Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8510
2026-07-15
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/3378
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het besluit dat de werknemer van eiseres op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet in aanmerking komt voor een IVA1-uitkering, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is dus gegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863 Centrale Raad van Beroep 20-05-2009
- ECLI:NL:CRVB:2025:1292 Centrale Raad van Beroep 28-08-2025
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 Centrale Raad van Beroep 04-02-2009
- ECLI:NL:CRVB:2026:356 Centrale Raad van Beroep 26-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.964 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3378
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 2] , eiseres,
(gemachtigde: mr. drs. A. Jurg),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: mr. R. Boonstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1], uit [plaats 1] , de werknemer.
Samenvatting
1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het besluit dat de werknemer van eiseres op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 10 april 2024 een aanvraag gedaan om een herbeoordeling van de WIA-uitkering die haar werknemer ontvangt. Het UWV heeft met het besluit van 3 september 2024 (het primaire besluit) bepaald dat de WIA-uitkering van de werknemer niet wordt gewijzigd.
2.1.
Met het besluit van 19 maart 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is het UWV bij deze beslissing gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 14 januari 2026 bepaald dat kennisneming van de medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van eiseres, mr. drs. A. Jurg.
2.4.
Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend en daarbij ook een nadere rapportage van een door haar ingeschakelde verzekeringsarts, de heer [naam 3] (hierna: verzekeringsarts [naam 3] ), van 27 januari 2026 overgelegd.
2.5.
Het UWV heeft op 10 maart 2026 hierop gereageerd met een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 maart 2026.
2.6.
Eiseres heeft vervolgens op 20 mei 2026 gereageerd met een rapportage van de verzekeringsarts [naam 3] van 30 maart 2026.
2.7.
Het UWV heeft op 29 mei 2026 gereageerd met een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 mei 2026.
2.8.
Eiseres heeft op 5 juni 2026 hierop gereageerd met een rapportage van verzekeringsarts [naam 3] van 3 juni 2026.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het UWV en de werknemer.
Totstandkoming van het bestreden
3. De werknemer is bij eiseres in dienst geweest als belastingadviseur. De werknemer heeft zich op 9 april 2018 ziekgemeld. Per einde wachttijd heeft de werknemer bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd.
3.1.
De werknemer is beoordeeld door een verzekeringsarts, welke in de rapportage van 15 april 2020 tot de conclusie is gekomen dat de werknemer als gevolg van ziekte en/of gebrek verminderde functionele mogelijkheden heeft, zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 april 2020. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige berekend dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van de werknemer 100% is. Het UWV heeft daarom per 6 april 2020 een WIA-uitkering aan de werknemer toegekend.
3.2.
Namens eiseres is op 10 april 2024 een herbeoordeling van de WIA-uitkering van de werknemer aangevraagd. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 26 augustus 2024 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de werknemer als gevolg van ziekte en/of gebrek geen benutbare mogelijkheden heeft, maar dat hij niet voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. Het UWV heeft daarom met het besluit van 3 september 2024 bepaald dat de uitkering van de werknemer niet wordt gewijzigd. Eiseres heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.
3.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 13 maart 2025 geconcludeerd dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, die ten grondslag ligt aan de primaire beslissing, gehandhaafd kan worden. Het UWV heeft het bezwaar van eiseres met het besluit van 19 maart 2025 ongegrond verklaard.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres voert in beroep aan dat de werknemer per 3 september 2024 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat hij recht heeft op een IVA-uitkering. Eiseres stelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet duurzaam is. De verzekeringsartsen hebben niet toegelicht welke functionele mogelijkheden van de werknemer door een behandeling nog (met een meer dan geringe kans) kunnen toenemen. De door eiseres ingeschakelde verzekeringsarts [naam 3] concludeert in zijn tijdens de bezwaarfase ingebrachte rapportage, evenals in de in beroep ingediende rapportages dat de werknemer thans alle mogelijke behandelingen heeft ondergaan. De huidige behandelsessies worden alleen gevolgd, omdat deze in het kader van een lopend medisch traject van de werknemer nogmaals moesten worden geprobeerd. Dit betekent volgens eiseres niet dat sprake is van een meer dan geringe kans op herstel. Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat het UWV informatie had moeten opvragen bij de behandelend sector. Volgens verzekeringsarts [naam 3] is die informatie van toegevoegde waarde, omdat de behandelend sector antwoord kan geven op de vraag of de behandeling die de werknemer volgt, gericht is op herstel van een reëel arbeidsvermogen of alleen dient ter stabilisatie van zijn situatie.
