Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8125
2026-02-12
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11762706 CV EXPL 25-2548
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overeenkomst van opdracht voor beveiligingswerkzaamheden. Facturen zijn deels onbetaald gelaten door opdrachtgever, omdat materialen niet zijn teruggegeven door opdrachtnemer en er kosten zijn gemaakt. Geen verrekening op grond van artikel 6:127 BW. Vordering toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.763 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11762706 CV EXPL 25-2548
datum uitspraak: 12 februari 2026 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
, die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M.P.A. Knol (Gerechtsdeurwaarderskantoor Van Beest, Knol & Vermeulen),
tegen
[gedaagde] in liquidatie,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 18 juni 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
het oproepingsexploot van [eiser] , met bijlagen;
de akte van [eiser] , met bijlagen.
1.2.
Op 19 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig. [gedaagde] was niet aanwezig, ondanks een correcte oproeping.
2De feiten
2.1.
[eiser] heeft voor [gedaagde] beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd. [eiser] heeft voor deze werkzaamheden de volgende facturen aan [gedaagde] gestuurd:
factuur 2025-007 op 10 februari 2025 voor € 388,39;
factuur 2025-011 op 24 februari 2025 voor € 385,31;
factuur 2025-015 op 11 maart 2025 voor € 204,76.
In totaal is een bedrag van € 978,46 gefactureerd.
2.2.
[gedaagde] heeft op 19 februari 2025 bedrijfsmaterialen aan [eiser] ter beschikking gesteld. Deze materialen zijn door [eiser] niet teruggegeven aan [gedaagde] . Verder heeft [gedaagde] een beveiligingspas aangevraagd voor [eiser] .
2.3.
Op 22 juli 2025 heeft [gedaagde] € 400,00 aan [eiser] betaald.
3Het geschil
3.1.
[eiser] eist – na vermindering van eis – samengevat:
[gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 742,94 met rente;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente; en
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag van € 742,94 bestaat uit de hoofdsom van € 578,46, rente van € 17,71 (berekend tot en met 18 juni 2025) en buitengerechtelijke incassokosten van € 146,77.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Op 29 januari 2025 is tussen partijen een overeenkomst gesloten op basis waarvan [eiser] beveiligingswerkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. [gedaagde] is hiervoor aan [eiser] een uurloon van € 32,50 verschuldigd en een vergoeding voor parkeer- en reiskosten.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. [gedaagde] betwist dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan en zij betwist de omvang van de uren. Als verweer voert [gedaagde] aan dat zij een beroep doet op verrekening met een tegenvordering. [eiser] was gehouden om de ontvangen materialen en beveiligingspas terug te geven. Dat heeft hij niet gedaan. Daarom vordert [gedaagde] vervangende schadevergoeding van respectievelijk € 350,00 en € 86,00. Gelet op deze tegenvordering en de betaling van € 400,00 die [gedaagde] heeft gedaan, heeft [eiser] niets meer te vorderen van [gedaagde] .
4De beoordeling
Tussen partijen is een overeenkomst gesloten
4.1.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). [eiser] heeft een e-mailbericht van 28 januari 2025 overgelegd waaruit blijkt dat de schriftelijke overeenkomst door [gedaagde] aan [eiser] is toegestuurd (aanbod). Ook heeft [eiser] de door hem ondertekende overeenkomst overgelegd, samen met het e-mailbericht van 29 januari 2025 waaruit blijkt dat [eiser] de overeenkomst aan [gedaagde] heeft teruggestuurd (aanvaarding). [gedaagde] is niet naar de zitting gekomen om een nadere toelichting te geven op haar standpunt en ook heeft zij niet gereageerd op hetgeen [eiser] op de zitting naar voren heeft gebracht. De betwisting van [gedaagde] is daarom onvoldoende gemotiveerd. [eiser] heeft daartegenover voldoende gesteld en onderbouwd dat door middel van aanbod en aanvaarding de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen op 29 januari 2025. De in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken worden daarom bij de verdere beoordeling als uitgangspunt genomen.
