Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8945
2026-06-25
Civiel recht; Arbeidsrecht
12024997 VZ VERZ 25-7318
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ontbinding arbeidsovereenkomst op de h-grond; langdurige detentie
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.497 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12024997 VZ VERZ 25-7318
datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. A.J. Wintjes,
tegen
[verweerder]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerder,
gemachtigde: mr. E. Baldan.
De partijen worden hierna ‘de [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van de [verzoekster] (ontvangen op 19 december 2025), met bijlagen;
het oproepingsexploot van 6 mei 2026;
de aanvullende bijlage van de [verzoekster] ;
de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [verweerder] .
1.2.
Op 20 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Namens de [verzoekster] was aanwezig [persoon A] ( Adviseur HRO ) met mr. A.J. Wintjes. [verweerder] is verschenen met de gemachtigde mr. E. Baldan.
2De beoordeling
Waar de zaak over gaat
2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 2002, is sinds 1 april 2023 in dienst bij de [verzoekster] binnen het onderdeel [naam afdeling] . [verweerder] heeft een indicatie beschut werken op basis van de Participatiewet. De indicatie is bedoeld voor mensen met een ondersteuningsbehoefte zoals psychische problematiek of een verstandelijke beperking.
2.2.
[verweerder] heeft op [datum 2] 2024 een gevangenisstraf opgelegd gekregen voor de duur van vier jaar en zes maanden in verband met (onder meer) afpersing en het medeplegen van diefstal onder bedreiging van een vuurwapen. In hoger beroep is de gevangenisstraf teruggebracht tot vier jaar. [verweerder] zat daarvoor al in voorlopige hechtenis. De [verzoekster] kreeg dit in juni 2024 te horen. Het loon van [verweerder] is tot en met de maand september 2024 doorbetaald. Sindsdien betaalt de [verzoekster] het loon niet meer.
2.3.
De [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden zonder transitievergoeding en te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op loon vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst. De [verzoekster] verzoekt ook te bepalen dat elke partij de eigen kosten draagt.
2.4.
De [verzoekster] is in de eerste plaats van mening dat de veroordeling tot een langdurige gevangenisstraf voor ernstige geweldsdelicten een ontslaggrond oplevert in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub h BW (de ‘h-grond’) zodat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn gerechtvaardigd is. Als een ontbinding op die grond niet kan slagen dan baseert zij haar verzoek op een verstoorde arbeidsrelatie (de ‘g-grond’) en ten slotte vraagt zij een ontbinding op de zogenoemde cumulatiegrond (de ‘i-grond’).
2.5.
[verweerder] is het niet eens met de [verzoekster] en vindt dat het verzoek moet worden afgewezen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt vraagt [verweerder] de kantonrechter om de opzegtermijn in acht te nemen en de [verzoekster] te veroordelen om de transitievergoeding te betalen.
Ontbinding arbeidsovereenkomst per 25 juni 2026
2.6.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Er geldt geen opzegverbod (artikel 7:671b lid 2 BW) en er is een redelijke grond voor ontbinding (artikel 7:669 lid 1 BW). Hierna wordt dit toegelicht.
2.7.
De [verzoekster] baseert haar verzoek primair op de h-grond. Deze grond houdt in dat er andere omstandigheden zijn waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder h BW). De h-grond geldt als een ‘vangnetbepaling’ voor omstandigheden die niet vallen onder de andere ontslaggronden, maar die wel van dien aard zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de parlementaire geschiedenis wordt - onder meer - detentie als voorbeeld genoemd (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 46).
2.8.
De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat niet iedere detentie meteen een geslaagd beroep op de h-grond hoeft op te leveren. In dit geval zijn de omstandigheden echter zodanig dat een ontbinding gerechtvaardigd is. [verweerder] is veroordeeld voor ernstige misdrijven waarvoor een langdurige gevangenisstraf is opgelegd. Hierdoor kan hij al sinds juni 2024 niet meer werken voor [verzoekster] . Dit duurt nog zeker acht maanden zo is tijdens de zitting gebleken.
2.9.