Toepasselijke wet- en regelgeving
5. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op de datum in geding, te weten 3 september 2024, volledig arbeidsongeschikt is. In geschil is de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van de werknemer duurzaam moet worden geacht op grond waarvan hij recht zou hebben op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
7. De werknemer heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken die medische gegevens bevatten aan de werkgever, zijnde eiseres, te verstrekken. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel, voor zover nodig en mogelijk, beperken om te voorkomen dat die gegevens via deze uitspraak alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de behandelend sector medische informatie had moeten opvragen.
8.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) mag een verzekeringsarts bezwaar en beroep op zijn eigen oordeel varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen. De verzekeringsarts moet de behandelend sector raadplegen als een behandeling is ingezet of zal worden ingezet en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden, of als betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn medische beperkingen.
8.2.
Uit de zich in het dossier bevindende rapportage van 24 oktober 2019, opgemaakt door de behandelaars van de werknemer, blijkt dat de werknemer in afwachting van de behandelsessies (die hij tot op heden volgt) ook andere behandelingen heeft ondergaan. De bedrijfsarts heeft in de rapportage van 14 januari 2020 geconstateerd dat de werknemer al in november 2019 is gestart met de behandelsessies en dat deze in ieder geval voortduren tot en met februari 2020. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in de rapportage van 13 maart 2025 op het standpunt gesteld dat het opvragen van informatie bij de behandelend sector geen meerwaarde heeft, omdat behandelaars geen uitspraken doen over prognoses van cliënten. In deze situatie gaat het echter om een werknemer met een ziektebeeld waarbij nog niets vaststaat over de kans op herstel. Naar het oordeel van de rechtbank lag het daarom op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om zo veel mogelijk informatie op te vragen over het resultaat van de eerder gevolgde behandelingen en het beoogde resultaat van de nog lopende behandeling. De rapportage van de behandelaars van eiser van 24 oktober 2019 dateert immers van (ver) vóór de start van de huidige behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte enkel en alleen over informatie afkomstig van de werknemer zelf over die behandeling, terwijl informatie van de behandelaren hierover ontbrak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de medische conclusies door verzekeringsarts [naam 3] en op wat hierna nog wordt overwogen, in dit geval niet heeft kunnen volstaan met dossieronderzoek. In de gegeven omstandigheden had het voor de hand gelegen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie had ingewonnen bij de behandelend sector.
De duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid
9. De rechtbank volgt eiseres ook in haar standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet duurzaam zou zijn.
9.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is bij de vraag of sprake is van duurzaamheid de inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen van belang. Dit brengt mee dat de beoordeling van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de desbetreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
9.2.
