Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8714
2026-07-20
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/1586
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aan de ex-werknemer is een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiseres is het hier niet mee eens en vindt dat een IVA-uitkering had moeten worden toegekend aan haar ex-werknemer. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het besluit van 10 december 2024 onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam is. Het beroep is dus gegrond
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 Centrale Raad van Beroep 04-02-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.643 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1586
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [naam 1] ).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de in bezwaar toegewezen aanvraag van een ex-werknemer van eiseres bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), welke is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiseres is het hier niet mee eens en vindt dat een IVA-uitkering had moeten worden toegekend aan de ex-werknemer. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het besluit van 10 december 2024 onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam is. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Het UWV heeft de aanvraag van de ex-werknemer van eiseres, [naam 2] , (hierna: de ex-werknemer) om een WIA-uitkering met het besluit van 10 oktober 2023 (het primaire besluit) afgewezen. De ex-werknemer heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Met het besluit van 10 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van de ex-werknemer gegrond verklaard en aan hem een WIA-uitkering toegekend per 23 mei 2023 (datum in geding).
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 14 januari 2026 bepaald dat mr. S.C. van Paridon alsnog inzage krijgt in de in deze procedure overgelegde medische stukken ten aanzien van de ex-werknemer en dat deze gemachtigde verplicht is tot geheimhouding van deze medische stukken tegenover eiseres.
1.4.
Het UWV heeft op 3 februari 2026 een verweerschrift ingediend met daarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2025.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde van het UWV is zonder bericht van verhindering niet op de zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.
2.1.
Op 21 februari 2023 heeft de ex-werknemer een aanvraag gedaan om een WIA-uitkering. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De primaire arts heeft in de rapportage van 12 september 2023 geconcludeerd dat de werknemer verminderde functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte en/of gebrek. De belastbaarheid van de ex-werknemer is vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 september 2023. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van de FML een aantal gangbare functies geselecteerd die de ex-werknemer geacht wordt te kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat de ex-werknemer 22,49% arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft vervolgens met het besluit van 10 oktober 2023 de WIA-aanvraag van de ex-werknemer afgewezen. De ex-werknemer heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
De ex-werknemer heeft gedurende de bezwaarprocedure nieuwe medische informatie ingebracht op basis waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische onderbouwing van het primaire besluit heeft herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de rapportage van 9 oktober 2024 tot de conclusie gekomen dat de ex-werknemer op de datum in geding een marginale belastbaarheid had. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de situatie van de ex-werknemer niet duurzaam, daarom is voorgesteld om over één of twee jaar een herbeoordeling te laten plaatsvinden. Het UWV heeft per brief van 13 november 2024 aan de ex-werknemer medegedeeld dat zij voornemens is om de beslissing van 10 oktober 2023 te wijzigen en aan hem een WIA-uitkering toe te kennen per 23 mei 2023. In reactie op dit voornemen heeft zowel eiseres als de ex-werknemer zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een duurzame arbeidsongeschiktheid. Met het besluit van 10 december 2024 heeft het UWV het bezwaar van de ex-werknemer gegrond verklaard en aan hem per 23 mei 2023 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiseres heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.
Het standpunt van eiseres
3. Eiseres stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, omdat zijn medische situatie is verslechterd en zal blijven verslechteren. Het UWV moet daarom aan de ex-werknemer een IVA-uitkering toekennen. De hoofddiagnose van de ex-werknemer zal niet zal verbeteren door behandeling. Daarnaast staat volgens eiseres niet vast dat een verbetering van een deel van de klachten van de ex-werknemer zal leiden tot een toename van zijn functionele mogelijkheden. De ex-werknemer is namelijk al sinds 22 mei 2023 in behandeling. Omdat de nieuwe behandeling volgens eiseres ook nog lang niet zal aanvangen, kan volgens eiseres worden geconcludeerd dat de ex-werknemer al minstens twee jaar kampt met deze gezondheidsklachten. Eiseres stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een zorgvuldig en gemotiveerd besluit, omdat het UWV in het bestreden besluit enkel verwijst naar een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die dateert van vóór de schriftelijke reactie van eiseres op het voornemen van het UWV. Daardoor ontbreekt een actuele en inhoudelijke beoordeling van de bezwaren die in reactie op het voornemen van het UWV zijn ingebracht. Het UWV heeft volgens eiseres ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de eerder genoemde bezwaren niet kunnen leiden tot de toekenning van een IVA-uitkering aan de ex-werknemer.
Toepasselijke wet- en regelgeving
5.1.
Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Op grond van het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
5.2.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
Beoordeling van de beroepsgronden
4. De ex-werknemer heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname van eiseres te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de ex-werknemer op de datum in geding, te weten 23 mei 2023, op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is. In geschil is de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer duurzaam moet worden geacht op grond waarvan hij recht zou hebben op een IVA-uitkering.
De duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid
6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam zou zijn.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode die daarop volgt, moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
6.2.
