Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7763
2026-07-03
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ROT 23/1728, ROT 23/2707, ROT 23/7174, ROT 23/7971, ROT 24/1751, ROT 24/2506, ROT 24/2728 en ROT 24/7471
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitspraak over verzoeken om proceskosten na intrekking van beroepen gericht tegen boetes die zijn opgelegd voor vangletsel bij kuikens (deze boetes zijn door verweerder herroepen). Volgens verweerder zijn alle (hoger)beroepen en bezwaren van dezelfde gemachtigde inzake boetes opgelegd voor vangletsel samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit volgt de rechtbank niet. Geen sprake van gelijktijdige behandeling van alle zaken en geen nagenoeg identieke werkzaamheden. De rechtbank stelt een proceskostenvergoeding per zaak vast.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:439 Hoge Raad 17-03-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.627 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/1728, ROT 23/2707, ROT 23/7174, ROT 23/7971, ROT 24/1751, ROT 24/2506, ROT 24/2728 en ROT 24/7471
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen
1. [verzoekster 1]., te [plaats] (ROT 23/1728),
2. [verzoeker 2], te [plaats] (ROT 23/2707),
3. [verzoekster 3], te [plaats] (ROT 23/7174),
4. [verzoekster 4], te [plaats] (ROT 23/7971),
5. [verzoekster 5], te [plaats] (ROT 24/1751),
6. [verzoekster 6], te [plaats] (ROT 24/2506),
7. [verzoekster 7], te [plaats] (ROT 24/2728),
8. [verzoekster 8], te [plaats] (ROT 24/7471),
verzoekers,
(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S. Geurtjens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de verzoeken om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekers hebben deze verzoeken gedaan bij de intrekking van hun beroepen tegen besluiten waarin verweerder boetes voor overtredingen van de Wet dieren (het veroorzaken van vangletsel) heeft gehandhaafd.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 28 november 2025 heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarprocedures, waarbij verweerder ervan uitgaat dat sprake is van acht samenhangende zaken. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd ook in de beroepsfase in deze zaken samenhang aan te nemen.
1.2.
Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank een reactie van verzoekers ontvangen op het standpunt van verweerder over de proceskostenvergoeding.
1.3.
De rechtbank doet met instemming van partijen zonder (nadere) zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoekers tegemoetgekomen?
3. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar waarin verweerder aan hen opgelegde boetes voor overtredingen van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Zij hebben die beroepen vervolgens ingetrokken omdat verweerder op 15 juli 2025 herziene beslissingen op bezwaar heeft genomen, waarin verweerder die boetes heeft herroepen. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekers. De rechtbank wijst de verzoeken daarom als kennelijk gegrond toe.
Is sprake van samenhangende zaken?
4. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als sprake is van samenhangende zaken wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb slechts een vergoeding voor één zaak toegekend. Als sprake is van vier of meer samenhangende zaken wordt die vergoeding met factor 1,5 vermenigvuldigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake van samenhangende zaken in geval van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
5.1.
Volgens verweerder zijn de acht zaken samenhangende zaken. Ze zijn volgens verweerder gelijktijdig behandeld omdat de herziene beslissingen op bezwaar op dezelfde datum (15 juli 2025) zijn genomen. Ook konden door de gemachtigde nagenoeg dezelfde werkzaamheden worden verricht. Volgens verweerder waren de bezwaarschriften grotendeels op identieke juridische gronden gebaseerd en vertoonden ze inhoudelijk sterke overeenkomsten. Verweerder is bereid een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfases te betalen van in totaal € 1.941,- bestaande uit één punt voor het bezwaarschrift, één punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een tarief per punt van € 647,- en toepassing van factor 1,5 vanwege de hoeveelheid samenhangende zaken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de acht zaken ook in de beroepsfase als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt.
5.2.
