Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8509

2026-07-15 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 25/3372
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/3372
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

SV WAO. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de uitkering die eiseres ontving op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op juiste gronden het bedrag van € 1.037,04 heeft teruggevorderd. Het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.573 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/3372


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mevrouw [gemachtigde] ).



Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de uitkering die eiseres ontving op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Eiseres is het niet eens met deze beslissing. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de te veel betaalde voorschotten op de WAO-uitkering van eiseres heeft teruggevorderd.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op juiste gronden het bedrag van € 1.037,04 heeft teruggevorderd. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 19 maart 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is het UWV bij het besluit van 8 november 2024 (het primaire besluit) gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Eiseres heeft op 14 januari 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend. Het UWV heeft hier op 3 juni 2026 op gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
Eiseres heeft op 5 juni 2026 aanvullende stukken ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.









Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit


3. Eiseres ontvangt van het UWV een WAO-uitkering. Deze uitkering wordt maandelijks in de vorm van een voorschot uitbetaald. Een keer in de drie maanden wordt de hoogte van de uitkering definitief berekend. Eiseres heeft een baan waarmee zij inkomen verdient. Deze inkomsten worden bij de definitieve berekening verrekend met de WAO-uitkering. Het UWV heeft met het besluit van 8 november 2024 aan eiseres medegedeeld dat zij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 september 2024 een bedrag van € 1.037,04 bruto te veel heeft ontvangen. Het UWV heeft het bedrag van € 1.037,04 teruggevorderd. Eiseres heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Met het besluit van 19 maart 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingediend.



Het standpunt van eiseres


4. Eiseres doet een beroep op dringende redenen op grond waarvan moet worden afgezien van de terugvordering van het bedrag van € 1.037,04. Zij stelt daartoe dat ze de werkzaamheden niet heeft verricht met het oogmerk om haar inkomen te verhogen, maar uitsluitend vanuit sociaal oogpunt. De arbeidsongeschiktheid van eiseres heeft tot een aanzienlijke vermindering van haar sociale netwerk geleid, daarom wilde zij haar sociale contacten behouden en uitbreiden door werkzaamheden te gaan verrichten. Eiseres was zich er niet van bewust dat haar beperkte inkomsten een zodanige invloed zouden hebben op haar WAO-uitkering dat dit vervolgens zou leiden tot een forse terugvordering. De opgelegde terugvordering leidt voor eiseres tot aanzienlijke terugval in inkomen en leefsituatie. Volgens eiseres bestaat er voor het UWV voldoende aanleiding om op grond van dringende redenen geheel dan wel gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat bij de terugvordering onvoldoende rekening is gehouden met het evenredigheidsbeginsel, zoals omschreven in artikel 3:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De nadelige gevolgen van het besluit zijn volgens eiseres onevenredig in verhouding tot de doelen die met het besluit worden gediend. De hoogte van het teruggevorderde bedrag staat niet in verhouding tot de beperkt genoten inkomsten in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 september 2024.



Toetsingskader


5. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WAO wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.


5.1.
Op grond van artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WAO herziet het UWV een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.


Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het UWV, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening als bedoeld in het eerste lid af te zien.




5.2.
Uit artikel 57, eerste lid, van de WAO volgt dat het UWV de uitkering die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, terugvordert.


Volgens het zesde lid kan het UWV, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.




Beoordeling van de beroepsgronden

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in de periode 1 juli 2024 tot en met 30 september 2024 een te hoge WAO-uitkering heeft ontvangen. Bij de uitbetaling van de uitkering in die periode is geen rekening is gehouden met het hogere inkomen dat eiseres in juli 2024 tot en met september 2024 heeft verdiend. Het UWV is op grond van artikel 36, eerste lid, van de WAO, in combinatie gelezen met de artikelen 36a, eerste lid, aanhef en onder c, en 57, eerste lid, van de WAO verplicht de uitkering over deze periode te herzien en het te veel betaalde bedrag terug te vorderen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er dringende redenen zijn om het te veel betaalde bedrag geheel of gedeeltelijk niet terug te vorderen.




Dringende redenen




6.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) moet het begrip dringende reden worden gezien als een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV dat wat eiseres heeft aangevoerd niet heeft hoeven aanmerken als dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het UWV heeft alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen bij de beoordeling of aanleiding bestaat om van terugvordering af te zien. Het UWV heeft het daarbij van belang mogen vinden dat de terugvordering niet het gevolg is van handelen van het UWV. Artikel 80, eerste lid, van de WAO verplicht degene die een WAO-uitkering ontvangt om onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan voor hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de hoogte van de uitkering. Uit de correspondentie blijkt dat het UWV eiseres herhaaldelijk erop heeft gewezen dat zij wijzigingen in haar inkomsten binnen een week na de ingangsdatum van die wijziging moet doorgeven. De laatste wijziging die eiseres zelf aan het UWV heeft doorgegeven, zag op de beëindiging van haar dienstverband bij Jumbo per 15 mei 2024. Het UWV heeft bij de terugvordering ook voldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen. De hoogte van de WAO-uitkering is namelijk na het bekend worden van de extra verdiensten van eiseres snel aangepast, waardoor het bedrag van de terugvordering niet onnodig hoog is opgelopen. Daarnaast is met eiseres een betalingsregeling afgesproken, als gevolg waarvan € 86,42 per maand wordt ingevorderd. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres door deze maandelijkse aflossing in financiële problemen komt.



Evenredigheid




6.3.
Eiseres heeft ook een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank zal daarom het terugvorderingsbesluit toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van verplichte herziening en terugvordering, indien achteraf blijkt dat een recht op uitkering niet op de juiste wijze is vastgesteld.



6.4.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV het belang van rechtmatige besteding van gemeenschapsgeld door middel van terugvordering in dit geval zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eiseres om niet met de financiële en persoonlijke gevolgen van de terugbetaling te worden geconfronteerd. Hierbij is van belang dat geen sprake is geweest van een fout of nalatigheid van het UWV en dat een voorschot een voorlopige betaling is, waarbij achteraf terugvordering kan plaatsvinden indien blijkt dat geen recht op uitkering bestond. Voor eiseres was daarom ook voldoende voorzienbaar dat (nieuwe) inkomsten uit arbeid invloed zouden kunnen hebben op de hoogte van haar WAO-uitkering en dat achteraf een correctie zou kunnen volgen. Verder is van belang dat met eiseres een betalingsregeling is getroffen, zodat zij niet het hele bedrag in één keer terug hoeft te betalen. De reden voor het verrichten van de werkzaamheden door eiseres maken niet dat de belangenafweging dan in haar voordeel moet uitvallen. Ook staat het terugvorderingsbedrag van € 1.037,04 in directe verhouding tot het bedrag dat onverschuldigd aan eiseres is betaald. De terugvordering dient dan ook te worden aangemerkt als herstel van de situatie waarin aan eiseres een te hoog bedrag aan WAO-uitkering is betaald. Van een onevenredige uitkomst van de belangenafweging is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.



6.5.
De beroepsgronden slagen niet.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





















Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.


Zie de uitspraak van de Raad van 15 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:44.