Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7764
2026-07-03
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ROT 22/5498 e.v.
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitspraak over verzoeken om proceskosten na intrekking van beroepen gericht tegen boetes die zijn opgelegd voor vangletsel bij kuikens (deze boetes zijn door verweerder herroepen). Volgens verweerder zijn alle (hoger)beroepen en bezwaren van dezelfde gemachtigde inzake boetes opgelegd voor vangletsel samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit volgt de rechtbank niet. Geen sprake van gelijktijdige behandeling van alle zaken en geen nagenoeg identieke werkzaamheden. De rechtbank stelt een proceskostenvergoeding per zaak vast.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2017:439 Hoge Raad 17-03-2017
- ECLI:NL:CBB:2025:542 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.574 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 22/5498, ROT 22/5500, ROT 22/6121, ROT 22/6123, ROT 23/35, ROT 23/127, ROT 23/716, ROT 23/4114, ROT 23/4115, ROT 23/5729, ROT 23/6960, ROT 23/6961, ROT 23/6988, ROT 23/7002, ROT 23/8264, ROT 23/8265, ROT 24/2019, ROT 24/2041, ROT 24/2042, ROT 24/2043, ROT 24/2051, ROT 24/2666, ROT 24/3574, ROT 24/4154, ROT 24/5009, ROT 24/5393, ROT 24/5394, ROT 24/6947 en ROT 24/6974
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen
1. [verzoekster 1], te [plaats] , (ROT 22/5498, ROT 22/5500, ROT 23/127, ROT 23/716, ROT 23/5729, ROT 24/2019 en ROT 24/2042)
2. [verzoekster 2], te [plaats] (ROT 22/6121)
3. [verzoekster 3] ., te [plaats] (ROT 22/6123)
4. [verzoekster 4], te [plaats] (ROT 23/35)
5. [verzoekster 5] , te [plaats] (ROT 23/4114)
6. [verzoekster 6] , te [plaats] (ROT 23/4115, ROT 24/5393 en ROT 24/5394)
7. [verzoeker 7], te [plaats] (ROT 23/6960)
8. [verzoekster 8], te [plaats] (ROT 23/6961)
9. [verzoekster 9], te [plaats] (ROT 23/6988, ROT 24/2043, ROT 24/2666 en ROT 24/4154)
10. [verzoekster 10], te [plaats] (ROT 23/7002 en ROT 24/3574)
11. [verzoekster 11], te [plaats] (ROT 23/8264)
12. [verzoekster 12], te [plaats] (ROT 23/8265)
13. [verzoekster 13] ., te [plaats] (ROT 24/2041, ROT 24/5009 en ROT 24/6947)
14. [verzoekster 14] , te [plaats] (ROT 24/2051 en ROT 24/6974)
verzoekers,
(gemachtigde: J.A. Brok),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S. Geurtjens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de verzoeken om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekers hebben deze verzoeken gedaan bij de intrekking van hun beroepen tegen besluiten waarin verweerder boetes voor overtredingen van de Wet dieren (het veroorzaken van vangletsel) heeft gehandhaafd.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 28 november 2025 heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarprocedures, waarbij verweerder ervan uitgaat dat sprake is van 27 samenhangende zaken. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd ook in de beroepsfase in deze zaken samenhang aan te nemen.
1.2.
Op 13 januari 2026 heeft de rechtbank een reactie van verzoekers ontvangen op het standpunt van verweerder over de proceskostenvergoeding.
1.3.
De rechtbank doet met instemming van partijen zonder (nadere) zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoekers tegemoetgekomen?
3. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar waarin verweerder aan hen opgelegde boetes voor overtredingen van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Zij hebben die beroepen vervolgens ingetrokken omdat verweerder op 15 juli 2025 herziene beslissingen op bezwaar heeft genomen, waarin verweerder die boetes heeft herroepen. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekers. De rechtbank wijst de verzoeken daarom als kennelijk gegrond toe.
Is sprake van samenhangende zaken?
4. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als sprake is van samenhangende zaken wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb slechts een vergoeding voor één zaak toegekend. Als sprake is van vier of meer samenhangende zaken wordt die vergoeding met factor 1,5 vermenigvuldigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake van samenhangende zaken in geval van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
5.1.
