Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7724
2026-07-02
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/5744
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WIA-uitkering. Beroep ongegrond. De aanvraag voor een WIA-uitkering is afgewezen omdat eiseres, ondanks haar klachten, minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Er zijn geen medische stukken ingebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de beoordeling van de verzekeringsarts. Geen aanleiding voor een urenbeperking. Geen arbeidskundige gronden ingediend.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2024:1654 Centrale Raad van Beroep 24-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.653 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5744
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. Y.G.H. van der Poel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV acht eiseres ondanks haar beperkingen minder dan 35% arbeidsongeschikt (7,19%). Eiseres is het niet eens met deze beslissing. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het UWV de aanvraag om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen. Eiseres heeft geen objectief (medisch) bewijs ingebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 25 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft op 7 april 2026 een nader de stuk ingediend. Het UWV heeft hier op 15 april 2026 op gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres werkte tot haar ziekmelding op 24 januari 2022 als recruiter voor gemiddeld 25,50 uur per week. Op 3 oktober 2023 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.
3.1.
Voor de beoordeling van de aanvraag is eiseres op het spreekuur geweest van de arts van het UWV. De arts heeft onderzocht wat de arbeidsbeperkingen van eiseres zijn. Deze beperkingen zijn opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 8 december 2023. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van het UWV in het rapport van 11 januari 2024 vastgesteld welk werk eiseres kan doen met die beperkingen. Volgens de arbeidsdeskundige is eiseres niet geschikt voor haar eigen werk. De arbeidsdeskundige heeft wel vijf andere functies geselecteerd die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat eiseres met de middelste van de eerste drie functies meer dan 100% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde. Omdat eiseres niet minder kan verdienen dan het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde, concludeert het UWV dat eiseres 0% arbeidsongeschikt is en eiseres daarom niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
3.2.
In bezwaar doet het UWV opnieuw onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft in het rapport van 21 mei 2025 de conclusies van de eerste arts en past de FML niet aan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 juli 2025 wel de urenomvang van het maatgevend werk aangepast van 19 uur naar 25,50 uur. Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep één functie verworpen. De overige functies blijven gehandhaafd. Er blijven daarom genoeg functies over waarmee de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid kan berekenen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan eiseres met deze aanpassingen 7,19% minder verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde. Dat is nog steeds minder dan 35%. Met het bestreden besluit heeft het UWV aan eiseres laten weten dat eiseres nog steeds niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Toetsingskader
4. Een verzekerde heeft recht op een WIA-uitkering als hij of zij de wachttijd heeft doorlopen, hij of zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en op hem of haar geen uitsluitingsgrond van toepassing is. Een verzekerde is gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij of zij ten hoogste 65% kan verdienen van het loon dat hij of zij verdiende voor hij of zij ziek werd. Indien een verzekerde meer kan verdienen dan 65% van het laatst verdiende loon, is verzekerde minder dan 35% arbeidsongeschikt en heeft de verzekerde geen recht op een WIA-uitkering.
Zijn de beperkingen van eiseres onderschat?
5. Eiseres vindt dat haar medische situatie is onderschat en dat zij lichamelijk meer beperkt is dan het UWV heeft vastgesteld in de FML van 8 december 2023. Eiseres (linkshandig) is bekend met hand- en polsklachten waarbij zij is geopereerd aan een beknelde zenuw in haar linkerhand. Verder heeft eiseres een (vermoedelijk chronische) longembolie waarschijnlijk als gevolg van een behandeling van spataderen. Eiseres ervaart behoorlijke bijwerkingen van de medicijnen (bloedverdunners) en heeft zeer beperkte energie. Tot slot heeft eiseres een grote niersteen (doorsnede 7,1 cm) die door het gebruik van bloedverdunners niet verwijderd kan worden. Eiseres stelt dat met name de gevolgen van de longembolie onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming van de FML en de beperkte energie had moeten leiden tot in ieder geval een urenbeperking. Eiseres stelt in dat verband dat het onderzoek van de (verzekerings)arts onzorgvuldig en onvolledig is.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het UWV de besluitvorming heeft gebaseerd op rapporten van (verzekerings)artsen en arbeidsdeskundigen. Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op die rapporten als die rapporten:
op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
geen tegenstrijdigheden bevatten; en
voldoende begrijpelijk zijn.
