Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8659
2026-07-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
ROT 25/7045
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht, overname private schulden, beroep ongegrond. De minister heeft aanvraag voor overname van de schulden van eiseres terecht gedeeltelijk afgewezen, de schulden voldoen niet aan de voorwaarden voor overname op grond van de Wht.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:628 Raad van State 19-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.365 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7045
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Šimičević),
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
1. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om overname van geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister heeft de aanvraag gedeeltelijk afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat terecht gedaan. Hij mocht ook in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 20 januari 2025 heeft de minister de aanvraag van eiseres om overname van private schulden gedeeltelijk afgewezen op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 januari 2025 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Partijen hebben de rechtbank laten weten een zitting niet nodig te vinden. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag gedaan om overname van private schulden op grond van de Wht. De minister heeft zeven schulden overgenomen, een schuld gedeeltelijk overgenomen en zes schulden niet overgenomen. Met het bestreden besluit is de minister daarbij gebleven.
Overname van private schulden
4. Eiseres betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte gedeeltelijk heeft afgewezen. Uit het dossier blijkt niet dat de schuld aan [bedrijf 1] na 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De minister heeft miskend dat de eerste schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 1] is ontstaan in april 2021 door de financiële problemen als gevolg van de toeslagenaffaire. De overname van de tweede schuld aan [bedrijf 2] (referentie [kenmerk 2] ) is ten onrechte geweigerd, omdat uit het dossier blijkt dat de schuld is ontstaan op 12 november 2019. Ten aanzien van de derde schuld aan [bedrijf 2] (referentie [kenmerk 3] ) heeft de minister ten onrechte het verhaal dat eiseres hierover heeft verteld niet meegewogen.
4.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een gedupeerde toeslagenouder. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad wordt niet overgenomen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag om overname van de schulden aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] terecht afgewezen. De rechtbank licht dat hierna toe.
4.2.1.
Uit het overzicht met kredietdetails van Stichting BKR blijkt dat eiseres op 23 april 2019 een aflopend krediet van € 14.071,- heeft afgesloten bij [bedrijf 1] . Uit hetzelfde overzicht blijkt dat op 4 juni 2021 een achterstand is ontstaan. Dat betekent dat de schuld na 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en dus niet voldoet aan de voorwaarden voor overname van een geldschuld op grond van de Wht.
4.2.2.
De schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 1] betreft een huurschuld. Uit een specificatie van de deurwaarder blijkt dat op 1 mei 2021 sprake was van een achterstand van € 713,68. De huurtermijn van juni 2021 bedroeg € 999,16. Op 1 juni 2021 is € 142,74 betaald en op 25 juni 2021 € 999,16. Omdat de oudste schuld als eerste wordt afgelost, is met de betaling op 25 juni 2021 de achterstand die voor 1 juni 2021 bestond volledig betaald. Dat betekent dat de door eiseres ingediende huurschuld van € 8.918,85 is ontstaan en opeisbaar is geworden na 1 juni 2021. De schuld komt daarom niet in aanmerking voor overname op grond van artikel 4.1 van de Wht. Verder blijkt uit het dossier niet dat eiseres een bedrag op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen voor 25 juni 2021, zodat ook geen recht bestaat op compensatie op grond van artikel 4.3 van de Wht.
4.2.3.
Uit het dossier blijkt niet waarop de schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 2] betrekking heeft. Eiseres heeft dat ook niet toegelicht. In het summiere overzicht van de deurwaarder staat bij het referentienummer de datum 21 november 2019 vermeld. Het is aan eiseres om de gegevens te verschaffen die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, nu van haar als schuldenaar mag worden verwacht dat zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen over de gegevens van de schuld. Op basis van de beperkte informatie over de schuld in het dossier kan niet worden vastgesteld dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De schuld voldoet dus niet aan de voorwaarden voor overname ervan op grond van de Wht.
4.2.4.
De schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 2] houdt verband met de ontruiming van een hennepkwekerij in de huurwoning van eiseres. Uit het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 5 oktober 2018 volgt dat op 13 maart 2018 bij een inval een hennepkwekerij is aangetroffen met 126 hennepplanten. Het houden van een hennepkwekerij is in strijd met de wet en daarmee een onrechtmatige daad. De schuld is daarom terecht niet overgenomen op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wht. Eiseres heeft niet toegelicht met welke omstandigheden de minister geen rekening zou hebben gehouden bij het afwijzen van deze schuld.
4.2.5.
Uit het voorgaande volgt dat de schulden aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet voldoen aan de voorwaarden voor overname of compensatie ervan op grond van de Wht. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
5. Eiseres betoogt dat de minister de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht had moeten toepassen. Eiseres heeft als gedupeerde van de toeslagenaffaire een moeilijke en ingrijpende tijd achter de rug. Zij is uit huis gezet en alles kwijtgeraakt. Nog steeds is zij bezig om zichzelf en haar situatie op de rails te krijgen en zij heeft hier alle financiële hulp bij nodig. Schuldeisers werken niet mee aan het verstrekken van informatie aan eiseres. De problemen van eiseres zijn veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van de Dienst Toeslagen. In het herstelproces moet worden gestreefd naar een volledig en ruimhartig herstel.
5.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is het volgende van belang. De minister kan afwijken van artikel 4.1 of 4.3 van de Wht voor zover toepassing ervan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Eiseres heeft geen actuele omstandigheden aangevoerd waaruit zou volgen dat het niet overnemen van de schulden op dit moment zou leiden tot een schrijnende situatie. Dat schuldeisers niet zouden meewerken aan het verstrekken van informatie aan eiseres, is daarvoor onvoldoende, zeker nu eiseres niet heeft toegelicht om welke schuldeisers het gaat, welke informatie zij bij hen heeft opgevraagd en hoe de schuldeisers daarop hebben gereageerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de schulden aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet hoeft over te nemen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wht.
Artikel 6:43, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.
Artikel 6:162, tweede lid, van het BW.
Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
ABRvS 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:628, r.o. 7.2.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7045
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Šimičević),
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
1. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om overname van geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister heeft de aanvraag gedeeltelijk afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat terecht gedaan. Hij mocht ook in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 20 januari 2025 heeft de minister de aanvraag van eiseres om overname van private schulden gedeeltelijk afgewezen op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 januari 2025 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Partijen hebben de rechtbank laten weten een zitting niet nodig te vinden. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag gedaan om overname van private schulden op grond van de Wht. De minister heeft zeven schulden overgenomen, een schuld gedeeltelijk overgenomen en zes schulden niet overgenomen. Met het bestreden besluit is de minister daarbij gebleven.
Overname van private schulden
4. Eiseres betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte gedeeltelijk heeft afgewezen. Uit het dossier blijkt niet dat de schuld aan [bedrijf 1] na 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De minister heeft miskend dat de eerste schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 1] is ontstaan in april 2021 door de financiële problemen als gevolg van de toeslagenaffaire. De overname van de tweede schuld aan [bedrijf 2] (referentie [kenmerk 2] ) is ten onrechte geweigerd, omdat uit het dossier blijkt dat de schuld is ontstaan op 12 november 2019. Ten aanzien van de derde schuld aan [bedrijf 2] (referentie [kenmerk 3] ) heeft de minister ten onrechte het verhaal dat eiseres hierover heeft verteld niet meegewogen.
4.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een gedupeerde toeslagenouder. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad wordt niet overgenomen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag om overname van de schulden aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] terecht afgewezen. De rechtbank licht dat hierna toe.
4.2.1.
Uit het overzicht met kredietdetails van Stichting BKR blijkt dat eiseres op 23 april 2019 een aflopend krediet van € 14.071,- heeft afgesloten bij [bedrijf 1] . Uit hetzelfde overzicht blijkt dat op 4 juni 2021 een achterstand is ontstaan. Dat betekent dat de schuld na 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en dus niet voldoet aan de voorwaarden voor overname van een geldschuld op grond van de Wht.