[gedaagde] moet € 578,46 betalen
4.2.
Vaststaat dat [gedaagde] aan [eiser] opdracht heeft gegeven om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren. Naast de toelichting op zitting heeft [eiser] , ter onderbouwing van het aantal uren dat hij heeft gewerkt, urenoverzichten ingediend en de bijbehorende facturen. [gedaagde] heeft slechts in algemene zin het aantal uren betwist en daarmee onvoldoende gereageerd op de stellingen van [eiser] . Daarom staat het door [eiser] gestelde aantal uur van 23 vast.
4.3.
[eiser] heeft onderbouwd gesteld dat tussen partijen een uurtarief van € 32,50 exclusief btw is afgesproken. [gedaagde] heeft haar betwisting op dit punt niet nader toegelicht.
Dat er daarnaast tussen partijen een kilometervergoeding van € 0,16 per kilometer per gewerkte dag met aftrek van 8 kilometer per enkele reis is afgesproken, is door [eiser] ook onderbouwd gesteld en is door [gedaagde] niet betwist. Deze afspraken komen overeen met de bedragen die [eiser] bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. [gedaagde] moet daarom de hoofdsom betalen.
4.4.
Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding bedroeg de openstaande hoofdsom ten aanzien van de facturen € 978,46. Op 22 juli 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 400,00 betaald. [eiser] heeft daarna zijn eis verminderd tot € 578,46. [gedaagde] moet daarom nog een bedrag van € 578,46 aan [eiser] betalen, tenzij haar verweer slaagt.
[gedaagde] mag niet verrekenen
4.5.
Op grond van artikel 6:127 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij (wederkerigheid), en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld, als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Er is sprake van een schuld van [gedaagde] aan [eiser] . Of er ook sprake is van een vordering op [eiser] waarvan [gedaagde] betaling kan afdwingen en waarmee zij de schuld aan [eiser] mag verrekenen wordt hierna beoordeeld.
4.6.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stellingen onder andere een kopie van de beveiligingspas van [eiser] overgelegd en een document waarop bovenaan staat ‘Kleding / bedrijfsmiddelen’. [eiser] voert aan dat partijen niet hebben afgesproken dat hij eerst de materialen moet teruggeven aan [gedaagde] voordat zijn facturen worden betaald. Daarnaast heeft [eiser] de bedragen van € 350,00 in verband met de niet geretourneerde materialen en € 86,00 aan kosten voor de beveiligingspas betwist. [eiser] heeft daarbij aangevoerd dat een onderbouwing van de bedragen ontbreekt en dat het bovendien niet gebruikelijk is dat hij zelf de kosten voor de beveiligingspas voor zijn rekening neemt. Wel is [eiser] bereid om de kleding aan [gedaagde] terug te geven. [gedaagde] heeft niet gereageerd op de betwisting door [eiser] , omdat [gedaagde] niet op de zitting aanwezig was. [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij een vordering op [eiser] heeft die afdwingbaar is en mag worden verrekend met de vordering van [eiser] en daarom slaagt haar verweer niet.
[gedaagde] moet incassokosten van € 146,77 betalen
4.7.
Hoewel [eiser] zijn eis heeft verminderd, worden de buitengerechtelijke incassokosten over de oorspronkelijke hoofdsom van € 978,46 toegewezen. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding had [eiser] namelijk recht op betaling van het bedrag van € 978,46. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom niet geraakt door de vermindering van de hoofdsom. Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 146,77 zal worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
4.8.
De gevorderde wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Berekend tot 18 juni 2025 bedraagt het toegewezen bedrag aan rente € 17,71.
In totaal moet [gedaagde] dus € 578,46 + € 146,77 + € 17,71 = € 742,94 betalen aan [eiser] .
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op:
€ 119,40 aan dagvaardingskosten;
€ 226,00 aan griffierecht;
€ 123,00 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punten x € 82,00);
€ 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten voor de zitting;
€ 41,00 aan nakosten.