Als iemand vindt dat de besluiten van het UWV over zijn of haar arbeidsongeschiktheid niet juist zijn, moet hij of zij aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiseres verschillende ernstige medische klachten heeft die haar beperken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage aangegeven dat die beperkingen voldoende zijn opgenomen in de FML door beperkingen op te nemen voor zware handbelasting (links), staan (tijdens werk) in verband met eiseres’ spataderen en zwaar fysiek werk in het algemeen vanwege energetische beperkingen. De bezwaargronden, waarbij een beroep is gedaan op het dagverhaal, en de aanvullende medische gegevens hebben niet geleid tot aanvullende beperkingen. De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de eerste arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoen aan de onder overweging 5.1 genoemde voorwaarden. De eerste arts heeft dossierstudie verricht, eiseres op 5 december 2023 gezien en haar lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft er een gesprek over de gezondheid en het functioneren van eiseres plaatsgevonden en is informatie uit de curatieve sector betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, was aanwezig op de hoorzitting op 20 mei 2025 en heeft eiseres na de hoorzitting kort onderzocht. Ook is de beschikbare medische informatie van de behandelend sector betrokken bij de beoordeling. De rechtbank meent op grond hiervan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres en het onderzoek dus niet onzorgvuldig en onvolledig is geweest.
5.3.
De rechtbank begrijpt dat eiseres meer beperkingen ervaart, maar uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose is niet beslissend bij de beoordeling. Omdat eiseres niet met nieuwe medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van haar gezondheidstoestand op de datum in geding, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts. Ten aanzien van de op 7 april 2026 ingebrachte informatie van de longarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht aangegeven dat de daarin opgenomen informatie ziet op een situatie twee jaar na de datum in geding en daarom voor de beoordeling in deze zaak niet van belang is. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de urenbeperking is niet met medische stukken onderbouwd . In dat verband heeft de eerste arts vastgesteld dat uit het dagverhaal geen noodzaak tot recuperatie blijkt en er op de datum in geding geen structureel verminderde beschikbaarheid is voor het moeten ondergaan van behandelingen. Daaruit leidt de arts af dat een urenbeperking in voldoende aangepast werk niet geïndiceerd is. Dat eiseres zorgen heeft over het combineren van een baan met de zorg voor haar drie minderjarige kinderen is begrijpelijk, maar is – zoals het UWV ter zitting heeft aangegeven – geen omstandigheid die betrokken wordt bij het vaststellen van haar arbeidsbeperkingen waaronder de urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de nadere reactie van 15 april 2026 verder toereikend toegelicht dat eiseres niet voldoet aan de criteria om een urenbeperking aan te nemen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de geduide functies allemaal uitgaan van een urenomvang van 19-24 uur zodat het de vraag is of een urenbeperking tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat het UWV de beperkingen van eiseres correct heeft vastgesteld en dat de beperkingen in de FML juist zijn. De rechtbank overweegt dat een herbeoordeling kan worden aangevraagd als de situatie alsnog verslechtert, of beperkingen anderszins zijn toegenomen, maar dat voor de datum in geding terecht is uitgegaan van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.5.
Omdat er geen arbeidskundige gronden zijn aangevoerd, heeft het UWV kunnen vaststellen dat eiseres de geselecteerde functies kan uitoefenen en de arbeidsongeschiktheid aan de hand van de FML van 8 december 2023 juist is vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen WIA-uitkering krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het UWV heeft dit gebaseerd op artikel 5 van de Wet WIA.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoekt in bezwaar of de eerste arts de beperkingen van iemand juist heeft vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoekt vervolgens of de eerste arbeidsdeskundige juist heeft vastgesteld welk werk iemand kan doen met die beperkingen.