Verzoekers stellen dat geen sprake is van samenhangende zaken. De werkzaamheden in de acht zaken zijn volgens hen niet identiek geweest. Verzoekers wijzen erop dat verspreid in de tijd in iedere zaak individuele proceshandelingen zijn verricht, dat er afzonderlijke hoorzittingen hebben plaatsgevonden en dat de bezwaargronden en de beroepsgronden in de acht zaken niet identiek waren. Ook is er in iedere zaak, na ontvangst van de stukken, overleg gevoerd tussen de gemachtigde en de individuele verzoeker en is er in vijf van de acht zaken een bedrijfsbezoek afgelegd door de gemachtigde ter verificatie en nader onderzoek van de in de onderliggende rapporten van bevindingen ten laste gelegde feiten. Volgens verzoekers dient er in alle acht zaken een proceskostenvergoeding te worden toegekend, zij het dat in ROT 23/7174 alleen de proceskosten in beroep en in ROT 23/1728 alleen de proceskosten in bezwaar moeten worden vergoed.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de acht zaken zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase geen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.3.1.
Anders dan verweerder meent zijn alle acht zaken in bezwaar niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. In ROT 23/7174 en ROT 24/7471 heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. In de andere zes zaken hebben de hoorzittingen op verschillende momenten over een periode van bijna twee jaar plaatsgevonden. Verweerder wijst op de herziene beslissingen op bezwaar die gelijktijdig zijn genomen. Uit het door verweerder genoemde arrest van de Hoge Raad noch andere jurisprudentie kan evenwel worden afgeleid dat aan het moment van de herziene beslissingen op bezwaar in deze zaken doorslaggevende betekenis moet worden toegekend voor het beantwoorden van de vraag of de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld. De herziene beslissingen zijn op 15 juli 2025 genomen, hangende de beroepsprocedures, terwijl de bezwaarschriften in een periode van één tot tweeëneenhalf jaar eerder door verweerder op verschillende momenten zijn behandeld.
5.3.2.
Ook in de beroepsfase zijn alle acht zaken niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. De beroepen zijn door de rechtbank ontvangen op verschillende momenten in een tijdsbestek van bijna anderhalf jaar. Vervolgens zijn twee zaken (ROT 23/1728 en ROT 23/2707) op dezelfde zitting behandeld, maar in de overige zes zaken heeft nimmer een zitting plaatsgevonden.
5.3.3.
Voor zover in een deel van de zaken wel sprake zou zijn van gelijktijdige behandeling, maakt dit evenmin dat sprake is van samenhangende zaken omdat daarvoor niet aan de overige eisen van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is voldaan. Wil sprake zijn van samenhangende zaken, dan moeten namelijk ook de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek kunnen zijn geweest en dat was in deze acht zaken naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar kende het juridisch betoog van de gemachtigde over de bewijsvoering in deze zaken – net als in veel andere vangletselzaken die in de afgelopen jaren door verschillende gemachtigden zijn gevoerd – overeenkomsten, maar die gelijkenis maakt niet dat de gemachtigde slechts beperkte van elkaar te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. In de bezwaar- en beroepschriften is de gemachtigde namelijk ook specifiek ingegaan op de feiten en omstandigheden van de betreffende zaak, heeft de gemachtigde een reactie gegeven op het specifieke rapport van bevindingen in die zaak en de daarbij overgelegde stukken en heeft de gemachtigde zich aldus specifiek gericht op het door verweerder ingebrachte bewijs voor de overtreding in die betreffende zaak ten aanzien van die betreffende onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat in de acht zaken nagenoeg identieke werkzaamheden konden worden verricht.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekers vergoeden?
6. De rechtbank zal hierna de hoogte van de door verweerder te vergoeden proceskosten in bezwaar en beroep vaststellen. Op grond van het Bpb geldt voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
6.1.
In ROT 23/1728 van [verzoekster 1] heeft de gemachtigde in zijn reactie van 6 januari 2026 aan de rechtbank bericht dat er enkel reden is voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar. De rechtbank zal zich dan ook daartoe beperken. De gemachtigde heeft in deze procedure een bezwaarschrift ingediend en deelgenomen aan de hoorzitting. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/1728 bedraagt dan € 1.332,-.
6.2.
In ROT 23/2707 van [verzoeker 2] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/2707 bedraagt dan € 3.200,-.
