Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7657
2026-06-26
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12111418 CV EXPL 26-5335
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gecedeerd restant schadevordering na verstekvonnis met beperking tot € 25.000,-, kantonrechter bevoegd, tussenvonnis.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1960:148 Hoge Raad 19-02-1960
- ECLI:NL:PHR:1969:AC4977 Parket bij de Hoge Raad 19-12-1969
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.623 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12111418 CV EXPL 26-5335
datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. E.M. Horssius (Stichting Ombudsman Schadeverzekeringen Nederland)
tegen
[gedaagde]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door mr. T.L. Urban.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 30 januari 2026, met bijlagen;
het antwoord.
1.2.
De kantonrechter heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld om te reageren op het antwoord, maar dat heeft hij niet gedaan.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] en [partner eiser] zijn eigenaren van een woning in Maassluis, waarvoor bij [gedaagde] een woonverzekering is afgesloten. In januari 2022 is er vochtschade opgetreden in de badkamer en aangrenzende slaapkamer van de woning. Volgens [partner eiser] is de schade in totaal € 43.551,55 en moet [gedaagde] die schade op grond van de woonverzekering aan haar vergoeden. [partner eiser] heeft het deel van de schadevordering, dat boven € 25.000,- uitkomt, in juli 2025 overgedragen (gecedeerd) aan [eiser] .
2.2.
[partner eiser] heeft [gedaagde] op 28 juli 2025 gedagvaard en geëist dat [gedaagde] de schade vergoedt, waarbij zij haar vordering heeft beperkt tot € 25.000,-. In die procedure, die bij deze rechtbank bekend is onder zaaknummer 11830692 CV EXPL 17134, is [gedaagde] op 10 oktober 2025 bij verstek veroordeeld tot betaling van het geëiste bedrag van € 25.000,-. [gedaagde] heeft dat bedrag ook aan [partner eiser] betaald. In de onderhavige procedure eist [eiser] dat [gedaagde] veroordeeld wordt het restantbedrag van de schadevordering, oftewel € 18.551,55, met rente, aan hem te betalen.
2.3.
[gedaagde] voert nog geen inhoudelijk verweer, maar voert aan dat [partner eiser] in de eerdere procedure de vordering bewust en nadrukkelijk heeft beperkt tot
€ 25.000,- en daarmee de omvang van de maximale vordering heeft beperkt. Volgens [gedaagde] was daardoor duidelijk dat er geen omvangrijkere vordering was of nog zou volgen. Als geoordeeld wordt dat er nog wél een vordering boven het bedrag van € 25.000,- bestaat, stelt [gedaagde] dat de kantonrechter niet bevoegd is kennis te nemen van deze vordering en daarop te beslissen. In dat geval wil [gedaagde] alsnog verweer voeren tegen de gehele vordering.
De kantonrechter is bevoegd de vordering van [eiser] te behandelen
2.4.
De kantonrechter is bevoegd vorderingen te behandelen met een beloop van ten hoogste € 25.000,-, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist (artikel 93 sub a Rv). Als een vordering voor een deel wordt gecedeerd, wordt de vordering gesplitst in twee afzonderlijke vorderingen. Voor de bevoegdheid is de hoogte van de na de splitsing ontstane vordering bepalend. Omdat het overgedragen deel van de schadevordering niet meer dan € 25.000,- bedraagt, heeft [eiser] zijn vordering terecht aan de kantonrechter voorgelegd. De kantonrechter is dan ook bevoegd zijn vordering te behandelen.
2.5.
Dat [partner eiser] het meerdere boven € 25.000,- had gecedeerd heeft zij uitdrukkelijk in haar dagvaarding vermeld. [gedaagde] wist daardoor dat [partner eiser] geen zeggenschap meer had over het overgedragen deel van de schadevordering.
Het vervolg van deze procedure
2.6.
[gedaagde] heeft nog niet inhoudelijk op de eis van [eiser] gereageerd. Zij krijgt die gelegenheid alsnog. De kantonrechter verwijst de zaak daarom naar de hieronder genoemde rolzitting voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde] .
2.7.
[gedaagde] mag daarbij alléén verweer voeren tegen de eis van [eiser] . Los van het feit dat [eiser] onbetwist heeft gesteld dat het vonnis van 10 oktober 2025 inmiddels onherroepelijk is geworden, is het alleen al vanwege de hierboven genoemde cessie niet mogelijk in deze procedure verweer te voeren tegen het deel van de schadevordering dat niet aan [eiser] is overgedragen.