[verweerder] vindt ontbinding een te zware maatregel. Hij heeft tijdens de zitting gezegd dat hij nu aan zichzelf werkt. Hij heeft geleerd van zijn fouten en kan terugvallen op zijn familie als hij vrij komt. Het werk bij de [verzoekster] past bij hem en kan hem straks structuur geven. Hoewel deze positieve houding hoopgevend is - de kantonrechter kan dit alleen maar aanmoedigen - doet het niet af aan de aard en de ernst van de strafbare feiten en de lange gevangenisstraf. Bovendien heeft de [verzoekster] voldoende duidelijk gemaakt dat een terugkeer op de werkvloer niet van haar verlangd kan worden. In de beschutte werkomgeving van [naam afdeling] werken kwetsbare en beïnvloedbare medewerkers samen. Het is haar taak om de medewerkers met een ondersteuningsbehoefte een sociaal veilige en beschermde omgeving te bieden. De [verzoekster] vindt het onverantwoord om [verweerder] te laten terugkeren naar zijn werk. De door [verweerder] aangevoerde omstandigheden leiden dus niet tot een ander oordeel.
2.10.
In een situatie als deze speelt het al dan niet kunnen herplaatsen van [verweerder] geen rol (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 46).
2.11.
Het voorgaande betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. De [verzoekster] verzoekt geen rekening te houden met de opzegtermijn omdat zij van mening is dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter volgt de [verzoekster] hierin. [verweerder] is veroordeeld voor ernstige misdrijven waarvoor hij een lange gevangenisstraf heeft gekregen. Hij is hierdoor het vertrouwen van de [verzoekster] kwijt geraakt. Het komt voor zijn rekening dat hij door zijn handelen voor lange tijd niet kan werken voor de [verzoekster] . Dit leidt tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang - op de datum van deze beschikking - wordt ontbonden (artikel 7:671b lid 9 sub b BW).
Geen transitievergoeding
2.12.
De [verzoekster] hoeft geen transitievergoeding aan [verweerder] te betalen omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Dit staat zo in artikel 7:673 lid 7 sub c BW.
Geen loon
2.13.
Ten slotte vraagt de [verzoekster] om te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op loon vanaf de indiening van het verzoek tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit wordt toegewezen. In artikel 7:628 lid 1 BW is bepaald dat een werkgever loon moet betalen tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Gelet op wat hiervoor is overwogen doet dit laatste zich hier voor zodat de [verzoekster] geen loon meer is verschuldigd aan [verweerder] .
Proceskosten
2.14.
De proceskosten worden overeenkomstig het verzoek van de [verzoekster] gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dit betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van vandaag;
3.2.
bepaalt dat [verweerder] geen aanspraak heeft op betaling van loon vanaf de datum van indiening van het ontbindingsverzoek tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
3.3.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
540
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12024997 VZ VERZ 25-7318
datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. A.J. Wintjes,
tegen
[verweerder]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerder,
gemachtigde: mr. E. Baldan.
De partijen worden hierna ‘de [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van de [verzoekster] (ontvangen op 19 december 2025), met bijlagen;
het oproepingsexploot van 6 mei 2026;
de aanvullende bijlage van de [verzoekster] ;
de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [verweerder] .
1.2.
Op 20 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Namens de [verzoekster] was aanwezig [persoon A] ( Adviseur HRO ) met mr. A.J. Wintjes. [verweerder] is verschenen met de gemachtigde mr. E. Baldan.
2De beoordeling
Waar de zaak over gaat
2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 2002, is sinds 1 april 2023 in dienst bij de [verzoekster] binnen het onderdeel [naam afdeling] . [verweerder] heeft een indicatie beschut werken op basis van de Participatiewet. De indicatie is bedoeld voor mensen met een ondersteuningsbehoefte zoals psychische problematiek of een verstandelijke beperking.
2.2.
[verweerder] heeft op [datum 2] 2024 een gevangenisstraf opgelegd gekregen voor de duur van vier jaar en zes maanden in verband met (onder meer) afpersing en het medeplegen van diefstal onder bedreiging van een vuurwapen. In hoger beroep is de gevangenisstraf teruggebracht tot vier jaar. [verweerder] zat daarvoor al in voorlopige hechtenis. De [verzoekster] kreeg dit in juni 2024 te horen. Het loon van [verweerder] is tot en met de maand september 2024 doorbetaald. Sindsdien betaalt de [verzoekster] het loon niet meer.
2.3.
De [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden zonder transitievergoeding en te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op loon vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst. De [verzoekster] verzoekt ook te bepalen dat elke partij de eigen kosten draagt.
2.4.
De [verzoekster] is in de eerste plaats van mening dat de veroordeling tot een langdurige gevangenisstraf voor ernstige geweldsdelicten een ontslaggrond oplevert in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub h BW (de ‘h-grond’) zodat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn gerechtvaardigd is. Als een ontbinding op die grond niet kan slagen dan baseert zij haar verzoek op een verstoorde arbeidsrelatie (de ‘g-grond’) en ten slotte vraagt zij een ontbinding op de zogenoemde cumulatiegrond (de ‘i-grond’).