De verzekeringsartsen bezwaar en beroep komen in de verschillende rapportages tot de conclusie dat bij de werknemer, gelet op de behandeling die hij volgt, sprake is van een meer dan geringe kans op herstel binnen één jaar. Volgens de verzekeringsartsen bezwaar en beroep gaat het om een ingrijpende behandeling die gericht is op herstel en die niet zomaar wordt ingezet. In de rapportage van 10 maart 2026 licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep toe dat de werknemer al langere tijd onder behandeling is en er geen volledige genezing wordt verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwacht daarentegen wel dat de behandeling het lijden van de werknemer kan verzachten en dat daarmee ook zijn belastbaarheid kan toenemen. Het gegeven dat de werknemer minimaal een halfjaar lang één keer in de een à twee weken een behandeling zal ondergaan, duidt er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat de behandeling is ingezet op het vasthouden van een tijdens een eerdere behandeling bereikte verbetering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat een verbetering van de belastbaarheid door de behandeling niet is uitgesloten, zodat duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid niet kan worden aangenomen. In diezelfde rapportage stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat verzekeringsarts [naam 3] niet met stukken heeft onderbouwd dat de behandeling niet op herstel van een reëel arbeidsvermogen gericht zou zijn en enkel werd ingezet naar aanleiding van een medisch traject waarin de werknemer zich bevond. In de rapportage van 29 mei 2026 voegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep hieraan toe dat de behandeling de symptomen van de werknemer kan verminderen, waardoor zijn belastbaarheid kan verbeteren. Daarnaast geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dat de werknemer in het verleden heeft kunnen weken als Senior Manager Belastingadviseur voor 40 uur per week. Dit impliceert volgens hem dat het niet altijd slecht is gegaan met de werknemer. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het UWV nog aangegeven dat de huidige behandeling ook in het verleden van betekenis is geweest voor de werknemer. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep komen daarom in de verschillende rapportages tot de conclusie dat ten tijde van de datum in geding geen sprake was van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Hier is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van begin juni 2026 nog aan toegevoegd dat het niet aannemelijk is dat sprake is van een progressief ziektebeeld, omdat het in het verleden na een slechtere periode meerdere keren beter is gegaan met de werknemer.
9.3.
Eiseres heeft op eigen initiatief verzekeringsarts [naam 3] ingeschakeld. Verzekeringsarts [naam 3] concludeert in zijn rapportages van 19 november 2024 en 27 januari 2026 dat de behandeling die de werknemer ondergaat, gericht is op stabilisatie van zijn ziektebeeld en dat deze behandeling verplicht was in het kader van een medisch traject waar de werknemer zich voor had aangemeld. Volgens [naam 3] is het aan het UWV om op basis van informatie van de behandelend sector gemotiveerd te onderbouwen dat de behandelingen gericht zijn op herstel van het arbeidsvermogen van de werknemer. Dit hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep onvoldoende gedaan. Daarnaast licht [naam 3] toe dat de eerste ziektedag van de werknemer inmiddels zes jaar geleden is en de einde wachttijd in het kader van de WIA-beoordeling inmiddels vier jaar geleden is. Omdat de werknemer tot op heden nog steeds volledig arbeidsongeschikt is, is het standpunt van het UWV dat een meer dan geringe kans op herstel bestaat onnavolgbaar, aldus [naam 3] . In de rapportage van 30 maart 2026 wijst verzekeringsarts [naam 3] op de hoge eisen die de Raad stelt aan de motivering van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in het kader van een IVA-uitkering. [naam 3] stelt dat het UWV niet aan deze eisen heeft voldaan. In de rapportage van 3 juni 2026 voegt hij hieraan toe dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep slechts een algemene toelichting geven op het resultaat van de behandelsessies. Volgens verzekeringsarts [naam 3] moet het UWV expliciet aangeven op welke punten herstel van het arbeidsvermogen van de werknemer zal volgen.
9.4.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV bij de besluitvorming niet heeft kunnen uitgaan van het door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep gegeven oordeel, omdat zij in hun rapportages slechts de algemene verwachting hebben geuit dat met de behandelsessies een verbetering van de belastbaarheid van de werknemer kan worden verwacht. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is niet voldaan aan de eisen die de Raad stelt aan een motivering over de al dan niet aanwezige duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in het kader van een IVA-uitkering. Er is onvoldoende gemotiveerd dat op de datum in geding nog verbetering van de benutbare mogelijkheden te verwachten was. Uit de rapportage van 13 maart 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat de werknemer sinds november 2019 in totaal 21 behandelingen heeft ondergaan. De werknemer heeft zelf tijdens de zitting toegelicht dat hij die behandelingen volgt ter stabilisatie van zijn medische situatie. Gezien de grote hoeveelheid behandelingen die de werknemer heeft ondergaan, de periode waarin die behandelingen plaatsvonden en dus ook de duur van het lijden van de werknemer en het gegeven dat de werknemer op de datum in geding nog steeds volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep onvoldoende concreet en deugdelijk hebben toegelicht van welke specifieke functionele mogelijkheden verbetering mag worden verwacht. Omdat geen sprake is van een op de individuele behandelresultaten toegespitste motivering van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
10. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit dan ook vanwege strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, gelet op het procesverloop tot nu toe en de overwegingen over het inwinnen van informatie bij de behandelend sector. De rechtbank zal het UWV daarom opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep moet nader onderzoeken en motiveren waarom de arbeidsongeschiktheid van de werknemer al dan niet duurzaam kan worden geacht. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. Deze termijn begint pas te lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden.
