Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8656

2026-07-17 Bestuursrecht; Belastingrecht ROT 24/9922
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 24/9922
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het college heeft in het kader van de brede ondersteuning van gedupeerden van de toeslagenaffaire toegezegd een rekening voor huiswerkbegeleiding te betalen. Het college mocht in redelijkheid niet afzien van het honoreren van het gerechtvaardigd vertrouwen, omdat niet is gebleken dat de huiswerkbegeleiding niet geschikt zou zijn voor de kinderen. Beroep gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.015 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 24/9922


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de brede ondersteuning die door het college aan eiseres is geboden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de vergoeding voor de kosten voor de huiswerkbegeleiding voor haar dochters. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 30 januari 2024 heeft het college aan eiseres brede ondersteuning geboden op grond van artikel 2.21 van de Wht.



2.1.
Met het besluit van 17 september 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 30 januari 2024 ongegrond verklaard.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
Met het besluit van 10 april 2026 heeft het college aan eiseres brede ondersteuning geboden op grond van artikel 2.21 van de Wht.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 16 juni 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de rechtbank



Reikwijdte van het beroep


3. Het beroep heeft van rechtswege betrekking op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit. Het besluit van 10 april 2026 behelst een wijziging van het bestreden besluit, omdat het een aanvulling is op het plan van aanpak dat met het besluit van 30 januari 2024 en het bestreden besluit is vastgesteld. Eiseres is het niet eens met het besluit van 10 april 2026. Het beroep heeft daarom van rechtswege betrekking op het besluit van 30 april 2026. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de aanvulling op het plan van aanpak dat met het besluit van 30 april 2026 is vastgesteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 30 april 2026, te verwijzen naar het college voor behandeling in bezwaar.



Totstandkoming van het bestreden besluit


4. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Met het besluit van 30 januari 2024 heeft het college een plan van aanpak vastgesteld waarmee brede ondersteuning aan eiseres is geboden op de leefgebieden financiën, werk, wonen en zorg. Daarbij heeft het college geweigerd de kosten van de huiswerkbegeleiding van de kinderen van eiseres te vergoeden, omdat de diensten van [bedrijf] , het bedrijf dat de huiswerkbegeleiding zou verzorgen, niet zouden aansluiten bij de hulp die de kinderen nodig hadden. Met het bestreden besluit is het college daarbij gebleven.Vertrouwensbeginsel
5. Eiseres betoogt dat het college in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. In een gesprek op 5 oktober 2023 is door een wijkcoach en kwaliteitsmedewerker aan eiseres toegezegd dat de kosten van de huiswerkbegeleiding door [bedrijf] zouden worden vergoed. Het is niet duidelijk op grond waarvan het college tot de conclusie is gekomen dat de diensten van [bedrijf] niet zouden aansluiten bij de hulp die de kinderen nodig hadden.


5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Het college is niet gebonden aan een toezegging van medewerkers van de afdeling Toeslagen010. Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat het belang van een adequate begeleiding van de kinderen van eiseres zwaarder weegt dan het honoreren van een eventueel gerechtvaardigd vertrouwen. Volgens het college blijkt uit de omschrijving van [bedrijf] in het register van de Kamer van Koophandel (KvK) onvoldoende dat het bedrijf geschikte huiswerkbegeleiding biedt.



5.2.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.


5.2.1.
Eiseres heeft de wijkcoach gevraagd om hulp bij de huiswerkbegeleiding van haar kinderen. Tijdens de toeslagenaffaire was sprake van een lastige thuissituatie. Haar dochters hebben daardoor een leerachterstand opgelopen en bij een van hen is sprake van een vermoeden van dyslexie.



5.2.2.
De wijkcoach heeft eiseres verzocht een factuur te sturen voor de huiswerkbegeleiding. Eiseres heef daarop een factuur toegestuurd van [bedrijf] , het bedrijf van haar zus. De kosten voor de begeleiding van [minderjarige 1] bedroegen € 70,- per uur, die van [minderjarige 2] € 55,- per uur. De begeleiding zou per kind zes keer zestig minuten per week plaatsvinden, gedurende tien maanden. De totale kosten bedroegen € 30.070,-.



5.2.3.
De hoogte van de kosten was aanleiding voor een nader gesprek met eiseres. In een gesprek op 5 oktober 2023 hebben de wijkcoach en een kwaliteitsmedewerker de factuur van [bedrijf] besproken. Daarbij is aan eiseres toegezegd dat de rekening zou worden betaald.