4.2.2.
De schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 1] betreft een huurschuld. Uit een specificatie van de deurwaarder blijkt dat op 1 mei 2021 sprake was van een achterstand van € 713,68. De huurtermijn van juni 2021 bedroeg € 999,16. Op 1 juni 2021 is € 142,74 betaald en op 25 juni 2021 € 999,16. Omdat de oudste schuld als eerste wordt afgelost, is met de betaling op 25 juni 2021 de achterstand die voor 1 juni 2021 bestond volledig betaald. Dat betekent dat de door eiseres ingediende huurschuld van € 8.918,85 is ontstaan en opeisbaar is geworden na 1 juni 2021. De schuld komt daarom niet in aanmerking voor overname op grond van artikel 4.1 van de Wht. Verder blijkt uit het dossier niet dat eiseres een bedrag op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen voor 25 juni 2021, zodat ook geen recht bestaat op compensatie op grond van artikel 4.3 van de Wht.
4.2.3.
Uit het dossier blijkt niet waarop de schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 2] betrekking heeft. Eiseres heeft dat ook niet toegelicht. In het summiere overzicht van de deurwaarder staat bij het referentienummer de datum 21 november 2019 vermeld. Het is aan eiseres om de gegevens te verschaffen die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, nu van haar als schuldenaar mag worden verwacht dat zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen over de gegevens van de schuld. Op basis van de beperkte informatie over de schuld in het dossier kan niet worden vastgesteld dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De schuld voldoet dus niet aan de voorwaarden voor overname ervan op grond van de Wht.
4.2.4.
De schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 2] houdt verband met de ontruiming van een hennepkwekerij in de huurwoning van eiseres. Uit het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 5 oktober 2018 volgt dat op 13 maart 2018 bij een inval een hennepkwekerij is aangetroffen met 126 hennepplanten. Het houden van een hennepkwekerij is in strijd met de wet en daarmee een onrechtmatige daad. De schuld is daarom terecht niet overgenomen op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wht. Eiseres heeft niet toegelicht met welke omstandigheden de minister geen rekening zou hebben gehouden bij het afwijzen van deze schuld.
4.2.5.
Uit het voorgaande volgt dat de schulden aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet voldoen aan de voorwaarden voor overname of compensatie ervan op grond van de Wht. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsclausule
5. Eiseres betoogt dat de minister de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht had moeten toepassen. Eiseres heeft als gedupeerde van de toeslagenaffaire een moeilijke en ingrijpende tijd achter de rug. Zij is uit huis gezet en alles kwijtgeraakt. Nog steeds is zij bezig om zichzelf en haar situatie op de rails te krijgen en zij heeft hier alle financiële hulp bij nodig. Schuldeisers werken niet mee aan het verstrekken van informatie aan eiseres. De problemen van eiseres zijn veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van de Dienst Toeslagen. In het herstelproces moet worden gestreefd naar een volledig en ruimhartig herstel.
5.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is het volgende van belang. De minister kan afwijken van artikel 4.1 of 4.3 van de Wht voor zover toepassing ervan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Eiseres heeft geen actuele omstandigheden aangevoerd waaruit zou volgen dat het niet overnemen van de schulden op dit moment zou leiden tot een schrijnende situatie. Dat schuldeisers niet zouden meewerken aan het verstrekken van informatie aan eiseres, is daarvoor onvoldoende, zeker nu eiseres niet heeft toegelicht om welke schuldeisers het gaat, welke informatie zij bij hen heeft opgevraagd en hoe de schuldeisers daarop hebben gereageerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de schulden aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet hoeft over te nemen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wht.
Artikel 6:43, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.
Artikel 6:162, tweede lid, van het BW.
Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
ABRvS 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:628, r.o. 7.2.