10.2
Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Daarnaast moet het UWV de door eiseres gemaakte kosten voor het inschakelen van een deskundige vergoeden. Verzekeringsarts [naam 3] heeft vier rapportages opgemaakt, waarvan één in 2024 en drie in 2026. Uit de rapportages blijkt dat de deskundige in totaal 3 uur in 2024 en 5,25 uur in 2026 aan onderzoek heeft besteed. De rechtbank acht de inschakeling van de deskundige en het gefactureerd aantal uren redelijk. Het UWV heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard het aantal uren redelijk te vinden. Uit het dossier blijkt verder dat een uurtarief van € 185,00 (excl. btw) is gehanteerd. De kosten van de door de deskundige uitgebrachte medische rapportages komen voor vergoeding in aanmerking voor zover de kosten het voor respectievelijk 2024 en 2026 vastgestelde uurtarief van € 154,50 en € 184,42 niet overschrijden. De vergoeding voor de deskundigenkosten bedraagt € 1.431,71 (€ 463,50 + € 968,21). Dit bedrag moet worden vermeerderd met 21% btw. De vergoeding voor de door de deskundige bestede uren bedraagt daarom in totaal € 1.732,37. De proceskostenvergoeding komt dan neer op een totaalbedrag van € 3.600,37.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 maart 2025;
- draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot het betalen van een totaalbedrag van € 3.600,37,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863 en van 28 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1292.
Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 en van 26 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:356.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb komen kosten van een deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb wordt de vergoeding van de kosten van een door een partij ingeschakelde deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van wat is bepaald bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts). Met het Besluit tarieven in strafzaken (Bts) zijn deze tarieven vastgesteld. In artikel 15 van het Bts is bepaald dat de daarin genoemde bedragen worden verhoogd met de omzetbelasting (BTW) die daarover is verschuldigd.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3378
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 2] , eiseres,
(gemachtigde: mr. drs. A. Jurg),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: mr. R. Boonstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1], uit [plaats 1] , de werknemer.
Samenvatting
1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het besluit dat de werknemer van eiseres op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 10 april 2024 een aanvraag gedaan om een herbeoordeling van de WIA-uitkering die haar werknemer ontvangt. Het UWV heeft met het besluit van 3 september 2024 (het primaire besluit) bepaald dat de WIA-uitkering van de werknemer niet wordt gewijzigd.
2.1.
Met het besluit van 19 maart 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is het UWV bij deze beslissing gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 14 januari 2026 bepaald dat kennisneming van de medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van eiseres, mr. drs. A. Jurg.
2.4.
Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend en daarbij ook een nadere rapportage van een door haar ingeschakelde verzekeringsarts, de heer [naam 3] (hierna: verzekeringsarts [naam 3] ), van 27 januari 2026 overgelegd.
2.5.
Het UWV heeft op 10 maart 2026 hierop gereageerd met een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 maart 2026.
2.6.
Eiseres heeft vervolgens op 20 mei 2026 gereageerd met een rapportage van de verzekeringsarts [naam 3] van 30 maart 2026.
2.7.
Het UWV heeft op 29 mei 2026 gereageerd met een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 mei 2026.
2.8.
Eiseres heeft op 5 juni 2026 hierop gereageerd met een rapportage van verzekeringsarts [naam 3] van 3 juni 2026.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het UWV en de werknemer.
Totstandkoming van het bestreden
3. De werknemer is bij eiseres in dienst geweest als belastingadviseur. De werknemer heeft zich op 9 april 2018 ziekgemeld. Per einde wachttijd heeft de werknemer bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd.
3.1.