In de rapportage van 9 oktober 2024 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de ex-werknemer zijn hele werkzame leven al bekend was met zijn diagnose en dus ook ten tijde van de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt daarnaast dat de arbeidsbelemmeringen die uit de diagnose van de ex-werknemer voortvloeien duurzaam zijn, maar dat geen grond bestaat om te concluderen dat sprake is van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan de ex-werknemer nog altijd in de praktijk werkzaamheden verrichten. Eiseres betwist dat een (eventuele toekomstige) behandeling binnen afzienbare tijd zal leiden tot een verbetering van de belastbaarheid van de ex-werknemer.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV bij de besluitvorming niet heeft kunnen uitgaan van het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven oordeel, omdat slechts de algemene verwachting is geuit dat met de (eventuele toekomstige) behandeling een verbetering van de belastbaarheid van de ex-werknemer kan worden verwacht. Hiermee is onvoldoende inzichtelijk geworden hoe de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot het oordeel over de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer heeft kunnen komen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd van welke specifieke functionele mogelijkheden bij de ex-werknemer verbetering mag worden verwacht. In de in beroep overgelegde rapportage van 2 oktober 2025 laat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich hier ook niet over uit. Gelet op de duur van de klachten van de ex-werknemer en de behandeling hiervoor, de inmiddels vanuit de Wmo ingezette ondersteuning en het gegeven dat de ex-werknemer op de datum in geding nog steeds volledig duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de eisen die de Raad stelt aan een motivering over de al dan niet aanwezige duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in het kader van een IVA-uitkering. Omdat geen sprake is van een op de individuele behandelresultaten toegespitste motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
6.4.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het UWV in het bestreden besluit bij de bespreking van de door eiseres aangevoerde gronden niet heeft kunnen volstaan met een enkele verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2024. Zowel uit het verslag van de hoorzitting als uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2024 blijkt immers dat de gemachtigde van eiseres zich tijdens de hoorzitting pas voor het eerst op het standpunt heeft gesteld dat wanneer de diagnose van de ex-werknemer leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, die situatie ook duurzaam is. Daar komt bij dat eiseres in haar schriftelijke reactie op het voornemen van 21 november 2024 meerdere bezwaren naar voren heeft gebracht, waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de eerdere rapportage van 9 oktober 2024 niet op in heeft kunnen gaan. Dit brengt met zich mee dat het bestreden besluit ook op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit dan ook vanwege strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, gelet op het procesverloop tot nu toe, het door het UWV in beroep ingenomen standpunt en het feit dat hier tijdens de zitting door het UWV geen (nadere) toelichting op is gegeven. De rechtbank zal het UWV daarom opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep moet nader onderzoeken en/of motiveren waarom de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer al dan niet duurzaam kan worden geacht. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. Deze termijn begint pas te lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand deze vergoeding vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2024:
draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1586
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [naam 1] ).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de in bezwaar toegewezen aanvraag van een ex-werknemer van eiseres bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), welke is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiseres is het hier niet mee eens en vindt dat een IVA-uitkering had moeten worden toegekend aan de ex-werknemer. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het besluit van 10 december 2024 onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam is. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Het UWV heeft de aanvraag van de ex-werknemer van eiseres, [naam 2] , (hierna: de ex-werknemer) om een WIA-uitkering met het besluit van 10 oktober 2023 (het primaire besluit) afgewezen. De ex-werknemer heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Met het besluit van 10 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van de ex-werknemer gegrond verklaard en aan hem een WIA-uitkering toegekend per 23 mei 2023 (datum in geding).
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 14 januari 2026 bepaald dat mr. S.C. van Paridon alsnog inzage krijgt in de in deze procedure overgelegde medische stukken ten aanzien van de ex-werknemer en dat deze gemachtigde verplicht is tot geheimhouding van deze medische stukken tegenover eiseres.
1.4.
Het UWV heeft op 3 februari 2026 een verweerschrift ingediend met daarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2025.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde van het UWV is zonder bericht van verhindering niet op de zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.
2.1.
Op 21 februari 2023 heeft de ex-werknemer een aanvraag gedaan om een WIA-uitkering. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De primaire arts heeft in de rapportage van 12 september 2023 geconcludeerd dat de werknemer verminderde functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte en/of gebrek. De belastbaarheid van de ex-werknemer is vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 september 2023. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van de FML een aantal gangbare functies geselecteerd die de ex-werknemer geacht wordt te kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat de ex-werknemer 22,49% arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft vervolgens met het besluit van 10 oktober 2023 de WIA-aanvraag van de ex-werknemer afgewezen. De ex-werknemer heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
De ex-werknemer heeft gedurende de bezwaarprocedure nieuwe medische informatie ingebracht op basis waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische onderbouwing van het primaire besluit heeft herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de rapportage van 9 oktober 2024 tot de conclusie gekomen dat de ex-werknemer op de datum in geding een marginale belastbaarheid had. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de situatie van de ex-werknemer niet duurzaam, daarom is voorgesteld om over één of twee jaar een herbeoordeling te laten plaatsvinden. Het UWV heeft per brief van 13 november 2024 aan de ex-werknemer medegedeeld dat zij voornemens is om de beslissing van 10 oktober 2023 te wijzigen en aan hem een WIA-uitkering toe te kennen per 23 mei 2023. In reactie op dit voornemen heeft zowel eiseres als de ex-werknemer zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een duurzame arbeidsongeschiktheid. Met het besluit van 10 december 2024 heeft het UWV het bezwaar van de ex-werknemer gegrond verklaard en aan hem per 23 mei 2023 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiseres heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.