6.3.
In ROT 23/7174 van [verzoekster 3] heeft de gemachtigde in bezwaar geen rechtsbijstand verleend, zodat er geen reden is voor een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, zoals de gemachtigde in zijn reactie van 6 januari 2026 ook al aan de rechtbank heeft bericht. In de beroepsfase heeft de gemachtigde alleen een beroepschrift ingediend, een zitting heeft niet plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/7174 bedraagt dan € 934,-.
6.4.
In ROT 23/7971 van [verzoekster 4] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. Er heeft bij de rechtbank geen zitting plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/7971 bedraagt dan € 2.266,-.
6.5.
In ROT 24/1751 van [verzoekster 5] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. Er is geen zitting bij de rechtbank geweest. De vergoeding van de proceskosten in ROT 24/1751 bedraagt dan € 2.266,-.
6.6.
In ROT 24/2506 van [verzoekster 6] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. Ook in deze zaak heeft geen zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in ROT 24/2506 bedraagt dan € 2.266,-.
6.7.
In ROT 24/2728 van [verzoekster 7] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak niet op een zitting behandeld. De vergoeding van de proceskosten in ROT 24/2728 bedraagt dan € 2.266.-.
6.8.
In ROT 24/7471 van [verzoekster 8] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift en een beroepschrift ingediend. Uit het bestreden besluit van 20 juni 2024 begrijpt de rechtbank dat er wel een hoorzitting was gepland op 7 juni 2024 maar dat de gemachtigde daarbij niet is verschenen. Bij de rechtbank heeft ook geen behandeling ter zitting plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in ROT 24/7471 bedraagt dan € 1.600,-.
Krijgen verzoekers een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden.Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden. In de beroepen ROT 23/1728, ROT 23/2707, ROT 23/7174 en ROT 23/7971 bedroeg het griffierecht € 365,-. In de beroepen ROT 24/1751, ROT 24/2728, ROT 24/2506 en ROT 24/7471 was het griffierecht € 371,-.
Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt verweerder in ROT 23/1728 tot betaling van € 1.332,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 23/2707 tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan verzoeker;
veroordeelt verweerder in ROT 23/7174 tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 23/7971 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 24/1751 tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 24/2506 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 24/2728 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 24/7471 tot betaling van € 1.600,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit tarief gold vóór 1 januari 2026
ECLI:NL:HR:2017:439
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/1728, ROT 23/2707, ROT 23/7174, ROT 23/7971, ROT 24/1751, ROT 24/2506, ROT 24/2728 en ROT 24/7471
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen
1. [verzoekster 1]., te [plaats] (ROT 23/1728),
2. [verzoeker 2], te [plaats] (ROT 23/2707),
3. [verzoekster 3], te [plaats] (ROT 23/7174),
4. [verzoekster 4], te [plaats] (ROT 23/7971),
5. [verzoekster 5], te [plaats] (ROT 24/1751),
6. [verzoekster 6], te [plaats] (ROT 24/2506),
7. [verzoekster 7], te [plaats] (ROT 24/2728),
8. [verzoekster 8], te [plaats] (ROT 24/7471),
verzoekers,
(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S. Geurtjens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de verzoeken om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekers hebben deze verzoeken gedaan bij de intrekking van hun beroepen tegen besluiten waarin verweerder boetes voor overtredingen van de Wet dieren (het veroorzaken van vangletsel) heeft gehandhaafd.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 28 november 2025 heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarprocedures, waarbij verweerder ervan uitgaat dat sprake is van acht samenhangende zaken. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd ook in de beroepsfase in deze zaken samenhang aan te nemen.
1.2.
Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank een reactie van verzoekers ontvangen op het standpunt van verweerder over de proceskostenvergoeding.
1.3.
De rechtbank doet met instemming van partijen zonder (nadere) zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoekers tegemoetgekomen?
3. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar waarin verweerder aan hen opgelegde boetes voor overtredingen van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Zij hebben die beroepen vervolgens ingetrokken omdat verweerder op 15 juli 2025 herziene beslissingen op bezwaar heeft genomen, waarin verweerder die boetes heeft herroepen. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekers. De rechtbank wijst de verzoeken daarom als kennelijk gegrond toe.