2.5.
[verweerder] is het niet eens met de [verzoekster] en vindt dat het verzoek moet worden afgewezen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt vraagt [verweerder] de kantonrechter om de opzegtermijn in acht te nemen en de [verzoekster] te veroordelen om de transitievergoeding te betalen.
Ontbinding arbeidsovereenkomst per 25 juni 2026
2.6.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Er geldt geen opzegverbod (artikel 7:671b lid 2 BW) en er is een redelijke grond voor ontbinding (artikel 7:669 lid 1 BW). Hierna wordt dit toegelicht.
2.7.
De [verzoekster] baseert haar verzoek primair op de h-grond. Deze grond houdt in dat er andere omstandigheden zijn waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder h BW). De h-grond geldt als een ‘vangnetbepaling’ voor omstandigheden die niet vallen onder de andere ontslaggronden, maar die wel van dien aard zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de parlementaire geschiedenis wordt - onder meer - detentie als voorbeeld genoemd (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 46).
2.8.
De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat niet iedere detentie meteen een geslaagd beroep op de h-grond hoeft op te leveren. In dit geval zijn de omstandigheden echter zodanig dat een ontbinding gerechtvaardigd is. [verweerder] is veroordeeld voor ernstige misdrijven waarvoor een langdurige gevangenisstraf is opgelegd. Hierdoor kan hij al sinds juni 2024 niet meer werken voor [verzoekster] . Dit duurt nog zeker acht maanden zo is tijdens de zitting gebleken.
2.9.
[verweerder] vindt ontbinding een te zware maatregel. Hij heeft tijdens de zitting gezegd dat hij nu aan zichzelf werkt. Hij heeft geleerd van zijn fouten en kan terugvallen op zijn familie als hij vrij komt. Het werk bij de [verzoekster] past bij hem en kan hem straks structuur geven. Hoewel deze positieve houding hoopgevend is - de kantonrechter kan dit alleen maar aanmoedigen - doet het niet af aan de aard en de ernst van de strafbare feiten en de lange gevangenisstraf. Bovendien heeft de [verzoekster] voldoende duidelijk gemaakt dat een terugkeer op de werkvloer niet van haar verlangd kan worden. In de beschutte werkomgeving van [naam afdeling] werken kwetsbare en beïnvloedbare medewerkers samen. Het is haar taak om de medewerkers met een ondersteuningsbehoefte een sociaal veilige en beschermde omgeving te bieden. De [verzoekster] vindt het onverantwoord om [verweerder] te laten terugkeren naar zijn werk. De door [verweerder] aangevoerde omstandigheden leiden dus niet tot een ander oordeel.
2.10.
In een situatie als deze speelt het al dan niet kunnen herplaatsen van [verweerder] geen rol (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 46).
2.11.
Het voorgaande betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. De [verzoekster] verzoekt geen rekening te houden met de opzegtermijn omdat zij van mening is dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter volgt de [verzoekster] hierin. [verweerder] is veroordeeld voor ernstige misdrijven waarvoor hij een lange gevangenisstraf heeft gekregen. Hij is hierdoor het vertrouwen van de [verzoekster] kwijt geraakt. Het komt voor zijn rekening dat hij door zijn handelen voor lange tijd niet kan werken voor de [verzoekster] . Dit leidt tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang - op de datum van deze beschikking - wordt ontbonden (artikel 7:671b lid 9 sub b BW).
Geen transitievergoeding
2.12.
De [verzoekster] hoeft geen transitievergoeding aan [verweerder] te betalen omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Dit staat zo in artikel 7:673 lid 7 sub c BW.
Geen loon
2.13.
Ten slotte vraagt de [verzoekster] om te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op loon vanaf de indiening van het verzoek tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit wordt toegewezen. In artikel 7:628 lid 1 BW is bepaald dat een werkgever loon moet betalen tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Gelet op wat hiervoor is overwogen doet dit laatste zich hier voor zodat de [verzoekster] geen loon meer is verschuldigd aan [verweerder] .
Proceskosten
2.14.
De proceskosten worden overeenkomstig het verzoek van de [verzoekster] gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dit betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van vandaag;
3.2.
bepaalt dat [verweerder] geen aanspraak heeft op betaling van loon vanaf de datum van indiening van het ontbindingsverzoek tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
3.3.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
540