Volgens verweerder zijn de 29 zaken samenhangende zaken. Ze zijn volgens verweerder gelijktijdig behandeld omdat de herziene beslissingen op bezwaar op dezelfde datum (15 juli 2025) zijn genomen. Ook konden door de gemachtigde nagenoeg dezelfde werkzaamheden worden verricht. Volgens verweerder waren de bezwaarschriften grotendeels op identieke juridische gronden gebaseerd en vertoonden ze inhoudelijk sterke overeenkomsten. Verweerder is bereid een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfases te betalen van in totaal € 3.882,- bestaande uit één punt voor het bezwaarschrift, één punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een tarief per punt van € 647,- en toepassing van factor 3 vanwege de hoeveelheid samenhangende zaken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de 29 zaken ook in de beroepsfase als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt.
5.2.
Verzoekers stellen dat geen sprake is van samenhangende zaken. De zaken zijn behandeld op verschillende momenten over een lange periode. De eerste zaak is bij de gemachtigde binnengekomen op 16 november 2021 en de laatste zaak is op 15 juli 2024 bij de rechtbank aangeleverd. Het gaat om constateringen van vermeend vangletsel over een periode van 2020 tot en met 2023. Daarnaast zijn de werkzaamheden van de gemachtigde in de 29 zaken niet identiek geweest. In alle zaken speelden verschillende achtergronden en omstandigheden die veel nazoekwerk en feitenverzameling hebben gevergd. Daarbij merken verzoekers op dat hun gemachtigde steeds met de NVWA constructief heeft meegedacht om tijd en geld te besparen.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de 29 zaken zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase geen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.3.1.
Anders dan verweerder meent zijn alle 29 zaken in bezwaar niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. In ROT 22/6121 heeft geen hoorzitting plaatsgevonden en in de andere 28 zaken hebben de hoorzittingen op verschillende momenten over een periode van bijna twee jaar plaatsgevonden. Verweerder wijst op de herziene beslissingen op bezwaar die gelijktijdig zijn genomen. Uit het door verweerder genoemde arrest van de Hoge Raad noch andere jurisprudentie kan evenwel worden afgeleid dat aan het moment van de herziene beslissingen op bezwaar in deze zaken doorslaggevende betekenis moet worden toegekend voor het beantwoorden van de vraag of de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld. De herziene beslissingen zijn op 15 juli 2025 genomen, hangende de beroepsprocedures, terwijl de bezwaarschriften in een periode van anderhalf tot drie jaar eerder door verweerder op verschillende momenten zijn behandeld.
5.3.2.
Ook in de beroepsfase zijn alle 29 zaken niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. De beroepen zijn door de rechtbank ontvangen op verschillende momenten in een tijdsbestek van anderhalf jaar. Vervolgens zijn twee zaken (ROT 22/6121 en ROT 22/6123) op dezelfde zitting behandeld, is één zaak (ROT 23/35) op een andere zitting behandeld, maar in de overige 26 zaken heeft nimmer een zitting plaatsgevonden.
5.3.3.
Voor zover in een deel van de zaken wel sprake zou zijn van gelijktijdige behandeling, maakt dit evenmin dat sprake is van samenhangende zaken omdat daarvoor niet aan de overige eisen van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is voldaan. Wil sprake zijn van samenhangende zaken, dan moeten namelijk ook de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek kunnen zijn geweest en dat was in deze 29 zaken naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar kende het juridisch betoog van de gemachtigde over de bewijsvoering in deze zaken – net als in veel andere vangletselzaken die in de afgelopen jaren door verschillende gemachtigden zijn gevoerd – overeenkomsten, maar die gelijkenis maakt niet dat de gemachtigde slechts beperkte van elkaar te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. In de bezwaar- en beroepschriften is de gemachtigde namelijk ook specifiek ingegaan op de feiten en omstandigheden van de betreffende zaak, heeft de gemachtigde een reactie gegeven op het specifieke rapport van bevindingen in die zaak en de daarbij overgelegde stukken en heeft de gemachtigde zich aldus specifiek gericht op het door verweerder ingebrachte bewijs voor de overtreding in die betreffende zaak ten aanzien van die betreffende onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat in de 29 zaken nagenoeg identieke werkzaamheden konden worden verricht.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekers vergoeden?