Dit volgt uit artikel 54 van de Wet WIA.
Dit volgt uit artikel 5 van de Wet WIA.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1654), onder 4.4.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5744
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. Y.G.H. van der Poel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV acht eiseres ondanks haar beperkingen minder dan 35% arbeidsongeschikt (7,19%). Eiseres is het niet eens met deze beslissing. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het UWV de aanvraag om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen. Eiseres heeft geen objectief (medisch) bewijs ingebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 25 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft op 7 april 2026 een nader de stuk ingediend. Het UWV heeft hier op 15 april 2026 op gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres werkte tot haar ziekmelding op 24 januari 2022 als recruiter voor gemiddeld 25,50 uur per week. Op 3 oktober 2023 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.
3.1.
Voor de beoordeling van de aanvraag is eiseres op het spreekuur geweest van de arts van het UWV. De arts heeft onderzocht wat de arbeidsbeperkingen van eiseres zijn. Deze beperkingen zijn opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 8 december 2023. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van het UWV in het rapport van 11 januari 2024 vastgesteld welk werk eiseres kan doen met die beperkingen. Volgens de arbeidsdeskundige is eiseres niet geschikt voor haar eigen werk. De arbeidsdeskundige heeft wel vijf andere functies geselecteerd die eiseres, ondanks haar beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat eiseres met de middelste van de eerste drie functies meer dan 100% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde. Omdat eiseres niet minder kan verdienen dan het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde, concludeert het UWV dat eiseres 0% arbeidsongeschikt is en eiseres daarom niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
3.2.
In bezwaar doet het UWV opnieuw onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft in het rapport van 21 mei 2025 de conclusies van de eerste arts en past de FML niet aan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 juli 2025 wel de urenomvang van het maatgevend werk aangepast van 19 uur naar 25,50 uur. Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep één functie verworpen. De overige functies blijven gehandhaafd. Er blijven daarom genoeg functies over waarmee de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid kan berekenen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan eiseres met deze aanpassingen 7,19% minder verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij zich ziek meldde. Dat is nog steeds minder dan 35%. Met het bestreden besluit heeft het UWV aan eiseres laten weten dat eiseres nog steeds niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Toetsingskader
4. Een verzekerde heeft recht op een WIA-uitkering als hij of zij de wachttijd heeft doorlopen, hij of zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en op hem of haar geen uitsluitingsgrond van toepassing is. Een verzekerde is gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij of zij ten hoogste 65% kan verdienen van het loon dat hij of zij verdiende voor hij of zij ziek werd. Indien een verzekerde meer kan verdienen dan 65% van het laatst verdiende loon, is verzekerde minder dan 35% arbeidsongeschikt en heeft de verzekerde geen recht op een WIA-uitkering.
Zijn de beperkingen van eiseres onderschat?
5. Eiseres vindt dat haar medische situatie is onderschat en dat zij lichamelijk meer beperkt is dan het UWV heeft vastgesteld in de FML van 8 december 2023. Eiseres (linkshandig) is bekend met hand- en polsklachten waarbij zij is geopereerd aan een beknelde zenuw in haar linkerhand. Verder heeft eiseres een (vermoedelijk chronische) longembolie waarschijnlijk als gevolg van een behandeling van spataderen. Eiseres ervaart behoorlijke bijwerkingen van de medicijnen (bloedverdunners) en heeft zeer beperkte energie. Tot slot heeft eiseres een grote niersteen (doorsnede 7,1 cm) die door het gebruik van bloedverdunners niet verwijderd kan worden. Eiseres stelt dat met name de gevolgen van de longembolie onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming van de FML en de beperkte energie had moeten leiden tot in ieder geval een urenbeperking. Eiseres stelt in dat verband dat het onderzoek van de (verzekerings)arts onzorgvuldig en onvolledig is.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het UWV de besluitvorming heeft gebaseerd op rapporten van (verzekerings)artsen en arbeidsdeskundigen. Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op die rapporten als die rapporten:
op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
geen tegenstrijdigheden bevatten; en
voldoende begrijpelijk zijn.