Is sprake van samenhangende zaken?
4. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als sprake is van samenhangende zaken wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb slechts een vergoeding voor één zaak toegekend. Als sprake is van vier of meer samenhangende zaken wordt die vergoeding met factor 1,5 vermenigvuldigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake van samenhangende zaken in geval van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
5.1.
Volgens verweerder zijn de acht zaken samenhangende zaken. Ze zijn volgens verweerder gelijktijdig behandeld omdat de herziene beslissingen op bezwaar op dezelfde datum (15 juli 2025) zijn genomen. Ook konden door de gemachtigde nagenoeg dezelfde werkzaamheden worden verricht. Volgens verweerder waren de bezwaarschriften grotendeels op identieke juridische gronden gebaseerd en vertoonden ze inhoudelijk sterke overeenkomsten. Verweerder is bereid een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfases te betalen van in totaal € 1.941,- bestaande uit één punt voor het bezwaarschrift, één punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een tarief per punt van € 647,- en toepassing van factor 1,5 vanwege de hoeveelheid samenhangende zaken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de acht zaken ook in de beroepsfase als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt.
5.2.
Verzoekers stellen dat geen sprake is van samenhangende zaken. De werkzaamheden in de acht zaken zijn volgens hen niet identiek geweest. Verzoekers wijzen erop dat verspreid in de tijd in iedere zaak individuele proceshandelingen zijn verricht, dat er afzonderlijke hoorzittingen hebben plaatsgevonden en dat de bezwaargronden en de beroepsgronden in de acht zaken niet identiek waren. Ook is er in iedere zaak, na ontvangst van de stukken, overleg gevoerd tussen de gemachtigde en de individuele verzoeker en is er in vijf van de acht zaken een bedrijfsbezoek afgelegd door de gemachtigde ter verificatie en nader onderzoek van de in de onderliggende rapporten van bevindingen ten laste gelegde feiten. Volgens verzoekers dient er in alle acht zaken een proceskostenvergoeding te worden toegekend, zij het dat in ROT 23/7174 alleen de proceskosten in beroep en in ROT 23/1728 alleen de proceskosten in bezwaar moeten worden vergoed.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de acht zaken zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase geen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.3.1.
Anders dan verweerder meent zijn alle acht zaken in bezwaar niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. In ROT 23/7174 en ROT 24/7471 heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. In de andere zes zaken hebben de hoorzittingen op verschillende momenten over een periode van bijna twee jaar plaatsgevonden. Verweerder wijst op de herziene beslissingen op bezwaar die gelijktijdig zijn genomen. Uit het door verweerder genoemde arrest van de Hoge Raad noch andere jurisprudentie kan evenwel worden afgeleid dat aan het moment van de herziene beslissingen op bezwaar in deze zaken doorslaggevende betekenis moet worden toegekend voor het beantwoorden van de vraag of de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld. De herziene beslissingen zijn op 15 juli 2025 genomen, hangende de beroepsprocedures, terwijl de bezwaarschriften in een periode van één tot tweeëneenhalf jaar eerder door verweerder op verschillende momenten zijn behandeld.
5.3.2.
Ook in de beroepsfase zijn alle acht zaken niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. De beroepen zijn door de rechtbank ontvangen op verschillende momenten in een tijdsbestek van bijna anderhalf jaar. Vervolgens zijn twee zaken (ROT 23/1728 en ROT 23/2707) op dezelfde zitting behandeld, maar in de overige zes zaken heeft nimmer een zitting plaatsgevonden.
5.3.3.
