Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:7656

2026-06-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12224414 VV EXPL 26-272
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-06-22
Publicatiedatum
2026-06-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Proces-verbaal
Zaaknummer
12224414 VV EXPL 26-272
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontruiming, drugs en wapens in woning, kort geding, mondelinge uitspraak.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.406 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12224414 VV EXPL 26-272




Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 22 juni 2026




in de zaak van




Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. Y.F. Rijswijk,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari.



De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.



De kantonrechter is mr. M. Fiege en de griffier is mr. A. Viergever.



Aanwezig zijn:



mevrouw [persoon A] (woonconsulent bij Havensteder) met mr. Y.F. Rijsdijk;



[gedaagde] en haar ouders met mr. K.T. Ghaffari.






1De beoordeling



Waar gaat de zaak over?




1.1.

[gedaagde] huurt van Havensteder de woning aan de [adres] in Capelle aan den IJssel. Op 25 maart 2026 heeft de politie de woning doorzocht en daarbij drugs, een (nep)pistool, een hakbijl en pepperspray aangetroffen. De burgemeester heeft vervolgens besloten de woning te sluiten voor een periode van zes maanden. Havensteder heeft de huurovereenkomst met een brief van 28 april 2026 buitengerechtelijk ontbonden. In deze procedure eist Havensteder daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen.



1.2.

[gedaagde] is het niet eens met de eis van Havensteder. Volgens [gedaagde] zijn de aangetroffen drugs van de heer [persoon B] , die zij vanaf april 2025 onderdak heeft geboden. [gedaagde] vindt dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst disproportioneel en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook voert zij aan dat haar belangen bij voortzetting van de huur groot zijn en dat Havensteder door op grond van de buitengerechtelijke ontbinding over te gaan tot ontruiming van de woning misbruik van recht maakt.



1.3.
De kantonrechter wijst de eis van Havensteder toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.



Het kort geding





1.4.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Havensteder heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.




[gedaagde] moet de woning ontruimen





1.5.
Vast staat dat de burgemeester de woning heeft gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Dat heeft de burgemeester gedaan omdat in de woning – naast een (nep)pistool, hakbijl en pepperspray – een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen. Vanwege de sluiting van de woning door de burgemeester was Havensteder in de gegeven omstandigheden bevoegd de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk op te zeggen (artikel 7:231 lid 2 BW). [gedaagde] heeft ook niet betwist dat Havensteder die bevoegdheid had. De rechter moet wel beoordelen of de ontbinding of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of de verhuurder zijn bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW). Ook moet de rechter toetsen of het definitieve verlies van de woonruimte proportioneel is. Daarbij moet de rechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, waaronder de aard en ernst van de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot sluiting van de woning door het bevoegd gezag en in hoeverre de huurder een verwijt kan worden gemaakt van deze feiten en omstandigheden.



1.6.
De kantonrechter vindt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat Havensteder gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk op te zeggen en ontruiming van de woning eist. Dat levert ook geen misbruik van recht op. Ook vindt de kantonrechter dat deze maatregelen in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel zijn. Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dat oordeel komt.



1.7.
Er is in dit geval sprake van een ernstig feit. Het gaat namelijk om een zeer grote hoeveelheid drugs, die in de woning van [gedaagde] is aangetroffen. Ook zijn er meerdere wapens in de woning gevonden. Voldoende gebleken is bovendien dat er in en vanuit de woning – naar het zich laat aanzien op grote schaal – in drugs werd gehandeld. Zelfs op de dag van de doorzoeking van de woning heeft de politie gezien dat [persoon B] met een tas met 1,2 kilo hennep de woning binnenging en dat er later nog een man met 2,62 kilo hennep bij de woning aanbelde. Tijdens de doorzoeking kwam er ook iemand langs om wiet te kopen.



1.8.
De drugs lagen verspreid door de woning op verschillende plekken, zoals in doorzichtige bakken midden in de woonkamer en zelfs in de koelkast. [gedaagde] heeft ook erkend dat zij wist dat er drugs in de woning aanwezig waren. Zij heeft namelijk zelf expliciet toestemming aan [persoon B] gegeven om die drugs in haar woning te bewaren. Gelet op de manier waarop de drugs in haar woning werden opgeslagen, kan het niet anders dan dat [gedaagde] wist dat het om grote hoeveelheden ging én dat het werd gebruikt om te verhandelen. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt in dit geval zwaar dat [gedaagde] , ondanks dat zij wist dat er in en vanuit haar woning in drugs werd gehandeld, die situatie heeft laten voortduren en niet heeft ingegrepen of een melding heeft gemaakt bij de politie of de verhuurder.



1.9.
Havensteder heeft er een groot belang bij om de hiervoor genoemde illegale activiteiten tegen te gaan. Zij heeft als sociale verhuurder de taak om te waken voor de leefbaarheid en de veiligheid in en rondom de woningen, die zij verhuurt. Havensteder hoeft in dat verband niet te accepteren dat haar huurders drugs in de woning voorhanden hebben, laat staan dat er zelfs sprake is van een handel in die drugs. De aanwezigheid van en de handel in drugs in welke vorm dan ook doen namelijk afbreuk aan de leefbaarheid. Het is immers algemeen bekend dat drugshandel gepaard gaat met overlast en criminaliteit.



1.10.
Dat [gedaagde] een groot belang heeft bij behoud van haar woning en dat het moeilijk voor haar zal worden andere woonruimte te vinden, is duidelijk. Als de eis van Havensteder wordt toegewezen en de woning moet worden ontruimd, heeft dat dus verstrekkende gevolgen voor [gedaagde] , die bovendien met psychische problemen kampt. Gelet op de ernst van de situatie en met name de omvang van de aangetroffen drugs en de grootschalige handel daarin, wegen de belangen van [gedaagde] in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van Havensteder. De kantonrechter vindt de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden dan ook niet zo zwaar wegen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Havensteder de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat levert ook geen misbruik van recht op.



1.11.
De conclusie is dat de kantonrechter het voldoende aannemelijk vindt dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure in stand zal blijven. De kantonrechter wijst daarom in dit kort geding de eis van Havensteder toe. Dat betekent dat [gedaagde] de woning met al haar spullen moet verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de opheffing van de sluiting van de woning, zoals door Havensteder is geëist.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





1.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 151,94 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.299,94. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag nadat dit proces-verbaal is betekend.



Deze uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad





1.13.
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat de uitspraak meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





2De beslissing
De kantonrechter:


2.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na opheffing van de sluiting van de woning aan de [adres] in Capelle aan den IJssel deze te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;



2.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.299,94 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit proces-verbaal is betekend tot de dag dat volledig is betaald;



2.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



2.4.
wijst al het andere af.


Dit proces-verbaal is op 23 juni 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
44487






Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:587