6. De rechtbank zal hierna de hoogte van de door verweerder te vergoeden proceskosten in bezwaar en beroep vaststellen. Op grond van het Bpb geldt voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
6.1.
In ROT 22/6121 heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting bij de rechtbank. In deze zaak heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. De vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in dit beroep bedraagt dan € 2.534,-. Gemachtigde heeft op het proceskostenformulier ook de door hem gemaakte reiskosten opgegeven, maar deze komen gelet op artikel 1, aanhef en onder d, van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze al zijn inbegrepen in de vergoeding voor de rechtsbijstand.
6.2.
In ROT 22/6123 en ROT 23/35 heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting bij de rechtbank. De vergoeding van voor de verleende rechtsbijstand in deze twee beroepen bedraagt dan € 3.200,- per beroep. Ook in deze twee beroepen komen de door de gemachtigde gemaakte reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking.
6.3.
In ROT 23/8264 heeft verweerder in het bestreden besluit van 27 oktober 2023 reeds een vergoeding toegekend voor de proceskosten in bezwaar. In beroep heeft de gemachtigde een beroepschrift ingediend en er heeft geen zitting plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in dit beroep bedraagt dus € 934,-.
6.4.
In ROT 23/8265 heeft verweerder in het bestreden besluit van 27 oktober 2023 het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar toegewezen maar geen bedrag aan verzoekster uitbetaald omdat volgens verweerder ROT 23/8264 en ROT 23/8265 samenhangende zaken zijn en in ROT 23/8264 al een vergoeding was toegekend. Zoals hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake van samenhangende zaken. Daarom zal de rechtbank in ROT 23/8265 voor zowel de bezwaarfase als de beroepsfase een vergoeding toekennen. De gemachtigde heeft in deze zaak een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/8265 bedraagt dan € 2.266,-.
6.5.
In de overige 24 beroepen heeft geen zitting bij de rechtbank plaatsgevonden, maar heeft de gemachtigde wel een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten in deze 24 beroepen bedraagt dan € 2.266,- per beroep.
Krijgen verzoekers een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden.Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden. In de beroepen ROT 22/5498, ROT 22/6121, ROT 22/6123, ROT 23/35, ROT 23/127, ROT 23/716, ROT 23/4114, ROT 23/4115, ROT 23/5729, ROT 23/6961, ROT 23/6988, ROT 23/7002, ROT 23/8264 en ROT 23/8265 bedroeg het griffierecht € 365,-. In het beroep ROT 23/6960 heeft verzoeker € 184,- aan griffierecht betaald. In het beroep ROT 22/5500 was verzoekster geen griffierecht verschuldigd. In de beroepen ROT 24/2019, ROT 24/2041, ROT 24/2042, ROT 24/2043, ROT 24/2051, ROT 24/2666, ROT 24/3574, ROT 24/4154, ROT 24/5009, ROT 24/5393, ROT 24/5394, ROT 24/6947 en ROT 24/6974 was het griffierecht € 371,-.
Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt verweerder in het beroep ROT 22/6121 tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in de beroepen ROT 22/6123 en ROT 23/35 tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan verzoekers per beroep;
veroordeelt verweerder in het beroep ROT 23/8264 tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in het beroep ROT 23/8265 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in de beroepen ROT 22/5498, ROT 22/5500, ROT 23/127, ROT 23/716, ROT 23/4114, ROT 23/4115, ROT 23/5729, ROT 23/6960, ROT 23/6961, ROT 23/6988, ROT 23/7002, ROT 24/2019, ROT 24/2041, ROT 24/2042, ROT 24/2043, ROT 24/2051, ROT 24/2666, ROT 24/3574, ROT 24/4154, ROT 24/5009, ROT 24/5393, ROT 24/5394, ROT 24/6947 en ROT 24/6974 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekers per beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Verweerder heeft bij de brief van 28 november 2025 een lijst gevoegd met daarop 29 zaken vermeld, maar stelt dat het om 27 samenhangende zaken in bezwaar gaat omdat in 2 zaken de proceskosten in bezwaar al waren vergoed. Met dit laatste wordt hierna in de uitspraak ook rekening gehouden. Niet in geschil is dat het om 29 beroepen gaat.
