachine kocht. Dat betekent dat in het onderhavige geval sprake is van een consumentenkoop, zoals bedoeld in artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
[gedaagde] moet een bedrag van € 118,99 aan [eiser] betalen
2.5.
[eiser] doet een beroep op het herroepingsrecht zoals bedoeld in artikel 6:230o BW. Artikel 6:230o lid 1 sub b onder 4 BW bepaalt dat een consument de overeenkomst op afstand buiten de verkoopruimte zonder opgave van redenen kan ontbinden tot een termijn van veertien dagen is verstreken na de dag waarop de consument de zaak heeft ontvangen.
2.6.
De rechter stelt allereerst vast dat sprake is van een overeenkomst op afstand. Tussen partijen staat namelijk vast dat de overeenkomst via de website van [gedaagde] tot stand is gekomen. Verder staat vast dat de ijsblokjesmachine op 19 augustus 2025 aan [eiser] is geleverd en dat [eiser] op 23 augustus 2025 per e-mail een beroep heeft gedaan op het herroepingsrecht. Daarmee heeft [eiser] tijdig een beroep gedaan op zijn herroepingsrecht, namelijk binnen veertien dagen na ontvangst van de machine.
2.7.
Omdat aan alle voorwaarden voor een geldig beroep op het herroepingsrecht is voldaan, is [gedaagde] gehouden het aankoopbedrag van de ijsblokjesmachine aan [eiser] terug te betalen. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van € 118,99. [eiser] moet de ijsblokjesmachine teruggeven aan [gedaagde] .
De vordering is niet disproportioneel
2.8.
[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat zij de vordering van [eiser] disproportioneel acht en dat deze niet in verhouding staat tot het daarmee gemoeide belang. De rechter gaat aan dit standpunt voorbij. De regelrechterprocedure staat open voor geldvorderingen tot een bedrag van € 5.000,-. Aan het instellen van een vordering is geen minimumbedrag verbonden. Dat [gedaagde] de vordering zelf niet proportioneel acht, doet niets af aan de toewijsbaarheid van de vordering.
Schadevergoeding ten aanzien van werkverlet
2.9.
[eiser] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 309,- aan hem te betalen wegens ‘werkverlet’. De rechter wijst deze eis af. [eiser] heeft deze schade namelijk op geen enkele wijze onderbouwd.
De verzendkosten
2.10.
Na afloop van de zitting heeft de rechter een e-mail ontvangen van [eiser] met daarin het verzoek om zijn eis te vermeerderen met een bedrag van € 43,60, inzake de verzendkosten die hij moet betalen om de ijsblokjesmachine te retourneren aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft hierop via de email inhoudelijk gereageerd en (in het kort) aangegeven het hier niet mee eens te zijn.
2.11.
De rechter zal geen oordeel geven over de gevorderde verzendkosten. Daarbij stelt de rechter voorop dat artikel 11 van het Besluit bepaalt dat een eiser bevoegd is zijn eis tijdens de mondelinge behandeling mondeling te wijzigen of te vermeerderen, mits de wederpartij ter zitting is verschenen dan wel voorafgaand aan de mondelinge behandeling op andere wijze met die wijziging of vermeerdering bekend is geworden of daarvan kennis heeft kunnen nemen. In dit geval heeft [eiser] zijn eis ná de mondelinge behandeling vermeerderd. Gelet op het bepaalde in artikel 11 van het Besluit is deze eisvermeerdering te laat. De rechter zal de vermeerdering van eis daarom buiten beschouwing laten en over dit onderdeel geen oordeel geven.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit). De rechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 90,- aan griffierecht € 50,- aan onkosten voor iedere keer dat [eiser] voor een zitting naar de rechtbank is gekomen (artikel 238 lid 1 Rv). Dat is in totaal € 140,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
2.13.
De hoogte van het griffierecht is lager dan het bedrag dat [eiser] aan griffierecht heeft betaald. Dat komt omdat het toegewezen bedrag aan griffierecht past bij het deel van de vordering dat is toegewezen. Het bedrag dat [eiser] meer aan griffierecht heeft betaald hoeft [gedaagde] niet te betalen, omdat dat is gebaseerd op het deel van de eis dat is afgewezen. Die kosten waren dus onnodig.
2.14.
[eiser] vordert dat [gedaagde] ook (onder meer) zijn reiskosten en verblijfskosten moet betalen. Dat rechter wijst dit deel van de vordering af. [gedaagde] hoeft dus niet alle kosten te vergoeden die [eiser] heeft gemaakt. Dat hoeft namelijk alleen maar als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De rechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 118,99;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 140,- ;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
64362