Als iemand vindt dat de besluiten van het UWV over zijn of haar arbeidsongeschiktheid niet juist zijn, moet hij of zij aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiseres verschillende ernstige medische klachten heeft die haar beperken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage aangegeven dat die beperkingen voldoende zijn opgenomen in de FML door beperkingen op te nemen voor zware handbelasting (links), staan (tijdens werk) in verband met eiseres’ spataderen en zwaar fysiek werk in het algemeen vanwege energetische beperkingen. De bezwaargronden, waarbij een beroep is gedaan op het dagverhaal, en de aanvullende medische gegevens hebben niet geleid tot aanvullende beperkingen. De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de eerste arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoen aan de onder overweging 5.1 genoemde voorwaarden. De eerste arts heeft dossierstudie verricht, eiseres op 5 december 2023 gezien en haar lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft er een gesprek over de gezondheid en het functioneren van eiseres plaatsgevonden en is informatie uit de curatieve sector betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, was aanwezig op de hoorzitting op 20 mei 2025 en heeft eiseres na de hoorzitting kort onderzocht. Ook is de beschikbare medische informatie van de behandelend sector betrokken bij de beoordeling. De rechtbank meent op grond hiervan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres en het onderzoek dus niet onzorgvuldig en onvolledig is geweest.
5.3.
De rechtbank begrijpt dat eiseres meer beperkingen ervaart, maar uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose is niet beslissend bij de beoordeling. Omdat eiseres niet met nieuwe medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van haar gezondheidstoestand op de datum in geding, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts. Ten aanzien van de op 7 april 2026 ingebrachte informatie van de longarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht aangegeven dat de daarin opgenomen informatie ziet op een situatie twee jaar na de datum in geding en daarom voor de beoordeling in deze zaak niet van belang is. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de urenbeperking is niet met medische stukken onderbouwd . In dat verband heeft de eerste arts vastgesteld dat uit het dagverhaal geen noodzaak tot recuperatie blijkt en er op de datum in geding geen structureel verminderde beschikbaarheid is voor het moeten ondergaan van behandelingen. Daaruit leidt de arts af dat een urenbeperking in voldoende aangepast werk niet geïndiceerd is. Dat eiseres zorgen heeft over het combineren van een baan met de zorg voor haar drie minderjarige kinderen is begrijpelijk, maar is – zoals het UWV ter zitting heeft aangegeven – geen omstandigheid die betrokken wordt bij het vaststellen van haar arbeidsbeperkingen waaronder de urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de nadere reactie van 15 april 2026 verder toereikend toegelicht dat eiseres niet voldoet aan de criteria om een urenbeperking aan te nemen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de geduide functies allemaal uitgaan van een urenomvang van 19-24 uur zodat het de vraag is of een urenbeperking tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat het UWV de beperkingen van eiseres correct heeft vastgesteld en dat de beperkingen in de FML juist zijn. De rechtbank overweegt dat een herbeoordeling kan worden aangevraagd als de situatie alsnog verslechtert, of beperkingen anderszins zijn toegenomen, maar dat voor de datum in geding terecht is uitgegaan van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.5.
Omdat er geen arbeidskundige gronden zijn aangevoerd, heeft het UWV kunnen vaststellen dat eiseres de geselecteerde functies kan uitoefenen en de arbeidsongeschiktheid aan de hand van de FML van 8 december 2023 juist is vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen WIA-uitkering krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het UWV heeft dit gebaseerd op artikel 5 van de Wet WIA.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoekt in bezwaar of de eerste arts de beperkingen van iemand juist heeft vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoekt vervolgens of de eerste arbeidsdeskundige juist heeft vastgesteld welk werk iemand kan doen met die beperkingen.
Dit volgt uit artikel 54 van de Wet WIA.
Dit volgt uit artikel 5 van de Wet WIA.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1654), onder 4.4.