Dit tarief gold vóór 1 januari 2026
ECLI:NL:HR:2017:439
Zie bijv. ECLI:NL:CBB:2025:542
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 22/5498, ROT 22/5500, ROT 22/6121, ROT 22/6123, ROT 23/35, ROT 23/127, ROT 23/716, ROT 23/4114, ROT 23/4115, ROT 23/5729, ROT 23/6960, ROT 23/6961, ROT 23/6988, ROT 23/7002, ROT 23/8264, ROT 23/8265, ROT 24/2019, ROT 24/2041, ROT 24/2042, ROT 24/2043, ROT 24/2051, ROT 24/2666, ROT 24/3574, ROT 24/4154, ROT 24/5009, ROT 24/5393, ROT 24/5394, ROT 24/6947 en ROT 24/6974
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen
1. [verzoekster 1], te [plaats] , (ROT 22/5498, ROT 22/5500, ROT 23/127, ROT 23/716, ROT 23/5729, ROT 24/2019 en ROT 24/2042)
2. [verzoekster 2], te [plaats] (ROT 22/6121)
3. [verzoekster 3] ., te [plaats] (ROT 22/6123)
4. [verzoekster 4], te [plaats] (ROT 23/35)
5. [verzoekster 5] , te [plaats] (ROT 23/4114)
6. [verzoekster 6] , te [plaats] (ROT 23/4115, ROT 24/5393 en ROT 24/5394)
7. [verzoeker 7], te [plaats] (ROT 23/6960)
8. [verzoekster 8], te [plaats] (ROT 23/6961)
9. [verzoekster 9], te [plaats] (ROT 23/6988, ROT 24/2043, ROT 24/2666 en ROT 24/4154)
10. [verzoekster 10], te [plaats] (ROT 23/7002 en ROT 24/3574)
11. [verzoekster 11], te [plaats] (ROT 23/8264)
12. [verzoekster 12], te [plaats] (ROT 23/8265)
13. [verzoekster 13] ., te [plaats] (ROT 24/2041, ROT 24/5009 en ROT 24/6947)
14. [verzoekster 14] , te [plaats] (ROT 24/2051 en ROT 24/6974)
verzoekers,
(gemachtigde: J.A. Brok),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S. Geurtjens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de verzoeken om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekers hebben deze verzoeken gedaan bij de intrekking van hun beroepen tegen besluiten waarin verweerder boetes voor overtredingen van de Wet dieren (het veroorzaken van vangletsel) heeft gehandhaafd.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 28 november 2025 heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarprocedures, waarbij verweerder ervan uitgaat dat sprake is van 27 samenhangende zaken. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd ook in de beroepsfase in deze zaken samenhang aan te nemen.
1.2.
Op 13 januari 2026 heeft de rechtbank een reactie van verzoekers ontvangen op het standpunt van verweerder over de proceskostenvergoeding.
1.3.
De rechtbank doet met instemming van partijen zonder (nadere) zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoekers tegemoetgekomen?
3. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar waarin verweerder aan hen opgelegde boetes voor overtredingen van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Zij hebben die beroepen vervolgens ingetrokken omdat verweerder op 15 juli 2025 herziene beslissingen op bezwaar heeft genomen, waarin verweerder die boetes heeft herroepen. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekers. De rechtbank wijst de verzoeken daarom als kennelijk gegrond toe.
Is sprake van samenhangende zaken?
4. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als sprake is van samenhangende zaken wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb slechts een vergoeding voor één zaak toegekend. Als sprake is van vier of meer samenhangende zaken wordt die vergoeding met factor 1,5 vermenigvuldigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake van samenhangende zaken in geval van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
5.1.
