Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8686

2026-07-13 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/697271 FA RK 25-2621 en C/10/707632 FA RK 25-7425
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/697271 FA RK 25-2621 en C/10/707632 FA RK 25-7425
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Pensioenrechten: verevening of conversie en de duur ervan; eisen van redelijkheid en billijkheid.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.324 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



zaaknummers / rekestnummers: C/10/697271 / FA RK 25-2621 en
C/10/707632 FA RK 25-7425




Beschikking van 13 juli 2026 over de echtscheiding




in de zaak van:





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N.T. Vogelaar te Maasdijk,



t e g e n





[naam man]
, hierna: de man,
ingeschreven in het register voor niet-ingezetenen (RNI),
feitelijk verblijvende op [woonplaats 2] ,
advocaat mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 april 2025;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 6 augustus 2025;


het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van 30 september 2025;


het bericht met bijlage van de man van 9 december 2025;


het bericht van de vrouw van 11 december 2025;


het bericht met bijlagen van de man van 29 mei 2026;


het bericht met bijlagen van de vrouw van 29 mei 2026, tevens houdende aanvullende verzoeken;


het bericht met bijlagen van de man van 1 juni 2026.





1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat en [naam] , kantoorgenoot.







2De vaststaande feiten


2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [locatie 2] op [huwelijksdag] .



2.2.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.



2.3.
Partijen hebben op 10 augustus 2007 een samenlevingsovereenkomst opgesteld.





3De beoordeling


3.1.

Scheiding



3.1.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.



3.1.2.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.



3.1.3.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.



3.1.4.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.



3.1.5.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.




3.2.

Overige verzoeken



3.2.1.
De man verzoekt – blijkens het petitum van het hiervoor genoemde verweerschrift tevens zelfstandig verzoek – aanvullend te beslissen over partneralimentatie, pensioenverevening (inclusief voorhuwelijkse periode en conversie), terugbetaling van verstrekte leningen, en schadevergoeding wegens het blokkeren van IPB-rechten.



3.2.2.

In het lichaam van het verzoekschrift heeft de man onder randnummers 41 tot en met 46 zijn verzoeken geconcretiseerd en verzoekt – zakelijk weergegeven –:
I. te bepalen dat de vrouw partneralimentatie dient te voldoen aan de man ten
bedrage van € 2.360,- bruto per maand;
II. te bepalen dat deze alimentatie ingaat op de eerste dag van de maand nadat de
echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
III. te bepalen dat de alimentatieverplichting geldt voor de duur van de helft van de
huwelijkse periode, dan wel tot het moment waarop de vrouw de AOW-leeftijd bereikt, indien dit eerder plaatsvindt;
IV. de wettelijke pensioenverevening ex artikel 2 WVPS toe te passen;
V. de pensioenverevening toe te passen op de hele periode van 10 augustus 2007 tot

[huwelijksdag] (inclusief de voorhuwelijkse samenlevingsperiode), aangezien partijen feitelijk als gehuwd hebben geleefd en de werkgever heeft ingestemd met deze vereveningsperiode;
VI. conversie toe te passen in plaats van standaardverevening;
VII. de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de leningen en investeringen die
tijdens het samenlevingscontract en tijdens het huwelijk door de man aan haar zijn verstrekt, ten bedrage van € 45.757,-;
VIII. de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de schade als gevolg van blokkeren
IPB-rechten voor een bedrag van € 5.590,13.




3.2.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. De vrouw verzoekt primair de man in al zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en in het bijzonder het zelfstandig verzoek van de man onder randnummer 43 tot toepassing van de wettelijke pensioenverevening ex art. 2 Wvps niet-ontvankelijk te verklaren, althans afwijzen, op de grond dat toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art.6:2 lid 2 BW), alsmede op de grond dat het zelfstandig verzoek van de man dient te worden afgewezen wegens schending van art. 21 Rv. Subsidiair verzoekt de vrouw de pensioenverevening te beperken tot de periode(n) van werkelijke samenleving dan wel tot een lager aandeel dan de helft en/of de aanspraak van de man te verrekenen met diens verzwegen inkomsten en vermogen.




3.3.