De werknemer is beoordeeld door een verzekeringsarts, welke in de rapportage van 15 april 2020 tot de conclusie is gekomen dat de werknemer als gevolg van ziekte en/of gebrek verminderde functionele mogelijkheden heeft, zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 april 2020. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige berekend dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van de werknemer 100% is. Het UWV heeft daarom per 6 april 2020 een WIA-uitkering aan de werknemer toegekend.
3.2.
Namens eiseres is op 10 april 2024 een herbeoordeling van de WIA-uitkering van de werknemer aangevraagd. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 26 augustus 2024 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de werknemer als gevolg van ziekte en/of gebrek geen benutbare mogelijkheden heeft, maar dat hij niet voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. Het UWV heeft daarom met het besluit van 3 september 2024 bepaald dat de uitkering van de werknemer niet wordt gewijzigd. Eiseres heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.
3.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 13 maart 2025 geconcludeerd dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, die ten grondslag ligt aan de primaire beslissing, gehandhaafd kan worden. Het UWV heeft het bezwaar van eiseres met het besluit van 19 maart 2025 ongegrond verklaard.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres voert in beroep aan dat de werknemer per 3 september 2024 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat hij recht heeft op een IVA-uitkering. Eiseres stelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet duurzaam is. De verzekeringsartsen hebben niet toegelicht welke functionele mogelijkheden van de werknemer door een behandeling nog (met een meer dan geringe kans) kunnen toenemen. De door eiseres ingeschakelde verzekeringsarts [naam 3] concludeert in zijn tijdens de bezwaarfase ingebrachte rapportage, evenals in de in beroep ingediende rapportages dat de werknemer thans alle mogelijke behandelingen heeft ondergaan. De huidige behandelsessies worden alleen gevolgd, omdat deze in het kader van een lopend medisch traject van de werknemer nogmaals moesten worden geprobeerd. Dit betekent volgens eiseres niet dat sprake is van een meer dan geringe kans op herstel. Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat het UWV informatie had moeten opvragen bij de behandelend sector. Volgens verzekeringsarts [naam 3] is die informatie van toegevoegde waarde, omdat de behandelend sector antwoord kan geven op de vraag of de behandeling die de werknemer volgt, gericht is op herstel van een reëel arbeidsvermogen of alleen dient ter stabilisatie van zijn situatie.
Toepasselijke wet- en regelgeving
5. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op de datum in geding, te weten 3 september 2024, volledig arbeidsongeschikt is. In geschil is de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van de werknemer duurzaam moet worden geacht op grond waarvan hij recht zou hebben op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
7. De werknemer heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken die medische gegevens bevatten aan de werkgever, zijnde eiseres, te verstrekken. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel, voor zover nodig en mogelijk, beperken om te voorkomen dat die gegevens via deze uitspraak alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de behandelend sector medische informatie had moeten opvragen.
8.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) mag een verzekeringsarts bezwaar en beroep op zijn eigen oordeel varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen. De verzekeringsarts moet de behandelend sector raadplegen als een behandeling is ingezet of zal worden ingezet en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden, of als betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn medische beperkingen.
8.2.
Uit de zich in het dossier bevindende rapportage van 24 oktober 2019, opgemaakt door de behandelaars van de werknemer, blijkt dat de werknemer in afwachting van de behandelsessies (die hij tot op heden volgt) ook andere behandelingen heeft ondergaan. De bedrijfsarts heeft in de rapportage van 14 januari 2020 geconstateerd dat de werknemer al in november 2019 is gestart met de behandelsessies en dat deze in ieder geval voortduren tot en met februari 2020. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in de rapportage van 13 maart 2025 op het standpunt gesteld dat het opvragen van informatie bij de behandelend sector geen meerwaarde heeft, omdat behandelaars geen uitspraken doen over prognoses van cliënten. In deze situatie gaat het echter om een werknemer met een ziektebeeld waarbij nog niets vaststaat over de kans op herstel. Naar het oordeel van de rechtbank lag het daarom op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om zo veel mogelijk informatie op te vragen over het resultaat van de eerder gevolgde behandelingen en het beoogde resultaat van de nog lopende behandeling. De rapportage van de behandelaars van eiser van 24 oktober 2019 dateert immers van (ver) vóór de start van de huidige behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte enkel en alleen over informatie afkomstig van de werknemer zelf over die behandeling, terwijl informatie van de behandelaren hierover ontbrak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de medische conclusies door verzekeringsarts [naam 3] en op wat hierna nog wordt overwogen, in dit geval niet heeft kunnen volstaan met dossieronderzoek. In de gegeven omstandigheden had het voor de hand gelegen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie had ingewonnen bij de behandelend sector.
De duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid
9. De rechtbank volgt eiseres ook in haar standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet duurzaam zou zijn.
9.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is bij de vraag of sprake is van duurzaamheid de inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen van belang. Dit brengt mee dat de beoordeling van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de desbetreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
9.2.
De verzekeringsartsen bezwaar en beroep komen in de verschillende rapportages tot de conclusie dat bij de werknemer, gelet op de behandeling die hij volgt, sprake is van een meer dan geringe kans op herstel binnen één jaar. Volgens de verzekeringsartsen bezwaar en beroep gaat het om een ingrijpende behandeling die gericht is op herstel en die niet zomaar wordt ingezet. In de rapportage van 10 maart 2026 licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep toe dat de werknemer al langere tijd onder behandeling is en er geen volledige genezing wordt verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwacht daarentegen wel dat de behandeling het lijden van de werknemer kan verzachten en dat daarmee ook zijn belastbaarheid kan toenemen. Het gegeven dat de werknemer minimaal een halfjaar lang één keer in de een à twee weken een behandeling zal ondergaan, duidt er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat de behandeling is ingezet op het vasthouden van een tijdens een eerdere behandeling bereikte verbetering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat een verbetering van de belastbaarheid door de behandeling niet is uitgesloten, zodat duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid niet kan worden aangenomen. In diezelfde rapportage stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat verzekeringsarts [naam 3] niet met stukken heeft onderbouwd dat de behandeling niet op herstel van een reëel arbeidsvermogen gericht zou zijn en enkel werd ingezet naar aanleiding van een medisch traject waarin de werknemer zich bevond. In de rapportage van 29 mei 2026 voegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep hieraan toe dat de behandeling de symptomen van de werknemer kan verminderen, waardoor zijn belastbaarheid kan verbeteren. Daarnaast geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dat de werknemer in het verleden heeft kunnen weken als Senior Manager Belastingadviseur voor 40 uur per week. Dit impliceert volgens hem dat het niet altijd slecht is gegaan met de werknemer. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het UWV nog aangegeven dat de huidige behandeling ook in het verleden van betekenis is geweest voor de werknemer. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep komen daarom in de verschillende rapportages tot de conclusie dat ten tijde van de datum in geding geen sprake was van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Hier is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van begin juni 2026 nog aan toegevoegd dat het niet aannemelijk is dat sprake is van een progressief ziektebeeld, omdat het in het verleden na een slechtere periode meerdere keren beter is gegaan met de werknemer.
9.3.
Eiseres heeft op eigen initiatief verzekeringsarts [naam 3] ingeschakeld. Verzekeringsarts [naam 3] concludeert in zijn rapportages van 19 november 2024 en 27 januari 2026 dat de behandeling die de werknemer ondergaat, gericht is op stabilisatie van zijn ziektebeeld en dat deze behandeling verplicht was in het kader van een medisch traject waar de werknemer zich voor had aangemeld. Volgens [naam 3] is het aan het UWV om op basis van informatie van de behandelend sector gemotiveerd te onderbouwen dat de behandelingen gericht zijn op herstel van het arbeidsvermogen van de werknemer. Dit hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep onvoldoende gedaan. Daarnaast licht [naam 3] toe dat de eerste ziektedag van de werknemer inmiddels zes jaar geleden is en de einde wachttijd in het kader van de WIA-beoordeling inmiddels vier jaar geleden is. Omdat de werknemer tot op heden nog steeds volledig arbeidsongeschikt is, is het standpunt van het UWV dat een meer dan geringe kans op herstel bestaat onnavolgbaar, aldus [naam 3] . In de rapportage van 30 maart 2026 wijst verzekeringsarts [naam 3] op de hoge eisen die de Raad stelt aan de motivering van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in het kader van een IVA-uitkering. [naam 3] stelt dat het UWV niet aan deze eisen heeft voldaan. In de rapportage van 3 juni 2026 voegt hij hieraan toe dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep slechts een algemene toelichting geven op het resultaat van de behandelsessies. Volgens verzekeringsarts [naam 3] moet het UWV expliciet aangeven op welke punten herstel van het arbeidsvermogen van de werknemer zal volgen.