Voor zover in een deel van de zaken wel sprake zou zijn van gelijktijdige behandeling, maakt dit evenmin dat sprake is van samenhangende zaken omdat daarvoor niet aan de overige eisen van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is voldaan. Wil sprake zijn van samenhangende zaken, dan moeten namelijk ook de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek kunnen zijn geweest en dat was in deze acht zaken naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar kende het juridisch betoog van de gemachtigde over de bewijsvoering in deze zaken – net als in veel andere vangletselzaken die in de afgelopen jaren door verschillende gemachtigden zijn gevoerd – overeenkomsten, maar die gelijkenis maakt niet dat de gemachtigde slechts beperkte van elkaar te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. In de bezwaar- en beroepschriften is de gemachtigde namelijk ook specifiek ingegaan op de feiten en omstandigheden van de betreffende zaak, heeft de gemachtigde een reactie gegeven op het specifieke rapport van bevindingen in die zaak en de daarbij overgelegde stukken en heeft de gemachtigde zich aldus specifiek gericht op het door verweerder ingebrachte bewijs voor de overtreding in die betreffende zaak ten aanzien van die betreffende onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat in de acht zaken nagenoeg identieke werkzaamheden konden worden verricht.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekers vergoeden?
6. De rechtbank zal hierna de hoogte van de door verweerder te vergoeden proceskosten in bezwaar en beroep vaststellen. Op grond van het Bpb geldt voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
6.1.
In ROT 23/1728 van [verzoekster 1] heeft de gemachtigde in zijn reactie van 6 januari 2026 aan de rechtbank bericht dat er enkel reden is voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar. De rechtbank zal zich dan ook daartoe beperken. De gemachtigde heeft in deze procedure een bezwaarschrift ingediend en deelgenomen aan de hoorzitting. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/1728 bedraagt dan € 1.332,-.
6.2.
In ROT 23/2707 van [verzoeker 2] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/2707 bedraagt dan € 3.200,-.
6.3.
In ROT 23/7174 van [verzoekster 3] heeft de gemachtigde in bezwaar geen rechtsbijstand verleend, zodat er geen reden is voor een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, zoals de gemachtigde in zijn reactie van 6 januari 2026 ook al aan de rechtbank heeft bericht. In de beroepsfase heeft de gemachtigde alleen een beroepschrift ingediend, een zitting heeft niet plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/7174 bedraagt dan € 934,-.
6.4.
In ROT 23/7971 van [verzoekster 4] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. Er heeft bij de rechtbank geen zitting plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in ROT 23/7971 bedraagt dan € 2.266,-.
6.5.
In ROT 24/1751 van [verzoekster 5] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. Er is geen zitting bij de rechtbank geweest. De vergoeding van de proceskosten in ROT 24/1751 bedraagt dan € 2.266,-.
6.6.
In ROT 24/2506 van [verzoekster 6] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. Ook in deze zaak heeft geen zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in ROT 24/2506 bedraagt dan € 2.266,-.
6.7.
In ROT 24/2728 van [verzoekster 7] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak niet op een zitting behandeld. De vergoeding van de proceskosten in ROT 24/2728 bedraagt dan € 2.266.-.
6.8.
In ROT 24/7471 van [verzoekster 8] heeft de gemachtigde een bezwaarschrift en een beroepschrift ingediend. Uit het bestreden besluit van 20 juni 2024 begrijpt de rechtbank dat er wel een hoorzitting was gepland op 7 juni 2024 maar dat de gemachtigde daarbij niet is verschenen. Bij de rechtbank heeft ook geen behandeling ter zitting plaatsgevonden. De vergoeding van de proceskosten in ROT 24/7471 bedraagt dan € 1.600,-.
Krijgen verzoekers een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden.Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden. In de beroepen ROT 23/1728, ROT 23/2707, ROT 23/7174 en ROT 23/7971 bedroeg het griffierecht € 365,-. In de beroepen ROT 24/1751, ROT 24/2728, ROT 24/2506 en ROT 24/7471 was het griffierecht € 371,-.
Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt verweerder in ROT 23/1728 tot betaling van € 1.332,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 23/2707 tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan verzoeker;
veroordeelt verweerder in ROT 23/7174 tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 23/7971 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 24/1751 tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 24/2506 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 24/2728 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster;
veroordeelt verweerder in ROT 24/7471 tot betaling van € 1.600,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit tarief gold vóór 1 januari 2026
ECLI:NL:HR:2017:439
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.