Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8175
2026-07-08
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 26/5184
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
SVo. Vovo. Teus doctrine. Herhaald verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het is niet aannemelijk gemaakt dat er een belangrijke wijziging van relevante feiten heeft plaatsgevonden sinds de eerdere uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBROT:2026:5694 Rechtbank Rotterdam 24-04-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:5694 Rechtbank Rotterdam 24-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.309 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5184
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
mede namens haar minderjarige zoon [Minderjarige] ( [Minderjarige] )
(gemachtigde: mr. U. Karatas),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het herhaalde verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft verzocht om een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
3. Het college heeft verzoeksters aanvraag voor maatschappelijke opvang met het primaire besluit van 20 november 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college daarbij gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op dat verzoek is door de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op 24 april 2026.
4. Op 18 juni 2026 heeft verzoekster een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
5. De voorzieningenrechter heeft het herhaalde verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde, K. van Wezel (tolk) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
6. Verzoekster heeft zich laatstelijk op 18 november 2025 gemeld bij Centraal Onthaal voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen. De afwijzing is in stand gehouden met het bestreden besluit. Het college vindt dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang. Verzoekster is in staat om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Zij dient daarom zelf in haar onderdak en dat van haar minderjarige zoon te voorzien. Daarnaast werpt het college verzoekster tegen dat zij onvoorbereid naar Nederland is gekomen en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij Colombia acuut diende te verlaten. Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met het herhaalde verzoek bereiken dat zij en haar zoon toegelaten worden tot de maatschappelijke opvang, totdat is beslist op het beroep.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
7. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de beroepsprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat uitspraak op het beroep volgt. Als hangende het beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl het standpunt van (in dit geval) het college ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de beroepsprocedure opnieuw te bezien. Hierop geldt een uitzondering als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
8. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij opnieuw is blootgesteld aan psychisch, seksueel en economisch geweld door haar ex-partner ( [Minderjarige] vader). Zij dient daarom in aanmerking te worden gebracht voor maatschappelijke opvang op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo. [Minderjarige] verbleef op instigatie van zijn vader bij de broer van vader tot 19 juni 2026 en is een week niet naar school gegaan. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat niet enkel sprake is van een huisvestingsprobleem, omdat zij na de uitspraak is teruggevallen in een huiselijk geweldssituatie. Verzoekster voert verder aan dat inmiddels aan verzoekster een verblijfsvergunning is verleend voor 2,5 jaar. Daarmee heeft verzoekster rechtmatig verblijf in Nederland.
9. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. De verandering van verzoeksters verblijfsstatus levert geen belangrijke wijziging van relevante feiten op, omdat in het vorig voorlopig oordeel reeds is overwogen dat verzoekster onder de reikwijdte van de Wmo valt en vervolgens is geoordeeld of verzoekster en [Minderjarige] in aanmerking komen voor opvang. Een gewijzigde verblijfsstatus maakt dit niet anders.
Tijdens de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij na vertrek uit het hotel op 10 juni 2026 één nacht heeft verbleven in het respijthuis. Vervolgens heeft zij samen met [Minderjarige] bij de broer van de vader verbleven in [locatie 2] . Verzoekster is op maandag 15 juni teruggekeerd naar [locatie 1] , terwijl haar zoon nog tot vrijdag 19 juni bij zijn oom in [locatie 2] heeft verbleven. Verzoekster heeft vervolgens een aantal dagen bij de vader van haar zoon verbleven. Zij verblijft sinds 18 juni 2026 in een appartement in [locatie 1] , dat is geregeld door de vader van haar zoon. [Minderjarige] verblijft hier sinds 19 juni 2026 ook en is na een week school te hebben gemist vanaf 22 juni 2026 weer naar school gegaan. Verzoekster heeft verklaard dat zij tijdens haar verblijf bij de vader van haar zoon te maken had met psychisch, seksueel en economisch geweld. Verzoekster heeft deze stelling echter niet aannemelijk gemaakt met nadere stukken. Uit het dossier blijkt dat zij in een eerder stadium en dus voorafgaand aan het eerder gegeven voorlopig oordeel wel langs is geweest bij de politie, maar dat er geen aangifte is gedaan. Het is verder niet gebleken dat zij melding heeft gemaakt bij Veilig thuis of bij haar belangenbehartiger van het Basisberaad. Ook overigens zijn er geen aanknopingspunten op basis waarvan de eerdere uitspraak in de voorlopige voorzieningenprocedure niet in stand kan blijven. Het is niet aannemelijk gemaakt dat er een belangrijke wijziging van relevante feiten heeft plaatsgevonden sinds die uitspraak.
10. Voor de volledigheid overweegt de voorzieningenrechter ten aanzien van de genoemde belangen van [Minderjarige] dat verzoekster, met wat zij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een belangrijke wijziging van relevante feiten. [Minderjarige] heeft weliswaar door de omstandigheden een week school gemist, toch maakt dit het eerdere oordeel over de door het college verrichte belangenafweging niet anders. Daar komt bij dat uit een verslag kindintake van 12 juni 2026 blijkt dat het college (ook nu) oog heeft voor de belangen van [Minderjarige] .
