Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8646

2026-02-24 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/691061 / FA RK 24-9297
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-02-24
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/691061 / FA RK 24-9297
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, waarbij partijen afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling met de minderjarigen zolang de man nog geen stabiele woonsituatie heeft.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.175 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaak- / rekestnummer: C/10/691061 / FA RK 24-9297





Beschikking van 24 februari 2026 over de echtscheiding




in de zaak van:





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Drenth te Dordrecht,



t e g e n





[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [naam land] .






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 12 december 2024;


de berichten met bijlagen van de vrouw van 21 januari 2025, 16 april 2025,


3 juli 2025 en 21 januari 2026.



1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man;


de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] .








2De vaststaande feiten


2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] , op [datum] .



2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .




2.3.
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De nationaliteit van de man is onbekend.





3De beoordeling


3.1.

Scheiding



3.1.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.



3.1.2.

Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevond en zij daar sinds ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had, komt de Nederlandse rechter op grond van de artikelen 1 en 3 van de Verordening (EG) Nr 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019
(ook wel genoemd Brussel II-ter) rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.




3.1.3.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.



3.1.4.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (art 815 lid 6 Rv).



3.1.5.
De vrouw heeft een ouderschapsplan overgelegd, maar dat is niet door de man ondertekend. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.



3.1.6.
De verzochte echtscheiding zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden uitgesproken.




3.2.

Ouderschapsplan



3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de te wijzen beschikking.




3.3.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek het ouderschapsplan deel uit te laten maken van deze beschikking. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.


3.3.1.
Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen, omdat het ouderschapsplan niet door beide partijen is ondertekend.




3.4.

Hoofverblijfplaats



3.4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verzocht de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen.



3.4.2.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.



3.4.3.
De man stemt in met het verzoek.



3.4.4.
De rechtbank beslist volgens het verzoek omdat dit verzoek niet is weersproken, op de wet is gegrond en niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.




3.5.

Zorgregeling



3.5.1.
De rechtbank begrijpt dat de vrouw verzoekt om de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals die is neergelegd in het ouderschapsplan. Hierin staat vermeld dat de man de minderjarigen kan bezoeken bij de broer van de vrouw ( [naam 2] ). De man kan een dagdeel (ochtend of middag) per week de minderjarigen zien. De man dient dit een week van te voren aan te geven.



3.5.2.
De man wil graag zo veel mogelijk contact met de minderjarigen, maar verzet zich niet tegen de zorgregeling.



3.5.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd te beslissen over een verzoek tot vaststelling van een zorgregeling. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.



3.5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over het contact tussen de man en de minderjarigen. De man heeft geen vaste en geschikte woonruimte en dit maakt onder meer dat de minderjarigen niet bij hem kunnen zijn gedurende de omgang. Omdat de woonsituatie van de man op dit moment nog onduidelijk is, hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling voorlopige afspraken gemaakt over de contacten tussen de man en de minderjarigen. Ook hebben zij afgesproken dat, zodra de man een stabiele woonsituatie heeft, zij met elkaar in overleg zullen gaan over de zorgregeling. De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking.



3.5.5.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangegeven dat hij graag meer contact met de minderjarigen wil dan het afgesproken contact. De vrouw heeft daarop aangegeven dat zij daarvoor open staat, maar ook dat zij stabiliteit en regelmaat voor de minderjarigen belangrijk vindt en dat zij vooraf en tijdig van de man wil vernemen wanneer hij extra contact met de minderjarigen wil. De rechtbank overweegt hierover dat dit aan partijen is om daar verder in onderling overleg nadere afspraken over te maken.




3.6.

Proceskosten



3.6.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.








4De beslissing


De rechtbank:



4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;



4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;



4.3.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben getroffen, te weten dat de man in de gelegenheid is contact met de minderjarigen te hebben:


een dagdeel (ochtend of middag) per week bij de broer van de vrouw (genaamd [naam 2] ) waarbij of die broer of de vrouw aanwezigheid is. De man dient een week van tevoren aan te geven welk dagdeel dit zal zijn;


elke maandag om 19.00 uur Nederlandse tijd door middel van videobellen.


Zodra de man een stabiele woonsituatie heeft, gaan partijen met elkaar in overleg over de verdere invulling van de zorgregeling;



4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;



4.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 24 februari 2026.














































Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.