Het standpunt van eiseres
3. Eiseres stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, omdat zijn medische situatie is verslechterd en zal blijven verslechteren. Het UWV moet daarom aan de ex-werknemer een IVA-uitkering toekennen. De hoofddiagnose van de ex-werknemer zal niet zal verbeteren door behandeling. Daarnaast staat volgens eiseres niet vast dat een verbetering van een deel van de klachten van de ex-werknemer zal leiden tot een toename van zijn functionele mogelijkheden. De ex-werknemer is namelijk al sinds 22 mei 2023 in behandeling. Omdat de nieuwe behandeling volgens eiseres ook nog lang niet zal aanvangen, kan volgens eiseres worden geconcludeerd dat de ex-werknemer al minstens twee jaar kampt met deze gezondheidsklachten. Eiseres stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een zorgvuldig en gemotiveerd besluit, omdat het UWV in het bestreden besluit enkel verwijst naar een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die dateert van vóór de schriftelijke reactie van eiseres op het voornemen van het UWV. Daardoor ontbreekt een actuele en inhoudelijke beoordeling van de bezwaren die in reactie op het voornemen van het UWV zijn ingebracht. Het UWV heeft volgens eiseres ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de eerder genoemde bezwaren niet kunnen leiden tot de toekenning van een IVA-uitkering aan de ex-werknemer.
Toepasselijke wet- en regelgeving
5.1.
Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Op grond van het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
5.2.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
Beoordeling van de beroepsgronden
4. De ex-werknemer heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname van eiseres te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de ex-werknemer op de datum in geding, te weten 23 mei 2023, op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is. In geschil is de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer duurzaam moet worden geacht op grond waarvan hij recht zou hebben op een IVA-uitkering.
De duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid
6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer niet duurzaam zou zijn.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode die daarop volgt, moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
6.2.
In de rapportage van 9 oktober 2024 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de ex-werknemer zijn hele werkzame leven al bekend was met zijn diagnose en dus ook ten tijde van de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt daarnaast dat de arbeidsbelemmeringen die uit de diagnose van de ex-werknemer voortvloeien duurzaam zijn, maar dat geen grond bestaat om te concluderen dat sprake is van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan de ex-werknemer nog altijd in de praktijk werkzaamheden verrichten. Eiseres betwist dat een (eventuele toekomstige) behandeling binnen afzienbare tijd zal leiden tot een verbetering van de belastbaarheid van de ex-werknemer.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV bij de besluitvorming niet heeft kunnen uitgaan van het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven oordeel, omdat slechts de algemene verwachting is geuit dat met de (eventuele toekomstige) behandeling een verbetering van de belastbaarheid van de ex-werknemer kan worden verwacht. Hiermee is onvoldoende inzichtelijk geworden hoe de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot het oordeel over de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer heeft kunnen komen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd van welke specifieke functionele mogelijkheden bij de ex-werknemer verbetering mag worden verwacht. In de in beroep overgelegde rapportage van 2 oktober 2025 laat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich hier ook niet over uit. Gelet op de duur van de klachten van de ex-werknemer en de behandeling hiervoor, de inmiddels vanuit de Wmo ingezette ondersteuning en het gegeven dat de ex-werknemer op de datum in geding nog steeds volledig duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de eisen die de Raad stelt aan een motivering over de al dan niet aanwezige duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in het kader van een IVA-uitkering. Omdat geen sprake is van een op de individuele behandelresultaten toegespitste motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
6.4.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het UWV in het bestreden besluit bij de bespreking van de door eiseres aangevoerde gronden niet heeft kunnen volstaan met een enkele verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2024. Zowel uit het verslag van de hoorzitting als uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2024 blijkt immers dat de gemachtigde van eiseres zich tijdens de hoorzitting pas voor het eerst op het standpunt heeft gesteld dat wanneer de diagnose van de ex-werknemer leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, die situatie ook duurzaam is. Daar komt bij dat eiseres in haar schriftelijke reactie op het voornemen van 21 november 2024 meerdere bezwaren naar voren heeft gebracht, waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de eerdere rapportage van 9 oktober 2024 niet op in heeft kunnen gaan. Dit brengt met zich mee dat het bestreden besluit ook op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit dan ook vanwege strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, gelet op het procesverloop tot nu toe, het door het UWV in beroep ingenomen standpunt en het feit dat hier tijdens de zitting door het UWV geen (nadere) toelichting op is gegeven. De rechtbank zal het UWV daarom opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep moet nader onderzoeken en/of motiveren waarom de arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer al dan niet duurzaam kan worden geacht. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. Deze termijn begint pas te lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand deze vergoeding vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2024:
draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.