Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8653

2026-07-16 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT 26/4882
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
ROT 26/4882
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WVW, vovo, oplegging onderzoek naar het alcoholgebruik en schorsing rijbewijs wegens driemaal proces-verbaal voor het rijden onder invloed van alcohol. Eerdere EMA-maatregel moet als ingetrokken worden beschouwd. Evenredigheid.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.884 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 26/4882


uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),


en


de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)
(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).


Samenvatting


Het CBR heeft verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik (rijgeschiktheid) opgelegd en de geldigheid van verzoekers rijbewijs hangende dit onderzoek geschorst. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.




Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 29 mei 2026 heeft het CBR verzoeker te kennen gegeven dat hij een onderzoek naar zijn alcoholgebruik moet laten doen en hangende dit onderzoek de geldigheid van verzoekers rijbewijs geschorst. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.1.
Het CBR heeft op het verzoekschrift gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het CBR.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Wat is er gebeurd?

2. Verzoeker is op 27 mei 2025 om 02:30 uur als bestuurder van een bedrijfsauto door de politie aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol (artikel 8, tweede lid aanhef en onder a, van de WVW 1994 (WVW). De aanhouding vond plaats op de [straat] in [plaats 2] . Verzoeker viel op door zijn rijgedrag (met zeer lage snelheid optrekken). Bij verzoeker is een blaastest afgenomen. Het resultaat van de ademanalyse bedroeg 345 μg/l (0,794 ‰).



2.1.
Op 21 februari 2026 is verzoeker opnieuw als bestuurder van een bedrijfsauto door de politie aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. De dienstdoende politiebeambten kregen om 02:56 uur de melding van een verkeersongeval op de A38 bij Ridderkerk. Ter plaatse bleek het te gaan om een eenzijdig ongeval. Verzoeker was rechtdoor gereden in een bocht en tegen een boom gebotst. Na een voorlopige ademtest is verzoeker wegens (vermoedelijk) letsel overgebracht naar het ziekenhuis. Uit het daar verrichte bloedonderzoek bleek een alcoholgehalte van 700 μg/l (1,610 ‰).



2.2.
Op 19 april 2026 rond 02:53 uur is verzoeker wederom als bestuurder van een bedrijfsauto door de politie staande gehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. Bij verzoeker is een blaastest afgenomen. Het resultaat van de ademanalyse bedroeg 570 μg/l (1,311 ‰).



2.3.
Van de genoemde incidenten is proces-verbaal opgemaakt. Met het proces-verbaal van 17 mei 2026, dat ziet op het incident op 19 april 2026, heeft de politie tevens mededeling gedaan aan het CBR van het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig te besturen (artikel 130 van de WVW).

3. Met het besluit van 22 mei 2026 heeft het CBR verzoeker in verband met de incidenten van 27 mei 2025 en 21 februari 2026 een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA-cursus) opgelegd.

4. Bij brief van 29 mei 2026 heeft het CBR verzoeker bericht dat hij de EMA-cursus niet meer hoeft te volgen. Het CBR heeft nieuwe informatie ontvangen, waaruit blijkt dat een EMA-cursus niet langer de juiste maatregel is. Het CBR zal verzoeker bij afzonderlijk besluit een andere maatregel opleggen. Vervolgens heeft het CBR nog diezelfde dag het bestreden besluit genomen.



Waar gaat deze zaak om?


5. Met het bestreden besluit heeft het CBR verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd. Zijn rijbewijs is hangende dit onderzoek geschorst. Naar aanleiding van de mededeling van de politie van 17 mei 2026 en de onderliggende politierapportage is bij het CBR het vermoeden gerezen dat verzoeker niet langer geschikt is om een motorrijtuig te besturen. Uit de politierapportage blijkt dat in de afgelopen vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal tegen verzoeker is opgemaakt wegens verdenking van het overtreden van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de WVW. Bij (tenminste) één van die verdenkingen is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid, als genoemd in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). De artikelen 5 en 6 van de Regeling zijn eveneens van toepassing. Het CBR heeft daarom ook de geldigheid van verzoekers rijbewijs - in ieder geval tot de uitslag van het onderzoek - geschorst.

6. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat het besluit van 29 mei 2026 wordt geschorst, totdat op het bezwaar is beslist. Verzoeker betwist de rechtsgeldigheid van dit besluit. Volgens verzoeker is het besluit van 22 mei 2026 nog steeds van kracht. Verzoeker is althans niet gebleken dat dit besluit formeel is ingetrokken of herroepen. Verzoeker mocht er daarom op vertrouwen dat een EMA-cursus in zijn geval een passende maatregel is. Verzoeker meent daarom dat hij alsnog in staat moet worden gesteld om de EMA-cursus te volgen, in plaats van een onderzoek naar de rijgeschiktheid te ondergaan. In dat geval zou ook de schorsing van het rijbewijs moeten worden teruggedraaid. Daarnaast heeft het CBR ten onrechte nagelaten om te vermelden welke nieuwe feiten en omstandigheden voor het CBR aanleiding zijn geweest om op 29 mei 2026, binnen een zeer korte periode, terug te komen van een eerder genomen besluit en een fundamenteel ander besluit te nemen. Het besluit van 29 mei 2026 is hiermee onzorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd.



