Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:7652

2026-06-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12156674 CV EXPL 26-8060
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-06-26
Publicatiedatum
2026-06-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12156674 CV EXPL 26-8060
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Zaak over onbetaalde facturen zorgverzekeraar. Vorderingen toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.147 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12156674 CV EXPL 26-8060



datum uitspraak: 26 juni 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van




VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.



De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.






1De procedure


1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 13 februari 2026, met bijlagen;


het mondelinge antwoord;


de repliek, met bijlagen;


de dupliek, met bijlagen.







2De beoordeling



Wat is de kern?




2.1.

[gedaagde] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] maandelijks premie betalen. Daarnaast moet hij onder meer kosten vanwege eigen risico en eigen bijdragen, kosten voor polismutaties en administratiekosten betalen. Er is een betalingsachterstand ontstaan en VGZ eist dat [gedaagde] veroordeeld wordt een deel van die betalingsachterstand, namelijk € 2.500,-, aan haar te betalen. [gedaagde] erkent dat hij een betalingsachterstand heeft, maar hij vindt wel dat hij eerder niet goed geïnformeerd is door VGZ.



2.2.

[gedaagde] moet van de kantonrechter € 2.500,- aan VGZ betalen. Dit wordt hieronder uitgelegd.






[gedaagde] moet € 2.500,- aan VGZ betalen





2.3.
Volgens VGZ is sinds 2016 een betalingsachterstand van € 10.120,02 ontstaan bij [gedaagde] . Partijen hebben eerder betalingsafspraken gemaakt, maar omdat [gedaagde] die niet nakwam is VGZ uiteindelijk deze procedure begonnen. [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat hij in eerste instantie niet goed begreep waar de betalingsachterstand op zag, ook omdat een deel hiervan ging over kosten van zijn inmiddels meerderjarige dochter en hij dit uit de facturen van VGZ niet kon afleiden.



2.4.
De kantonrechter begrijpt dat het bij een betalingsachterstand die al sinds 2016 speelt lastig kan zijn om overzicht te houden over welke facturen het precies gaat. De kantonrechter oordeelt dat VGZ in deze procedure wel voldoende heeft uitgelegd waar de betalingsachterstand op ziet. VGZ heeft bovendien brieven ingediend die aan [gedaagde] zijn verstuurd, waarin voor elk jaar is aangegeven welke gezinsleden er onder de polis van [gedaagde] vielen. Daaruit blijkt dat de dochter van [gedaagde] hier ook steeds onder viel. VGZ heeft ook een voorbeeld gegeven van een factuur uit 2019 waarop te zien is om welke kosten het gaat en voor welke personen die in rekening worden gebracht. In dat voorbeeld gaat het om kosten van [gedaagde] zelf en zijn zoon [naam zoon] , die toen nog onder de polis viel. De kantonrechter leidt hieruit af dat op facturen die zien op kosten van de dochter van [gedaagde] , ook is aangegeven dat het om kosten van haar gaat. De kantonrechter stelt de oorspronkelijke betalingsachterstand dan ook vast op € 10.120,02. Hierna wordt uitgelegd dat hiervan al een deel is terugbetaald.



2.5.

[gedaagde] is voor buitengerechtelijke incassokosten € 537,92 verschuldigd, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). [gedaagde] geeft aan dat hij deze kosten niet wil betalen, omdat VGZ hem eerder niet goed heeft geïnformeerd. Hij geeft echter ook aan dat VGZ zijn vragen uiteindelijk wel heeft beantwoord. Bovendien is de betalingsachterstand blijven staan. Daarom is [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter wel incassokosten verschuldigd.



2.6.

[gedaagde] is rente verschuldigd, omdat VGZ genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Volgens VGZ bedraagt de rente tot 5 februari 2026 € 134,30.



2.7.

[gedaagde] heeft van de betalingsachterstand sinds maart 2021 in totaal € 4.077,67 betaald. Deze betalingen komen eerst in mindering op de buitengerechtelijke incassokosten en de vervallen rente, en daarna in mindering op de hoofdsom (artikel 6:44 lid 1 BW). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] in totaal nog € 10.120,02 + € 537,92 + € 134,30 - € 4.077,67 = € 6.714,57 aan VGZ moet betalen. VGZ eist in deze procedure niet dit hele bedrag, maar een deel daarvan, namelijk € 2.500,-. VGZ wil hiermee de proceskosten voor [gedaagde] beperken. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] daarom € 2.500,- aan VGZ te betalen. VGZ heeft wel haar rechten voorbehouden voor het invorderen van het andere deel van de vordering. Dat betekent dat VGZ ervoor zou kunnen kiezen op een later moment een nieuwe procedure te starten over dat andere deel.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat [gedaagde] ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). [gedaagde] stelt dat de procedure niet nodig was, maar hij heeft niet aangegeven wat hij heeft gedaan om het openstaande bedrag te betalen. Daarom moet hij de proceskosten wel betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten op € 153,77 aan dagvaardingskosten, € 397,- aan griffierecht, € 434,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 217,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.093,27. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat VGZ dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.






3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 2.500,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 13 februari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;



3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VGZ worden vastgesteld op € 1.093,27;



3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken.
68254