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat zij geen voorlopige voorziening treft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ROT 26/2754
ECLI:NL:RBROT:2026:5694
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo.
ECLI:NL:RBROT:2026:5694, r.o. 6 en 6.1.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5184
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
mede namens haar minderjarige zoon [Minderjarige] ( [Minderjarige] )
(gemachtigde: mr. U. Karatas),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het herhaalde verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft verzocht om een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
3. Het college heeft verzoeksters aanvraag voor maatschappelijke opvang met het primaire besluit van 20 november 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college daarbij gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op dat verzoek is door de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op 24 april 2026.
4. Op 18 juni 2026 heeft verzoekster een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
5. De voorzieningenrechter heeft het herhaalde verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde, K. van Wezel (tolk) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
6. Verzoekster heeft zich laatstelijk op 18 november 2025 gemeld bij Centraal Onthaal voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen. De afwijzing is in stand gehouden met het bestreden besluit. Het college vindt dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang. Verzoekster is in staat om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Zij dient daarom zelf in haar onderdak en dat van haar minderjarige zoon te voorzien. Daarnaast werpt het college verzoekster tegen dat zij onvoorbereid naar Nederland is gekomen en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij Colombia acuut diende te verlaten. Verzoekster is het hier niet mee eens en wil met het herhaalde verzoek bereiken dat zij en haar zoon toegelaten worden tot de maatschappelijke opvang, totdat is beslist op het beroep.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
7. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de beroepsprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat uitspraak op het beroep volgt. Als hangende het beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl het standpunt van (in dit geval) het college ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de beroepsprocedure opnieuw te bezien. Hierop geldt een uitzondering als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
8. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij opnieuw is blootgesteld aan psychisch, seksueel en economisch geweld door haar ex-partner ( [Minderjarige] vader). Zij dient daarom in aanmerking te worden gebracht voor maatschappelijke opvang op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo. [Minderjarige] verbleef op instigatie van zijn vader bij de broer van vader tot 19 juni 2026 en is een week niet naar school gegaan. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat niet enkel sprake is van een huisvestingsprobleem, omdat zij na de uitspraak is teruggevallen in een huiselijk geweldssituatie. Verzoekster voert verder aan dat inmiddels aan verzoekster een verblijfsvergunning is verleend voor 2,5 jaar. Daarmee heeft verzoekster rechtmatig verblijf in Nederland.
9. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. De verandering van verzoeksters verblijfsstatus levert geen belangrijke wijziging van relevante feiten op, omdat in het vorig voorlopig oordeel reeds is overwogen dat verzoekster onder de reikwijdte van de Wmo valt en vervolgens is geoordeeld of verzoekster en [Minderjarige] in aanmerking komen voor opvang. Een gewijzigde verblijfsstatus maakt dit niet anders.
Tijdens de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij na vertrek uit het hotel op 10 juni 2026 één nacht heeft verbleven in het respijthuis. Vervolgens heeft zij samen met [Minderjarige] bij de broer van de vader verbleven in [locatie 2] . Verzoekster is op maandag 15 juni teruggekeerd naar [locatie 1] , terwijl haar zoon nog tot vrijdag 19 juni bij zijn oom in [locatie 2] heeft verbleven. Verzoekster heeft vervolgens een aantal dagen bij de vader van haar zoon verbleven. Zij verblijft sinds 18 juni 2026 in een appartement in [locatie 1] , dat is geregeld door de vader van haar zoon. [Minderjarige] verblijft hier sinds 19 juni 2026 ook en is na een week school te hebben gemist vanaf 22 juni 2026 weer naar school gegaan. Verzoekster heeft verklaard dat zij tijdens haar verblijf bij de vader van haar zoon te maken had met psychisch, seksueel en economisch geweld. Verzoekster heeft deze stelling echter niet aannemelijk gemaakt met nadere stukken. Uit het dossier blijkt dat zij in een eerder stadium en dus voorafgaand aan het eerder gegeven voorlopig oordeel wel langs is geweest bij de politie, maar dat er geen aangifte is gedaan. Het is verder niet gebleken dat zij melding heeft gemaakt bij Veilig thuis of bij haar belangenbehartiger van het Basisberaad. Ook overigens zijn er geen aanknopingspunten op basis waarvan de eerdere uitspraak in de voorlopige voorzieningenprocedure niet in stand kan blijven. Het is niet aannemelijk gemaakt dat er een belangrijke wijziging van relevante feiten heeft plaatsgevonden sinds die uitspraak.
10. Voor de volledigheid overweegt de voorzieningenrechter ten aanzien van de genoemde belangen van [Minderjarige] dat verzoekster, met wat zij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een belangrijke wijziging van relevante feiten. [Minderjarige] heeft weliswaar door de omstandigheden een week school gemist, toch maakt dit het eerdere oordeel over de door het college verrichte belangenafweging niet anders. Daar komt bij dat uit een verslag kindintake van 12 juni 2026 blijkt dat het college (ook nu) oog heeft voor de belangen van [Minderjarige] .
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat zij geen voorlopige voorziening treft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ROT 26/2754
ECLI:NL:RBROT:2026:5694
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo.
ECLI:NL:RBROT:2026:5694, r.o. 6 en 6.1.