Dat is in totaal € 559,40. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 742,94 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 578,46 vanaf 18 juni 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 559,40 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379 / 60669
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11762706 CV EXPL 25-2548
datum uitspraak: 12 februari 2026 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
, die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M.P.A. Knol (Gerechtsdeurwaarderskantoor Van Beest, Knol & Vermeulen),
tegen
[gedaagde] in liquidatie,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 18 juni 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
het oproepingsexploot van [eiser] , met bijlagen;
de akte van [eiser] , met bijlagen.
1.2.
Op 19 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig. [gedaagde] was niet aanwezig, ondanks een correcte oproeping.
2De feiten
2.1.
[eiser] heeft voor [gedaagde] beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd. [eiser] heeft voor deze werkzaamheden de volgende facturen aan [gedaagde] gestuurd:
factuur 2025-007 op 10 februari 2025 voor € 388,39;
factuur 2025-011 op 24 februari 2025 voor € 385,31;
factuur 2025-015 op 11 maart 2025 voor € 204,76.
In totaal is een bedrag van € 978,46 gefactureerd.
2.2.
[gedaagde] heeft op 19 februari 2025 bedrijfsmaterialen aan [eiser] ter beschikking gesteld. Deze materialen zijn door [eiser] niet teruggegeven aan [gedaagde] . Verder heeft [gedaagde] een beveiligingspas aangevraagd voor [eiser] .
2.3.
Op 22 juli 2025 heeft [gedaagde] € 400,00 aan [eiser] betaald.
3Het geschil
3.1.
[eiser] eist – na vermindering van eis – samengevat:
[gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 742,94 met rente;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente; en
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag van € 742,94 bestaat uit de hoofdsom van € 578,46, rente van € 17,71 (berekend tot en met 18 juni 2025) en buitengerechtelijke incassokosten van € 146,77.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Op 29 januari 2025 is tussen partijen een overeenkomst gesloten op basis waarvan [eiser] beveiligingswerkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. [gedaagde] is hiervoor aan [eiser] een uurloon van € 32,50 verschuldigd en een vergoeding voor parkeer- en reiskosten.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. [gedaagde] betwist dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan en zij betwist de omvang van de uren. Als verweer voert [gedaagde] aan dat zij een beroep doet op verrekening met een tegenvordering. [eiser] was gehouden om de ontvangen materialen en beveiligingspas terug te geven. Dat heeft hij niet gedaan. Daarom vordert [gedaagde] vervangende schadevergoeding van respectievelijk € 350,00 en € 86,00. Gelet op deze tegenvordering en de betaling van € 400,00 die [gedaagde] heeft gedaan, heeft [eiser] niets meer te vorderen van [gedaagde] .
4De beoordeling
Tussen partijen is een overeenkomst gesloten
4.1.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). [eiser] heeft een e-mailbericht van 28 januari 2025 overgelegd waaruit blijkt dat de schriftelijke overeenkomst door [gedaagde] aan [eiser] is toegestuurd (aanbod). Ook heeft [eiser] de door hem ondertekende overeenkomst overgelegd, samen met het e-mailbericht van 29 januari 2025 waaruit blijkt dat [eiser] de overeenkomst aan [gedaagde] heeft teruggestuurd (aanvaarding). [gedaagde] is niet naar de zitting gekomen om een nadere toelichting te geven op haar standpunt en ook heeft zij niet gereageerd op hetgeen [eiser] op de zitting naar voren heeft gebracht. De betwisting van [gedaagde] is daarom onvoldoende gemotiveerd. [eiser] heeft daartegenover voldoende gesteld en onderbouwd dat door middel van aanbod en aanvaarding de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen op 29 januari 2025. De in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken worden daarom bij de verdere beoordeling als uitgangspunt genomen.
[gedaagde] moet € 578,46 betalen
4.2.
