Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7765
2026-07-03
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ROT 24/11461, ROT 24/11462
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitspraak over verzoeken om proceskosten na intrekking van twee beroepen gericht tegen boetes die zijn opgelegd voor vangletsel bij kuikens (deze boetes zijn door verweerder herroepen). Volgens verweerder zijn de beroepen samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit volgt de rechtbank niet. Beide zaken zijn weliswaar (nagenoeg) gelijktijdig behandeld, maar niet kan worden gezegd dat de werkzaamheden nagenoeg identiek kunnen zijn geweest. De rechtbank stelt een proceskostenvergoeding per zaak vast.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:439 Hoge Raad 17-03-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.084 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/11461 en ROT 24/11462
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen
[verzoeker], te [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S. Geurtjens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de verzoeken om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft deze verzoeken gedaan bij de intrekking van zijn beroepen tegen besluiten waarin verweerder boetes voor overtredingen van de Wet dieren (het veroorzaken van vangletsel) heeft gehandhaafd.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 28 november 2025 heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarprocedures, waarbij verweerder ervan uitgaat dat sprake is van twee samenhangende zaken. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd ook in de beroepsfase in deze zaken samenhang aan te nemen.
1.2.
Op 19 december 2025 heeft de rechtbank een reactie van verzoeker ontvangen op het standpunt van verweerder over de proceskostenvergoeding.
1.3.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. Verzoeker is in de brief van 19 december 2025 opgekomen tegen de beslissing van verweerder van 28 november 2025 inzake de proceskostenvergoeding in bezwaar. In zijn brief lijkt verzoeker afzonderlijk beroep in te stellen tegen die proceskostenbeslissing. Die beslissing maakt echter reeds onderdeel uit van de besluitvorming in de beroepen ROT 24/11461 en ROT 24/11462. De rechtbank zal daarom de reactie van verzoeker bij brief van 19 december 2025 betrekken in de beoordeling van de verzoeken om een proceskostenvergoeding in genoemde beroepen en niet aanmerken als een afzonderlijk beroep.
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar waarin verweerder aan hem opgelegde boetes voor overtredingen van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Hij heeft die beroepen vervolgens ingetrokken omdat verweerder op 15 juli 2025 herziene beslissingen op bezwaar heeft genomen, waarin verweerder die boetes heeft herroepen. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoeker. De rechtbank wijst de verzoeken daarom als kennelijk gegrond toe.
Is sprake van samenhangende zaken?
5. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als sprake is van samenhangende zaken wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb slechts een vergoeding voor één zaak toegekend. Als sprake is van vier of meer samenhangende zaken wordt die vergoeding met factor 1,5 vermenigvuldigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake van samenhangende zaken in geval van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
6.1.
Volgens verweerder zijn de twee zaken samenhangende zaken. Ze zijn volgens verweerder gelijktijdig behandeld omdat de herziene beslissingen op bezwaar op dezelfde datum (15 juli 2025) zijn genomen. Ook konden door de gemachtigde nagenoeg dezelfde werkzaamheden worden verricht. Volgens verweerder waren de bezwaarschriften grotendeels op identieke juridische gronden gebaseerd en vertoonden ze inhoudelijk sterke overeenkomsten. Verweerder is bereid een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfases te betalen van in totaal € 1.294,- bestaande uit één punt voor het bezwaarschrift en één punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een tarief per punt van € 647,-. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de twee zaken ook in de beroepsfase als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt.
6.2.
Verzoeker stelt dat geen sprake is van samenhangende zaken. Het gaat volgens verzoeker om twee verschillende zaken waarbij de rapporten van bevindingen elk op een specifieke casuïstiek zien waarop in de bezwaarschriften is gereageerd. Ook hebben de werkzaamheden – hoewel nagenoeg juridisch identiek – in beide zaken volgens verzoeker wel degelijk extra tijd gekost en heeft de gemachtigde over beide zaken niet gelijktijdig en identiek met verzoeker gecommuniceerd. Voorts merkt verzoeker op dat het niet zo kan zijn dat een rechtsbijstandverlener die vanwege een zeker specialisme vaker tegen dezelfde soort besluiten procedeert, slechts eenmalig een vergoeding krijgt omdat sprake zou zijn van samenhang.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de twee zaken zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase geen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
6.3.1.