Partnerbijdrage



3.3.1.
De man verzoekt een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud te bepalen, zoals in rechtsoverweging 3.2.2. weergegeven onder de verzoeken I., II. en III.



3.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.



3.3.3.
Het ligt op de weg van de man als verzoekende partij om inzichtelijk te maken wat zijn kosten van levensonderhoud zijn en om te onderbouwen dat hij niet in staat is en kan worden geacht om daarin zelf te voorzien. De man heeft geen behoeftelijst overgelegd ter onderbouwing van de huwelijksgerelateerde behoefte. De man stelt dat voor de behoefte moet worden uitgegaan van zijn huidige situatie op Bonaire waar hij leeft van zijn AOW, inkomsten uit zijn foodtruck ‘ [naam foodtruck] ’ en de verhuur van één appartement. Soms verhuurt hij nog een tweede appartement. Aangezien de kosten van levensonderhoud door de man verder niet zijn onderbouwd, gaat de rechtbank ervan uit dat de man in staat is met dit inkomen te voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud. Dit komt overeen met de standpunten van partijen dat zij financieel onafhankelijk van elkaar leefden.



3.3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man naar voren gebracht dat, gelet op zijn leeftijd, redelijkerwijs niet van hem kan worden verwacht dat hij het appartement blijft verhuren en dat hij blijft werken in de foodtruck ‘ [naam foodtruck] ’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man daarmee zijn behoeftigheid niet aangetoond. Door de man is niet aangetoond dat hij redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht deze werkzaamheden te blijven verrichten, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat het wegvallen van de inkomsten uit verhuur het gevolg is van een keuze van de man. De financiële gevolgen van een door de man zelf teweeg gebrachte inkomensvermindering dienen voor zijn rekening te komen. Daarbij komt dat hij niet heeft aangetoond dat zonder deze inkomsten hij niet kan rondkomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet in staat is met eigen inkomsten in zijn behoefte te voorzien. Het verzoek om vaststelling van een partnerbijdrage zal daarom worden afgewezen. Aan de verzoeken zoals vermeld in rechtsoverweging 3.2.2. onder II. en III. komt de rechtbank daarom niet toe.




3.4.

Pensioenrechten van de vrouw: verevening of conversie en de duur ervan



3.4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man de verzoeken, zoals in rechtsoverweging 3.2.2. weergegeven onder IV., V. en VI., toegelicht waarbij duidelijk is geworden dat hij bedoelt dat de vrouw moet worden verplicht over te gaan tot conversie van de pensioenrechten over de voorhuwelijkse- en de huwelijkse periode.



3.4.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.



Ontvankelijkheid




3.4.3.
Geschillen over pensioenverevening kunnen niet zonder meer als nevenvoorziening in het kader van de echtscheiding worden meegenomen. Partijen hebben echter gesteld dat dit geschil het grootste knelpunt in deze echtscheidingsprocedure is. Zij hebben de rechtbank gevraagd hier een beslissing over te nemen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de verzoeken rondom de pensioenvoorziening zodanig samenhang vertonen met de echtscheiding en dat het belang van partijen om hierover op korte termijn duidelijkheid te verkrijgen zodanig groot is, dat de rechtbank de verzoeken van partijen over de pensioenvoorziening zal aanmerken als overige nevenvoorziening waarover in het kader van de echtscheiding kan worden beslist (art. 827 lid 1 sub g Rv). Het is niet te verwachten dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.



3.4.4.
Uitgangspunt van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) is dat beide echtgenoten bij echtscheiding recht hebben op pensioenverevening van het ouderdomspensioen dat tijdens de huwelijkse periode is opgebouwd. Bij verevening blijft het pensioen ongesplitst. Wanneer – zoals in dit geval – de vrouw het pensioen heeft opgebouwd, gaat het pensioen voor de man pas in wanneer de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Wanneer zij overlijdt, stopt het pensioen (de man heeft dan mogelijk recht op een bijzonder nabestaandenpensioen). Wanneer de man overlijdt, keert zijn deel terug naar de vrouw. De wetgever heeft in de Wvps pensioenverevening tot hoofdregel gemaakt. In artikel 5 Wvps is bepaald dat echtgenoten daarvan kunnen afwijken door, met instemming van het uitvoeringsorgaan, conversie overeen te komen.