Vaststaat dat [gedaagde] aan [eiser] opdracht heeft gegeven om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren. Naast de toelichting op zitting heeft [eiser] , ter onderbouwing van het aantal uren dat hij heeft gewerkt, urenoverzichten ingediend en de bijbehorende facturen. [gedaagde] heeft slechts in algemene zin het aantal uren betwist en daarmee onvoldoende gereageerd op de stellingen van [eiser] . Daarom staat het door [eiser] gestelde aantal uur van 23 vast.
4.3.
[eiser] heeft onderbouwd gesteld dat tussen partijen een uurtarief van € 32,50 exclusief btw is afgesproken. [gedaagde] heeft haar betwisting op dit punt niet nader toegelicht.
Dat er daarnaast tussen partijen een kilometervergoeding van € 0,16 per kilometer per gewerkte dag met aftrek van 8 kilometer per enkele reis is afgesproken, is door [eiser] ook onderbouwd gesteld en is door [gedaagde] niet betwist. Deze afspraken komen overeen met de bedragen die [eiser] bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. [gedaagde] moet daarom de hoofdsom betalen.
4.4.
Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding bedroeg de openstaande hoofdsom ten aanzien van de facturen € 978,46. Op 22 juli 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 400,00 betaald. [eiser] heeft daarna zijn eis verminderd tot € 578,46. [gedaagde] moet daarom nog een bedrag van € 578,46 aan [eiser] betalen, tenzij haar verweer slaagt.
[gedaagde] mag niet verrekenen
4.5.
Op grond van artikel 6:127 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij (wederkerigheid), en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld, als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Er is sprake van een schuld van [gedaagde] aan [eiser] . Of er ook sprake is van een vordering op [eiser] waarvan [gedaagde] betaling kan afdwingen en waarmee zij de schuld aan [eiser] mag verrekenen wordt hierna beoordeeld.
4.6.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stellingen onder andere een kopie van de beveiligingspas van [eiser] overgelegd en een document waarop bovenaan staat ‘Kleding / bedrijfsmiddelen’. [eiser] voert aan dat partijen niet hebben afgesproken dat hij eerst de materialen moet teruggeven aan [gedaagde] voordat zijn facturen worden betaald. Daarnaast heeft [eiser] de bedragen van € 350,00 in verband met de niet geretourneerde materialen en € 86,00 aan kosten voor de beveiligingspas betwist. [eiser] heeft daarbij aangevoerd dat een onderbouwing van de bedragen ontbreekt en dat het bovendien niet gebruikelijk is dat hij zelf de kosten voor de beveiligingspas voor zijn rekening neemt. Wel is [eiser] bereid om de kleding aan [gedaagde] terug te geven. [gedaagde] heeft niet gereageerd op de betwisting door [eiser] , omdat [gedaagde] niet op de zitting aanwezig was. [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij een vordering op [eiser] heeft die afdwingbaar is en mag worden verrekend met de vordering van [eiser] en daarom slaagt haar verweer niet.
[gedaagde] moet incassokosten van € 146,77 betalen
4.7.
Hoewel [eiser] zijn eis heeft verminderd, worden de buitengerechtelijke incassokosten over de oorspronkelijke hoofdsom van € 978,46 toegewezen. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding had [eiser] namelijk recht op betaling van het bedrag van € 978,46. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom niet geraakt door de vermindering van de hoofdsom. Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 146,77 zal worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
4.8.
De gevorderde wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Berekend tot 18 juni 2025 bedraagt het toegewezen bedrag aan rente € 17,71.
In totaal moet [gedaagde] dus € 578,46 + € 146,77 + € 17,71 = € 742,94 betalen aan [eiser] .
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op:
€ 119,40 aan dagvaardingskosten;
€ 226,00 aan griffierecht;
€ 123,00 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punten x € 82,00);
€ 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten voor de zitting;
€ 41,00 aan nakosten.
Dat is in totaal € 559,40. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 742,94 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 578,46 vanaf 18 juni 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 559,40 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379 / 60669