Spoedeisend belang


7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van ‘onverwijlde’ spoed, dus als de beslissing op het bezwaar of beroep niet kan worden afgewacht.

8. Een financieel belang is in de regel op zichzelf onvoldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening. Een spoedeisend belang kan echter wel worden aangenomen, indien aannemelijk is dat de onderneming in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Daarvan kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen

Verzoeker voert aan dat hij ondernemer is en werkzaam is binnen de logistieke sector. Zijn werkzaamheden bestaan onder meer uit het onderhouden van klantcontacten, het organiseren en begeleiden van transporten, het bezoeken van opdrachtgevers, het ophalen van goederen en het verrichten van logistieke werkzaamheden op verschillende locaties. Voor de uitoefening van zijn dagelijkse werkzaamheden is verzoeker daarom rechtstreeks afhankelijk van zijn rijbewijs. Door het bestreden besluit kan verzoeker nu niet werken en zit hij noodgedwongen thuis. De financiële gevolgen zijn groot voor verzoeker en laten zich nu al voelen. Verzoeker heeft inmiddels al zijn spaargeld opgemaakt om in zijn levensonderhoud te voorzien.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker aanvoert wel aanleiding om het spoedeisend belang aan te nemen.




De voorzieningenrechter wijst het verzoek af


9. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



Is het besluit van 22 mei 2026 nog steeds van kracht?


10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het CBR in de brief van 29 mei 2026, voldoende helder, uiteen heeft gezet waarom verzoeker de EMA-cursus niet meer hoeft te volgen. Het CBR heeft aanvullende informatie gekregen van de politie. Dit betrof, zoals blijkt uit het besluit van 29 mei 2026 en zoals door de gemachtigde van het CBR op de zitting is bevestigd, het alcoholincident van 19 april 2026. Op basis van dit (derde) incident heeft het CBR besloten dat een EMA-cursus niet langer een juiste maatregel is en dat een nieuw besluit moet worden genomen. Vervolgens heeft het CBR nog diezelfde dag (29 mei 2026) het bestreden besluit genomen en verzoeker een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de brief van 29 mei 2026 en het besluit van 29 mei 2026, in onderlinge samenhang gelezen, voldoende duidelijk maken dat het eerdere besluit van 22 mei 2026 als ingetrokken moet worden beschouwd. Verzoeker kan dus geen gerechtvaardigd beroep doen op het vertrouwensbeginsel.



Mocht het CBR verzoeker een onderzoek naar het alcoholgebruik opleggen?


11. De bevoegdheid voor het CBR om een onderzoek naar het alcoholgebruik op te leggen staat in artikel 131 van de WVW gelezen in samenhang met artikel 23 van de Regeling. Die bevoegdheid is er als tijdens een ademonderzoek een bepaald ademalcohol-gehalte is vastgesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1943).

12. Niet is in geschil dat verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig binnen een tijdsbestek van één jaar drie maal door de politie is aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. Op 19 april 2026 bedroeg het resultaat van de ademanalyse 570 μg/l (1,311 ‰), op 21 februari 2026: 700 μg/l (1,610 ‰) en op 27 mei 2025: 345 μg/l (0,794 ‰). Het CBR stelt zich daarom terecht op het standpunt dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met de artikelen 5 en 6 van de Regeling. Dit betekent dat het CBR bevoegd is om verzoeker een onderzoek naar de rijgeschiktheid (lees: zijn alcoholgebruik) op te leggen en hangende dit onderzoek het rijbewijs van verzoeker te schorsen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2325).

13. Het CBR heeft hierbij het incident van 19 april 2026 alsnog, als derde relevant feit, mogen meenemen in de besluitvorming. Het CBR is eerst op 17 mei 2026 door de politie van dit feit op de hoogte gesteld. Mogelijk hebben de politierapportage en het als ingetrokken te beschouwen besluit van 22 mei 2026 elkaar gekruist. Voor zover verzoeker stelt dat het voor hem onduidelijk was wat het nieuwe feit was, kan de voorzieningenrechter hem niet volgen. In het bestreden besluit is naast de in het besluit van 22 mei 2026 genoemde feiten een nieuw feit van 19 april 2026 vermeld. Overigens wist verzoeker dat dit feit er lag en had hij dus in redelijkheid kunnen vermoeden dat dit ten onrechte niet in het besluit van 22 mei 2026 was meegenomen en hem (wellicht) alsnog op een later tijdstip zou worden tegengeworpen. Daarbij heeft het CBR niet onzorgvuldig gehandeld door al binnen een week een nieuw besluit te nemen.



Is het bestreden besluit evenredig?


14. Verzoeker stelt dat hij door het bestreden besluit onevenredig wordt benadeeld. Hij heeft het rijbewijs nodig voor het uitoefenen van zijn eigen bedrijf.

15. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924) laten de toepasselijke bepalingen van de WVW en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Wel kan de rechter, in een zeer uitzonderlijk geval, oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.

16. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onevenredig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval. De situatie van verzoeker wijkt niet af van die van andere personen aan wie een onderzoek naar de rijvaardigheid is opgelegd en van wie de geldigheid van het rijbewijs is geschorst en die een eigen bedrijf hebben.

Conclusie en gevolgen


17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik moet ondergaan en dat zijn rijbewijs hangende dit onderzoek geschorst blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.