9.4.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV bij de besluitvorming niet heeft kunnen uitgaan van het door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep gegeven oordeel, omdat zij in hun rapportages slechts de algemene verwachting hebben geuit dat met de behandelsessies een verbetering van de belastbaarheid van de werknemer kan worden verwacht. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is niet voldaan aan de eisen die de Raad stelt aan een motivering over de al dan niet aanwezige duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in het kader van een IVA-uitkering. Er is onvoldoende gemotiveerd dat op de datum in geding nog verbetering van de benutbare mogelijkheden te verwachten was. Uit de rapportage van 13 maart 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat de werknemer sinds november 2019 in totaal 21 behandelingen heeft ondergaan. De werknemer heeft zelf tijdens de zitting toegelicht dat hij die behandelingen volgt ter stabilisatie van zijn medische situatie. Gezien de grote hoeveelheid behandelingen die de werknemer heeft ondergaan, de periode waarin die behandelingen plaatsvonden en dus ook de duur van het lijden van de werknemer en het gegeven dat de werknemer op de datum in geding nog steeds volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep onvoldoende concreet en deugdelijk hebben toegelicht van welke specifieke functionele mogelijkheden verbetering mag worden verwacht. Omdat geen sprake is van een op de individuele behandelresultaten toegespitste motivering van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
10. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit dan ook vanwege strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, gelet op het procesverloop tot nu toe en de overwegingen over het inwinnen van informatie bij de behandelend sector. De rechtbank zal het UWV daarom opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep moet nader onderzoeken en motiveren waarom de arbeidsongeschiktheid van de werknemer al dan niet duurzaam kan worden geacht. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. Deze termijn begint pas te lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden.
10.2
Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Daarnaast moet het UWV de door eiseres gemaakte kosten voor het inschakelen van een deskundige vergoeden. Verzekeringsarts [naam 3] heeft vier rapportages opgemaakt, waarvan één in 2024 en drie in 2026. Uit de rapportages blijkt dat de deskundige in totaal 3 uur in 2024 en 5,25 uur in 2026 aan onderzoek heeft besteed. De rechtbank acht de inschakeling van de deskundige en het gefactureerd aantal uren redelijk. Het UWV heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard het aantal uren redelijk te vinden. Uit het dossier blijkt verder dat een uurtarief van € 185,00 (excl. btw) is gehanteerd. De kosten van de door de deskundige uitgebrachte medische rapportages komen voor vergoeding in aanmerking voor zover de kosten het voor respectievelijk 2024 en 2026 vastgestelde uurtarief van € 154,50 en € 184,42 niet overschrijden. De vergoeding voor de deskundigenkosten bedraagt € 1.431,71 (€ 463,50 + € 968,21). Dit bedrag moet worden vermeerderd met 21% btw. De vergoeding voor de door de deskundige bestede uren bedraagt daarom in totaal € 1.732,37. De proceskostenvergoeding komt dan neer op een totaalbedrag van € 3.600,37.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 maart 2025;
- draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot het betalen van een totaalbedrag van € 3.600,37,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863 en van 28 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1292.
Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 en van 26 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:356.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb komen kosten van een deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb wordt de vergoeding van de kosten van een door een partij ingeschakelde deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van wat is bepaald bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts). Met het Besluit tarieven in strafzaken (Bts) zijn deze tarieven vastgesteld. In artikel 15 van het Bts is bepaald dat de daarin genoemde bedragen worden verhoogd met de omzetbelasting (BTW) die daarover is verschuldigd.