5.2.4.
Het college heeft geen uittreksel uit het KvK-register overgelegd. De rechtbank heeft ambtshalve op de zitting aan de orde gesteld dat in het gratis toegankelijke gedeelte van de website van de KvK het volgende staat vermeld onder nummer [kvk-nummer] : “Als docent Maatschappijleer- kunde -wetenschappen probeer je actuele maatschappelijke vraagstukken betekenisvol te maken voor leerlingen. Je gebruikt hierbij voornamelijk inzichten uit de sociologie en politicologie, maar ook uit andere disciplines. In samenwerking met andere zorgdisciplines en onderwijsgoeroe's ondersteunen wij leerlingen en adolescenten in hun leer en zorgbehoefte. (…) Eenmanszaak (…) Handelsnamen: [bedrijf] .”




5.3.
Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden doorlopen. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Vervolgens is het de vraag of de toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Tot slot is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan.



5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank licht dit hierna toe.


5.4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan eiseres een toezegging is gedaan. In het bestreden besluit staat: “Daarmee is voor ons voldoende duidelijk dat u is toegezegd dat de rekening betaald zou worden.” De rechtbank gaat ervan uit dat de toezegging mondeling is gedaan aan eiseres in het gesprek op 5 oktober 2023 door de wijkcoach. Het is aannemelijk dat deze uitlating bij eiseres redelijkerwijs de indruk heeft gewekt dat het college de kosten van de huiswerkbegeleiding zou vergoeden in het kader van de brede ondersteuning op grond van artikel 2.21 van de Wht.



5.4.2.
De toezegging van de wijkcoach kan aan het college worden toegerekend. Het (primaire) besluit van 30 januari 2024 is namens het college opgesteld door een wijkcoach. Het college heeft op de zitting bevestigd dat in die periode de wijkcoach bevoegd was namens het college een besluit te nemen over de brede ondersteuning op grond van artikel 2.21 van de Wht.



5.4.3.
Het college mocht in redelijkheid niet het belang van de juiste zorg voor de kinderen van eiseres zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres bij het honoreren van het gerechtvaardigde vertrouwen. Uit de KvK-gegevens van [bedrijf] blijkt onvoldoende dat dit bedrijf niet geschikt zou zijn voor de huiswerkbegeleiding van de kinderen van eiseres, nu daarin ook staat vermeld dat leerlingen in hun leer- en zorgbehoefte worden ondersteund. Bovendien kan een dergelijke conclusie niet enkel worden gebaseerd op de omschrijving van een onderneming in het KvK-register. Niet is gebleken dat het college nader onderzoek heeft gedaan naar de geschiktheid van [bedrijf] . Het is daarom niet aannemelijk geworden dat het belang van de juiste zorg voor de kinderen voor eiseres zou worden geschaad door het honoreren van het gerechtvaardigde vertrouwen. De beroepsgrond slaagt.




5.5.
Wat het college verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan het college meent, is niet aannemelijk dat het op de factuur vermelde rekeningnummer onjuist is. Uit het KvK-register volgt dat onder hetzelfde KvK-nummer twee bedrijven, behorende tot dezelfde eenmanszaak, zijn geregistreerd, namelijk [bedrijf] en [bedrijf] . Eiseres heeft hierover verklaard dat haar zus eigenaar is van die twee bedrijven. Dat uit de factuur zou volgen dat de kinderen van eiseres ook gedurende de schoolvakanties huiswerkbegeleiding zouden krijgen, is inderdaad opvallend, maar een omstandigheid waarmee de wijkcoach bekend was ten tijde van het doen van de toezegging in het gesprek op 5 oktober 2023. Bovendien volgt daaruit niet dat [bedrijf] niet geschikt zou zijn voor de huiswerkbegeleiding van de kinderen van eiseres.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 10 april 2026, wordt verwezen naar het college voor behandeling in bezwaar. Het beroep is voor het overige gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen.

7. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de huiswerkbegeleiding als gevolg van het uitblijven van betaling eerder is gestopt. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank:



verwijst het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 10 april 2026, naar het college voor behandeling in bezwaar;


verklaart het beroep voor het overige gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


bepaalt dat het college binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb.


Artikel 8:69, derde lid, van de Awb.


ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.