Verzoek man over de voorhuwelijkse periode




3.4.5.

De rechtbank stelt vast dat partijen in 2007 een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten. Daarin hebben zij afspraken gemaakt over partnerpensioen en niet over ouderdomspensioen, zoals de man stelt. In de samenlevingsovereenkomst zijn geen verdere afspraken gemaakt over toepasselijkheid van de Wvps of conversie.
De Wvps ziet alleen op het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. De rechtbank zal het verzoek van de man om op de voorhuwelijkse periode de Wvps van toepassing te verklaren en conversie op dit partnerpensioen toe te passen dan ook afwijzen omdat de juridische grondslag daarvoor ontbreekt.




Verzoek van de man over de huwelijkse periode
3.4.6. De rechtbank stelt vast dat partijen geen conversie zijn overeengekomen in de zin van artikel 5 Wvps.




3.4.7.
De Wvps bevat geen bepaling op grond waarvan één van die echtgenoten in rechte medewerking aan conversie door de andere echtgenoot kan afdwingen. De rechtsverhouding tussen echtgenoten wordt echter na echtscheiding niet alleen beheerst door de wet maar ook door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Uit deze eisen kunnen rechtsplichten voortvloeien die aan een rechter kunnen worden voorgelegd (Kamerstukken I 1993/94, 21893, nr. 111b, p.5 en Kamerstukken II 1990/91, 21893, nr. 3, p. 7 en 8 en Kamerstukken II 1992/93, nr. 8, p. 12 en 13). Nu in onderhavige beschikking de echtscheiding zal worden uitgesproken, hanteert de rechtbank dit criterium.



3.4.8.
De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende doorslaggevende feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht om op grond van redelijkheid en billijkheid af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van pensioenverevening. Het is voor de rechtbank duidelijk dat de man een belang kan hebben bij de door hem gewenste conversie. Hij is 67 jaar oud en de vrouw 58. Bij verevening van het pensioen zal de man pas wanneer de vrouw met pensioen gaat aanspraak kunnen maken op zijn aandeel in het door de vrouw tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. Dit belang alleen is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om van het wettelijke uitgangspunt af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat hij van een onevenredig laag inkomen zal moeten rondkomen en dat hij in een financieel onaanvaardbare situatie terechtkomt zal komen als niet tot conversie wordt overgegaan. Hij heeft wel gesteld dat hij minder inkomen zal hebben als hij stopt met de verhuur van zijn appartement en met zijn inkomen uit de foodtruck, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt dat dit dan leidt tot een onaanvaardbare situatie, gelet op de gehele financiële situatie van de man. Daarvoor heeft hij onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Ook heeft hij onvoldoende onderbouwd waarom hij dient te stoppen met de werkzaamheden die hij op dit moment verricht. De vrouw heeft in dit kader gemotiveerd naar voren gebracht dat de man recent in een televisieprogramma heeft gezegd dat hij nog steeds het appartement verhuurt en dat ook voornemens is te blijven doen. De rechtbank zal het verzoek van de man, om de vrouw te verplichten over te gaan tot conversie van het huwelijkse en voorhuwelijkse pensioen, dan ook afwijzen.



Beperken duur van het pensioen




3.4.9.
De rechtbank komt vervolgens toe aan het verzoek van de vrouw om de pensioenverevening op grond van redelijkheid en billijkheid in duur en omvang te beperken tot de periode waarin partijen feitelijk hebben samengeleefd (2018-2021). De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Anders dan de vrouw stelt, geeft de duur van het huwelijk geen aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt. Datzelfde geldt voor het standpunt dat partijen niet steeds hebben samengeleefd. De wettelijke regeling voor pensioenverevening vereist immers niet dat partijen hebben samengeleefd.



3.4.10.
De rechtbank zal ook het subsidiaire verzoek van de vrouw, om de pensioenrechten van de man met zijn vermogen te verrekenen, afwijzen reeds omdat zij daarvoor onvoldoende heeft gesteld.