2.8.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 28 juli 2026 om 11.30 uur voor het nemen van een (aanvullende) conclusie van antwoord door [gedaagde] ;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
44487
Hoge Raad 19 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:148 en Hoge Raad 19 december 1969, NJ 1970, ECLI:NL:PHR:1969:AC4977.
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12111418 CV EXPL 26-5335
datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. E.M. Horssius (Stichting Ombudsman Schadeverzekeringen Nederland)
tegen
[gedaagde]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door mr. T.L. Urban.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 30 januari 2026, met bijlagen;
het antwoord.
1.2.
De kantonrechter heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld om te reageren op het antwoord, maar dat heeft hij niet gedaan.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] en [partner eiser] zijn eigenaren van een woning in Maassluis, waarvoor bij [gedaagde] een woonverzekering is afgesloten. In januari 2022 is er vochtschade opgetreden in de badkamer en aangrenzende slaapkamer van de woning. Volgens [partner eiser] is de schade in totaal € 43.551,55 en moet [gedaagde] die schade op grond van de woonverzekering aan haar vergoeden. [partner eiser] heeft het deel van de schadevordering, dat boven € 25.000,- uitkomt, in juli 2025 overgedragen (gecedeerd) aan [eiser] .
2.2.
[partner eiser] heeft [gedaagde] op 28 juli 2025 gedagvaard en geëist dat [gedaagde] de schade vergoedt, waarbij zij haar vordering heeft beperkt tot € 25.000,-. In die procedure, die bij deze rechtbank bekend is onder zaaknummer 11830692 CV EXPL 17134, is [gedaagde] op 10 oktober 2025 bij verstek veroordeeld tot betaling van het geëiste bedrag van € 25.000,-. [gedaagde] heeft dat bedrag ook aan [partner eiser] betaald. In de onderhavige procedure eist [eiser] dat [gedaagde] veroordeeld wordt het restantbedrag van de schadevordering, oftewel € 18.551,55, met rente, aan hem te betalen.
2.3.
[gedaagde] voert nog geen inhoudelijk verweer, maar voert aan dat [partner eiser] in de eerdere procedure de vordering bewust en nadrukkelijk heeft beperkt tot
€ 25.000,- en daarmee de omvang van de maximale vordering heeft beperkt. Volgens [gedaagde] was daardoor duidelijk dat er geen omvangrijkere vordering was of nog zou volgen. Als geoordeeld wordt dat er nog wél een vordering boven het bedrag van € 25.000,- bestaat, stelt [gedaagde] dat de kantonrechter niet bevoegd is kennis te nemen van deze vordering en daarop te beslissen. In dat geval wil [gedaagde] alsnog verweer voeren tegen de gehele vordering.
De kantonrechter is bevoegd de vordering van [eiser] te behandelen
2.4.
De kantonrechter is bevoegd vorderingen te behandelen met een beloop van ten hoogste € 25.000,-, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist (artikel 93 sub a Rv). Als een vordering voor een deel wordt gecedeerd, wordt de vordering gesplitst in twee afzonderlijke vorderingen. Voor de bevoegdheid is de hoogte van de na de splitsing ontstane vordering bepalend. Omdat het overgedragen deel van de schadevordering niet meer dan € 25.000,- bedraagt, heeft [eiser] zijn vordering terecht aan de kantonrechter voorgelegd. De kantonrechter is dan ook bevoegd zijn vordering te behandelen.
2.5.
Dat [partner eiser] het meerdere boven € 25.000,- had gecedeerd heeft zij uitdrukkelijk in haar dagvaarding vermeld. [gedaagde] wist daardoor dat [partner eiser] geen zeggenschap meer had over het overgedragen deel van de schadevordering.
Het vervolg van deze procedure
2.6.
[gedaagde] heeft nog niet inhoudelijk op de eis van [eiser] gereageerd. Zij krijgt die gelegenheid alsnog. De kantonrechter verwijst de zaak daarom naar de hieronder genoemde rolzitting voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde] .
2.7.
[gedaagde] mag daarbij alléén verweer voeren tegen de eis van [eiser] . Los van het feit dat [eiser] onbetwist heeft gesteld dat het vonnis van 10 oktober 2025 inmiddels onherroepelijk is geworden, is het alleen al vanwege de hierboven genoemde cessie niet mogelijk in deze procedure verweer te voeren tegen het deel van de schadevordering dat niet aan [eiser] is overgedragen.
2.8.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 28 juli 2026 om 11.30 uur voor het nemen van een (aanvullende) conclusie van antwoord door [gedaagde] ;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
44487
Hoge Raad 19 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:148 en Hoge Raad 19 december 1969, NJ 1970, ECLI:NL:PHR:1969:AC4977.