Volgens verweerder zijn de 29 zaken samenhangende zaken. Ze zijn volgens verweerder gelijktijdig behandeld omdat de herziene beslissingen op bezwaar op dezelfde datum (15 juli 2025) zijn genomen. Ook konden door de gemachtigde nagenoeg dezelfde werkzaamheden worden verricht. Volgens verweerder waren de bezwaarschriften grotendeels op identieke juridische gronden gebaseerd en vertoonden ze inhoudelijk sterke overeenkomsten. Verweerder is bereid een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfases te betalen van in totaal € 3.882,- bestaande uit één punt voor het bezwaarschrift, één punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een tarief per punt van € 647,- en toepassing van factor 3 vanwege de hoeveelheid samenhangende zaken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de 29 zaken ook in de beroepsfase als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt.
5.2.
Verzoekers stellen dat geen sprake is van samenhangende zaken. De zaken zijn behandeld op verschillende momenten over een lange periode. De eerste zaak is bij de gemachtigde binnengekomen op 16 november 2021 en de laatste zaak is op 15 juli 2024 bij de rechtbank aangeleverd. Het gaat om constateringen van vermeend vangletsel over een periode van 2020 tot en met 2023. Daarnaast zijn de werkzaamheden van de gemachtigde in de 29 zaken niet identiek geweest. In alle zaken speelden verschillende achtergronden en omstandigheden die veel nazoekwerk en feitenverzameling hebben gevergd. Daarbij merken verzoekers op dat hun gemachtigde steeds met de NVWA constructief heeft meegedacht om tijd en geld te besparen.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de 29 zaken zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase geen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.3.1.
Anders dan verweerder meent zijn alle 29 zaken in bezwaar niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. In ROT 22/6121 heeft geen hoorzitting plaatsgevonden en in de andere 28 zaken hebben de hoorzittingen op verschillende momenten over een periode van bijna twee jaar plaatsgevonden. Verweerder wijst op de herziene beslissingen op bezwaar die gelijktijdig zijn genomen. Uit het door verweerder genoemde arrest van de Hoge Raad noch andere jurisprudentie kan evenwel worden afgeleid dat aan het moment van de herziene beslissingen op bezwaar in deze zaken doorslaggevende betekenis moet worden toegekend voor het beantwoorden van de vraag of de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld. De herziene beslissingen zijn op 15 juli 2025 genomen, hangende de beroepsprocedures, terwijl de bezwaarschriften in een periode van anderhalf tot drie jaar eerder door verweerder op verschillende momenten zijn behandeld.
5.3.2.
Ook in de beroepsfase zijn alle 29 zaken niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. De beroepen zijn door de rechtbank ontvangen op verschillende momenten in een tijdsbestek van anderhalf jaar. Vervolgens zijn twee zaken (ROT 22/6121 en ROT 22/6123) op dezelfde zitting behandeld, is één zaak (ROT 23/35) op een andere zitting behandeld, maar in de overige 26 zaken heeft nimmer een zitting plaatsgevonden.
5.3.3.
Voor zover in een deel van de zaken wel sprake zou zijn van gelijktijdige behandeling, maakt dit evenmin dat sprake is van samenhangende zaken omdat daarvoor niet aan de overige eisen van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is voldaan. Wil sprake zijn van samenhangende zaken, dan moeten namelijk ook de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek kunnen zijn geweest en dat was in deze 29 zaken naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar kende het juridisch betoog van de gemachtigde over de bewijsvoering in deze zaken – net als in veel andere vangletselzaken die in de afgelopen jaren door verschillende gemachtigden zijn gevoerd – overeenkomsten, maar die gelijkenis maakt niet dat de gemachtigde slechts beperkte van elkaar te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. In de bezwaar- en beroepschriften is de gemachtigde namelijk ook specifiek ingegaan op de feiten en omstandigheden van de betreffende zaak, heeft de gemachtigde een reactie gegeven op het specifieke rapport van bevindingen in die zaak en de daarbij overgelegde stukken en heeft de gemachtigde zich aldus specifiek gericht op het door verweerder ingebrachte bewijs voor de overtreding in die betreffende zaak ten aanzien van die betreffende onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat in de 29 zaken nagenoeg identieke werkzaamheden konden worden verricht.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekers vergoeden?
6. De rechtbank zal hierna de hoogte van de door verweerder te vergoeden proceskosten in bezwaar en beroep vaststellen. Op grond van het Bpb geldt voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
6.1.
