Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8651
2026-02-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/704392 / FA RK 25-5907
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag o.g.v. artikel 1:253n BW vanwege gewijzigde omstandigheden. Wijziging van het gezag is in het belang van de minderjarigen noodzakelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.917 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704392 / FA RK 25-5907
Beschikking van 16 februari 2026 over het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. G.J. Schipper-de Bruijn te Spijkenisse,
t e g e n
[naam man]
, hierna: de man,
briefadres te [woonplaats] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 juli 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier gebruik van gemaakt door op 4 februari 2026 met de kinderrechter te praten.
2De vaststaande feiten
2.1.
Het huwelijk van partijen is op 6 juni 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 mei 2023 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
De vrouw en de man zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
3De beoordeling
3.1.
Gezag
3.1.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan haar toekomt.
3.1.2.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.1.3.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.1.4.
Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag. Deze gewijzigde omstandigheden zijn erin gelegen dat er tussen partijen nagenoeg geen communicatie meer is en dat de man niet meer betrokken is bij belangrijke zaken betreffende de minderjarigen. De beperkte communicatie tussen partijen vindt enkel plaats via WhatsApp. Daarnaast zijn de gewijzigde omstandigheden erin gelegen dat de man momenteel geen contact heeft met zijn dochters.
3.1.5.
Vervolgens zal beoordeeld moeten worden of op grond van het in artikel 1:251a BW genoemde criterium, er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag.
3.1.6.
De rechtbank is hierover met de raad van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. De rechtbank overweegt daartoe dat onweersproken is gesteld dat de man de gezagsuitoefening hindert, doordat hij vaak heeft gedreigd niet te zullen meewerken aan het ondertekenen van de noodzakelijke papieren. Dit levert bijvoorbeeld problemen op met buitenlandse vakanties of noodzakelijke medische behandelingen voor de minderjarigen. De minderjarigen hebben hier veel last van, zoals ook gebleken is uit het gesprek dat de kinderrechter met hen heeft gevoerd. Verder is van belang dat de man momenteel niet betrokken is in het leven van de minderjarigen. De man spant zich hier ook niet voor in. Zo is het voorgekomen dat de man niet is verschenen op belangrijke afspraken aangaande de minderjarigen zoals schoolgesprekken, terwijl de vrouw de man hierover wel op de hoogte had gebracht. Ook heeft een therapeutische behandeling voor [minderjarige 1] vertraging opgelopen omdat de man bij eerdere afspraken niet was verschenen en pas later gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging van de therapeut.
3.1.7.
Verder is van belang dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag de minderjarigen nadelige gevolgen zullen ondervinden als voor hen belangrijke beslissingen genomen moeten worden of noodzakelijke papieren ondertekend moeten worden. Zo zal voor de minderjarigen nog een handtekening nodig zijn voor een vervolgopleiding. Ook kan (onverwachts) zich een medische situatie voordoen. Het is in het belang van de minderjarigen dat de vrouw dan snel kan beslissen en niet op een reactie of de handtekening van de man moet wachten. De minderjarigen hebben ook aangegeven dat zij willen dat alleen hun moeder belast wordt met het gezag.
3.1.8.
De rechtbank zal het gezamenlijk ouderlijk gezag daarom beëindigen en bepalen dat het ouderlijk gezag voortaan aan de vrouw toekomt.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het ouderlijk gezag over de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] ;
voortaan aan de vrouw toekomt;
4.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel
1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 16 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704392 / FA RK 25-5907
Beschikking van 16 februari 2026 over het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. G.J. Schipper-de Bruijn te Spijkenisse,
t e g e n
[naam man]
, hierna: de man,
briefadres te [woonplaats] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 juli 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier gebruik van gemaakt door op 4 februari 2026 met de kinderrechter te praten.
2De vaststaande feiten
2.1.
Het huwelijk van partijen is op 6 juni 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 mei 2023 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
De vrouw en de man zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
3De beoordeling
3.1.
Gezag
3.1.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan haar toekomt.
3.1.2.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.1.3.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.1.4.
Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag. Deze gewijzigde omstandigheden zijn erin gelegen dat er tussen partijen nagenoeg geen communicatie meer is en dat de man niet meer betrokken is bij belangrijke zaken betreffende de minderjarigen. De beperkte communicatie tussen partijen vindt enkel plaats via WhatsApp. Daarnaast zijn de gewijzigde omstandigheden erin gelegen dat de man momenteel geen contact heeft met zijn dochters.
3.1.5.
Vervolgens zal beoordeeld moeten worden of op grond van het in artikel 1:251a BW genoemde criterium, er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag.
3.1.6.
De rechtbank is hierover met de raad van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. De rechtbank overweegt daartoe dat onweersproken is gesteld dat de man de gezagsuitoefening hindert, doordat hij vaak heeft gedreigd niet te zullen meewerken aan het ondertekenen van de noodzakelijke papieren. Dit levert bijvoorbeeld problemen op met buitenlandse vakanties of noodzakelijke medische behandelingen voor de minderjarigen. De minderjarigen hebben hier veel last van, zoals ook gebleken is uit het gesprek dat de kinderrechter met hen heeft gevoerd. Verder is van belang dat de man momenteel niet betrokken is in het leven van de minderjarigen. De man spant zich hier ook niet voor in. Zo is het voorgekomen dat de man niet is verschenen op belangrijke afspraken aangaande de minderjarigen zoals schoolgesprekken, terwijl de vrouw de man hierover wel op de hoogte had gebracht. Ook heeft een therapeutische behandeling voor [minderjarige 1] vertraging opgelopen omdat de man bij eerdere afspraken niet was verschenen en pas later gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging van de therapeut.
3.1.7.
Verder is van belang dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag de minderjarigen nadelige gevolgen zullen ondervinden als voor hen belangrijke beslissingen genomen moeten worden of noodzakelijke papieren ondertekend moeten worden. Zo zal voor de minderjarigen nog een handtekening nodig zijn voor een vervolgopleiding. Ook kan (onverwachts) zich een medische situatie voordoen. Het is in het belang van de minderjarigen dat de vrouw dan snel kan beslissen en niet op een reactie of de handtekening van de man moet wachten. De minderjarigen hebben ook aangegeven dat zij willen dat alleen hun moeder belast wordt met het gezag.
3.1.8.
De rechtbank zal het gezamenlijk ouderlijk gezag daarom beëindigen en bepalen dat het ouderlijk gezag voortaan aan de vrouw toekomt.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het ouderlijk gezag over de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] ;
voortaan aan de vrouw toekomt;
4.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel
1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 16 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.