Ten aanzien van de gelijktijdige behandeling in bezwaar heeft verweerder ten onrechte verwezen naar de herziene beslissingen op bezwaar die gelijktijdig zijn genomen. Uit het door verweerder genoemde arrest van de Hoge Raad noch andere jurisprudentie kan worden afgeleid dat aan het moment van de herziene beslissingen op bezwaar in deze zaken doorslaggevende betekenis moet worden toegekend voor het beantwoorden van de vraag of de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld. De herziene beslissingen zijn op 15 juli 2025 genomen, hangende de beroepsprocedures, terwijl de bezwaarschriften een jaar eerder door verweerder zijn behandeld. Bij die behandeling heeft een hoorzitting plaatsgevonden waarop beide zaken op dezelfde dag zijn besproken. Gelet op dit laatste stelt verweerder wel terecht dat sprake was van een (nagenoeg) gelijktijdige behandeling van de bezwaren, zij het op onjuiste gronden. In de beroepsfase zijn de beroepschriften in beide zaken op hetzelfde moment door de rechtbank ontvangen, maar heeft nimmer een zitting plaatsgevonden.
6.3.2.
Weliswaar is dus (deels) sprake van gelijktijdige behandeling, maar dit maakt nog niet dat sprake is van samenhangende zaken omdat daarvoor niet aan de overige eisen van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is voldaan. Wil sprake zijn van samenhangende zaken, dan moeten namelijk ook de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek kunnen zijn geweest en dat was in deze twee zaken naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar kende het juridisch betoog van de gemachtigde over de bewijsvoering in deze zaken – net als in veel andere vangletselzaken die in de afgelopen jaren door verschillende gemachtigden zijn gevoerd – overeenkomsten, maar die gelijkenis maakt niet dat de gemachtigde slechts beperkte van elkaar te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. In de bezwaar- en beroepschriften is de gemachtigde namelijk ook specifiek ingegaan op de feiten en omstandigheden van de betreffende zaak, heeft de gemachtigde een reactie gegeven op het specifieke rapport van bevindingen in die zaak en de daarbij overgelegde stukken en heeft de gemachtigde zich aldus specifiek gericht op het door verweerder ingebrachte bewijs voor de overtreding in die betreffende zaak ten aanzien van die betreffende onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat in de twee zaken nagenoeg identieke werkzaamheden konden worden verricht.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoeker vergoeden?
7. De rechtbank zal hierna de hoogte van de door verweerder te vergoeden proceskosten in bezwaar en beroep vaststellen. Op grond van het Bpb geldt voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
7.1.
In beide zaken heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten in beide beroepen bedraagt dan in totaal € 4.532,-.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
8. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden. In ROT 24/11461 was verzoeker geen griffierecht verschuldigd, in ROT 24/11462 bedroeg het griffierecht € 397,-.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in ROT 24/11461 en ROT 24/11462 tot betaling van in totaal € 4.532,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit tarief gold vóór 1 januari 2026
ECLI:NL:HR:2017:439
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/11461 en ROT 24/11462
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen
[verzoeker], te [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S. Geurtjens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de verzoeken om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft deze verzoeken gedaan bij de intrekking van zijn beroepen tegen besluiten waarin verweerder boetes voor overtredingen van de Wet dieren (het veroorzaken van vangletsel) heeft gehandhaafd.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 28 november 2025 heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarprocedures, waarbij verweerder ervan uitgaat dat sprake is van twee samenhangende zaken. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd ook in de beroepsfase in deze zaken samenhang aan te nemen.
1.2.
Op 19 december 2025 heeft de rechtbank een reactie van verzoeker ontvangen op het standpunt van verweerder over de proceskostenvergoeding.
1.3.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. Verzoeker is in de brief van 19 december 2025 opgekomen tegen de beslissing van verweerder van 28 november 2025 inzake de proceskostenvergoeding in bezwaar. In zijn brief lijkt verzoeker afzonderlijk beroep in te stellen tegen die proceskostenbeslissing. Die beslissing maakt echter reeds onderdeel uit van de besluitvorming in de beroepen ROT 24/11461 en ROT 24/11462. De rechtbank zal daarom de reactie van verzoeker bij brief van 19 december 2025 betrekken in de beoordeling van de verzoeken om een proceskostenvergoeding in genoemde beroepen en niet aanmerken als een afzonderlijk beroep.
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar waarin verweerder aan hem opgelegde boetes voor overtredingen van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Hij heeft die beroepen vervolgens ingetrokken omdat verweerder op 15 juli 2025 herziene beslissingen op bezwaar heeft genomen, waarin verweerder die boetes heeft herroepen. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoeker. De rechtbank wijst de verzoeken daarom als kennelijk gegrond toe.
Is sprake van samenhangende zaken?
5. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als sprake is van samenhangende zaken wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb slechts een vergoeding voor één zaak toegekend. Als sprake is van vier of meer samenhangende zaken wordt die vergoeding met factor 1,5 vermenigvuldigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake van samenhangende zaken in geval van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
6.1.