Conclusie




3.4.11.
Het vorenstaande leidt tot afwijzing van de over en weer gedane verzoeken over het pensioen van de vrouw.




3.5.

Terugbetaling leningen/investeringen van € 45.757,-



3.5.1.
Het verzoek van de man zoals in rechtsoverweging 3.2.2. weergegeven onder VII. strekt ertoe de vrouw te veroordelen de leningen en investeringen die tijdens de samenleving en tijdens het huwelijk door de man aan haar zijn verstrekt, ten bedrage van € 45.757,-, terug te betalen.



3.5.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.



3.5.3.
Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.



3.5.4.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd: goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift; pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen; rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder c BW. Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.



3.5.5.
Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat partijen gescheiden huishoudens hebben gevoerd en geen gezamenlijk (te verdelen) vermogen hebben. Er zijn uitsluitend twee privévermogens.



3.5.6.
Wanneer er een vermogensverschuiving plaatsvindt tussen de vermogens van de echtgenoten, ontstaat er een vergoedingsrecht ten laste van de ene echtgenoot en ten gunste van de andere echtgenoot. Dat gold reeds op grond van de rechtspraak. Met ingang van 1 januari 2012 bevat de wet daarvoor een regeling in artikel 1:87 BW.



3.5.7.
De man stelt een vergoedingsrecht op de vrouw te hebben van in totaal € 45.757,-. Ter onderbouwing stelt de man dat hij uit de nalatenschap van zijn vader voor een bedrag van € 39.961,- aan leningen heeft verstrekt aan de vrouw waarmee is geïnvesteerd in de woningen in [locatie 1] en [locatie 2] . Volgens de man hadden partijen een mondelinge afspraak dat de vrouw deze leningen zou terugbetalen uit de hogere huurinkomsten uit de woning in [locatie 1] . Daarnaast stelt de man dat hij voorafgaand aan het huwelijk diverse leningen en creditcardschulden voor de vrouw heeft afgelost, zodat zij zonder schulden het huwelijk zou ingaan. Het gaat om een bedrag van € 7.500,- aan aflossingen op “Direct Lenen” en een bedrag van € 1.296,- aan aflossingen op “Sonder”.



3.5.8.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.



3.5.9.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met partijen de producties 7, 8 en 9 besproken die de man ter onderbouwing van zijn verzoeken heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de man, gezien de betwisting daarvan door de vrouw, met de door hem overgelegde producties onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van leningen of investeringen in de woningen van de vrouw. De man heeft weliswaar als productie 7 bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij bedragen aan de vrouw heeft overgeboekt, maar uit de omschrijving bij de overboeking blijkt niet dat dit leningen zijn. Ook is op andere wijze niet gebleken van een overeenkomst of afspraak tussen partijen dat het om een lening ging. Ook blijkt niet uit de stukken dat met dit geld door de man is geïnvesteerd in de woningen van de vrouw in [locatie 1] en [locatie 2] . Daar komt bij dat een deel van de producties ziet op investeringen die de man stelt te hebben gedaan in de periode voorafgaand aan het huwelijk zonder dat hij een onderbouwd standpunt heeft ingenomen over de grondslag om over die periode een vergoedingsrecht te kunnen aannemen. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.



3.5.10.
Door de vrouw wordt overigens niet betwist dat partijen samen hebben zorggedragen voor de aflossing van leningen op naam van de vrouw, maar zij stelt dat de stortingen die man heeft gedaan geen leningen waren. Daarbij heeft zij onbetwist gesteld dat de stortingen bedoeld waren om de kosten van de huishouding van partijen te bestrijden. Voor de voldoening van huishoudkosten bestaat geen terugbetalingsverplichting.


3.5.11.
Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.




3.6.

Schadevergoeding



3.6.1.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, vertoont het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden in verband met het blokkeren van zijn IPB-rechten (zijn verzoek zoals in rechtsoverweging 3.2.2. onder VIII. weergegeven) onvoldoende samenhang met de echtscheiding om als nevenvoorziening op te vatten. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.




3.7.

Proceskosten



3.7.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdag] te [locatie 2] ;



4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



4.3.
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. D.Y.A. van Meersbergen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Willems, griffier, op 13 juli 2026.
















































Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.