In ROT 22/6121 heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting bij de rechtbank. In deze zaak heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. De vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in dit beroep bedraagt dan € 2.534,-. Gemachtigde heeft op het proceskostenformulier ook de door hem gemaakte reiskosten opgegeven, maar deze komen gelet op artikel 1, aanhef en onder d, van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze al zijn inbegrepen in de vergoeding voor de rechtsbijstand.
6.2.
In ROT 22/6123 en ROT 23/35 heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting bij de rechtbank. De vergoeding van voor de verleende rechtsbijstand in deze twee beroepen bedraagt dan € 3.200,- per beroep. Ook in deze twee beroepen komen de door de gemachtigde gemaakte reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking.
6.3.
In ROT 23/8264 heeft verweerder in het bestreden besluit van 27 oktober 2023 reeds een vergoeding toegekend voor de proceskosten in bezwaar. In beroep heeft de gemachtigde een beroepschrift ingediend en er heeft geen zitting plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in dit beroep bedraagt dus € 934,-.
6.4.
In ROT 23/8265 heeft verweerder in het bestreden besluit van 27 oktober 2023 het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar toegewezen maar geen bedrag aan verzoekster uitbetaald omdat volgens verweerder ROT 23/8264 en ROT 23/8265 samenhangende zaken zijn en in ROT 23/8264 al een vergoeding was toegekend. Zoals hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake van samenhangende zaken. Daarom zal de rechtbank in ROT 23/8265 voor zowel de bezwaarfase als de beroepsfase een vergoeding toekennen. De gemachtigde heeft in deze zaak een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/8265 bedraagt dan € 2.266,-.
6.5.
In de overige 24 beroepen heeft geen zitting bij de rechtbank plaatsgevonden, maar heeft de gemachtigde wel een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten in deze 24 beroepen bedraagt dan € 2.266,- per beroep.
Krijgen verzoekers een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden.Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden. In de beroepen ROT 22/5498, ROT 22/6121, ROT 22/6123, ROT 23/35, ROT 23/127, ROT 23/716, ROT 23/4114, ROT 23/4115, ROT 23/5729, ROT 23/6961, ROT 23/6988, ROT 23/7002, ROT 23/8264 en ROT 23/8265 bedroeg het griffierecht € 365,-. In het beroep ROT 23/6960 heeft verzoeker € 184,- aan griffierecht betaald. In het beroep ROT 22/5500 was verzoekster geen griffierecht verschuldigd. In de beroepen ROT 24/2019, ROT 24/2041, ROT 24/2042, ROT 24/2043, ROT 24/2051, ROT 24/2666, ROT 24/3574, ROT 24/4154, ROT 24/5009, ROT 24/5393, ROT 24/5394, ROT 24/6947 en ROT 24/6974 was het griffierecht € 371,-.
Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt verweerder in het beroep ROT 22/6121 tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in de beroepen ROT 22/6123 en ROT 23/35 tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan verzoekers per beroep;
veroordeelt verweerder in het beroep ROT 23/8264 tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in het beroep ROT 23/8265 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in de beroepen ROT 22/5498, ROT 22/5500, ROT 23/127, ROT 23/716, ROT 23/4114, ROT 23/4115, ROT 23/5729, ROT 23/6960, ROT 23/6961, ROT 23/6988, ROT 23/7002, ROT 24/2019, ROT 24/2041, ROT 24/2042, ROT 24/2043, ROT 24/2051, ROT 24/2666, ROT 24/3574, ROT 24/4154, ROT 24/5009, ROT 24/5393, ROT 24/5394, ROT 24/6947 en ROT 24/6974 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekers per beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Verweerder heeft bij de brief van 28 november 2025 een lijst gevoegd met daarop 29 zaken vermeld, maar stelt dat het om 27 samenhangende zaken in bezwaar gaat omdat in 2 zaken de proceskosten in bezwaar al waren vergoed. Met dit laatste wordt hierna in de uitspraak ook rekening gehouden. Niet in geschil is dat het om 29 beroepen gaat.
Dit tarief gold vóór 1 januari 2026
ECLI:NL:HR:2017:439
Zie bijv. ECLI:NL:CBB:2025:542
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.