Volgens verweerder zijn de twee zaken samenhangende zaken. Ze zijn volgens verweerder gelijktijdig behandeld omdat de herziene beslissingen op bezwaar op dezelfde datum (15 juli 2025) zijn genomen. Ook konden door de gemachtigde nagenoeg dezelfde werkzaamheden worden verricht. Volgens verweerder waren de bezwaarschriften grotendeels op identieke juridische gronden gebaseerd en vertoonden ze inhoudelijk sterke overeenkomsten. Verweerder is bereid een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfases te betalen van in totaal € 1.294,- bestaande uit één punt voor het bezwaarschrift en één punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een tarief per punt van € 647,-. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de twee zaken ook in de beroepsfase als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt.
6.2.
Verzoeker stelt dat geen sprake is van samenhangende zaken. Het gaat volgens verzoeker om twee verschillende zaken waarbij de rapporten van bevindingen elk op een specifieke casuïstiek zien waarop in de bezwaarschriften is gereageerd. Ook hebben de werkzaamheden – hoewel nagenoeg juridisch identiek – in beide zaken volgens verzoeker wel degelijk extra tijd gekost en heeft de gemachtigde over beide zaken niet gelijktijdig en identiek met verzoeker gecommuniceerd. Voorts merkt verzoeker op dat het niet zo kan zijn dat een rechtsbijstandverlener die vanwege een zeker specialisme vaker tegen dezelfde soort besluiten procedeert, slechts eenmalig een vergoeding krijgt omdat sprake zou zijn van samenhang.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de twee zaken zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase geen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
6.3.1.
Ten aanzien van de gelijktijdige behandeling in bezwaar heeft verweerder ten onrechte verwezen naar de herziene beslissingen op bezwaar die gelijktijdig zijn genomen. Uit het door verweerder genoemde arrest van de Hoge Raad noch andere jurisprudentie kan worden afgeleid dat aan het moment van de herziene beslissingen op bezwaar in deze zaken doorslaggevende betekenis moet worden toegekend voor het beantwoorden van de vraag of de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld. De herziene beslissingen zijn op 15 juli 2025 genomen, hangende de beroepsprocedures, terwijl de bezwaarschriften een jaar eerder door verweerder zijn behandeld. Bij die behandeling heeft een hoorzitting plaatsgevonden waarop beide zaken op dezelfde dag zijn besproken. Gelet op dit laatste stelt verweerder wel terecht dat sprake was van een (nagenoeg) gelijktijdige behandeling van de bezwaren, zij het op onjuiste gronden. In de beroepsfase zijn de beroepschriften in beide zaken op hetzelfde moment door de rechtbank ontvangen, maar heeft nimmer een zitting plaatsgevonden.
6.3.2.
Weliswaar is dus (deels) sprake van gelijktijdige behandeling, maar dit maakt nog niet dat sprake is van samenhangende zaken omdat daarvoor niet aan de overige eisen van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is voldaan. Wil sprake zijn van samenhangende zaken, dan moeten namelijk ook de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek kunnen zijn geweest en dat was in deze twee zaken naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar kende het juridisch betoog van de gemachtigde over de bewijsvoering in deze zaken – net als in veel andere vangletselzaken die in de afgelopen jaren door verschillende gemachtigden zijn gevoerd – overeenkomsten, maar die gelijkenis maakt niet dat de gemachtigde slechts beperkte van elkaar te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. In de bezwaar- en beroepschriften is de gemachtigde namelijk ook specifiek ingegaan op de feiten en omstandigheden van de betreffende zaak, heeft de gemachtigde een reactie gegeven op het specifieke rapport van bevindingen in die zaak en de daarbij overgelegde stukken en heeft de gemachtigde zich aldus specifiek gericht op het door verweerder ingebrachte bewijs voor de overtreding in die betreffende zaak ten aanzien van die betreffende onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat in de twee zaken nagenoeg identieke werkzaamheden konden worden verricht.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoeker vergoeden?
7. De rechtbank zal hierna de hoogte van de door verweerder te vergoeden proceskosten in bezwaar en beroep vaststellen. Op grond van het Bpb geldt voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
7.1.
In beide zaken heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten in beide beroepen bedraagt dan in totaal € 4.532,-.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
8. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden. In ROT 24/11461 was verzoeker geen griffierecht verschuldigd, in ROT 24/11462 bedroeg het griffierecht € 397,-.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in ROT 24/11461 en ROT 24/11462 tot betaling van in totaal € 4.532,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit tarief gold vóór 1 januari 2026
ECLI:NL:HR:2017:439
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.