Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7651
2026-06-26
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12163050 CV EXPL 26-8317
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Facturen zorgverzekering. Vonnis op basis van betalingsregeling. BIK deels afgewezen omdat niet is uitgelegd dat verzekeraar btw niet kan aftrekken.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.634 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12163050 CV EXPL 26-8317
datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde] , in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon B] .
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 4 maart 2026, met bijlagen;
het antwoord;
de repliek, met bijlagen;
de dupliek.
2De beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[persoon A] heeft met [eiseres] een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [persoon A] maandelijks premie aan [eiseres] betalen. [persoon A] staat onder bewind. Er is een betalingsachterstand ontstaan en [eiseres] eist dat de bewindvoerder veroordeeld wordt die betalingsachterstand met rente en kosten van in totaal € 598,39 aan haar te betalen. De bewindvoerder erkent dat er een betalingsachterstand is. Na het uitbrengen van de dagvaarding is er een betalingsregeling afgesproken tussen [eiseres] en de bewindvoerder.
2.2.
De bewindvoerder moet van de kantonrechter in totaal € 549,99 met rente aan [eiseres] betalen. De kantonrechter bepaalt wel dat de vordering pas opeisbaar is als de bewindvoerder zich niet houdt aan de betalingsregeling. Dit wordt hieronder uitgelegd.
De bewindvoerder moet in totaal € 549,99 met rente aan [eiseres] betalen
2.3.
Volgens [eiseres] is in de periode vanaf juli 2025 een betalingsachterstand van € 991,65 ontstaan. [eiseres] heeft deze vordering uit handen gegeven aan een incassobureau. De bewindvoerder heeft de betalingsachterstand erkend, zodat de kantonrechter deze vaststelt op € 991,65.
2.4.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 48,40 toegewezen. Dit is het bedrag dat staat in de brief van 28 oktober 2025 waarmee de bewindvoerder de kans heeft gekregen om alsnog de betalingsachterstand die op dat moment open stond, zonder extra kosten te betalen. Er bestaat geen recht op een hogere vergoeding. In de brieven van 26 november 2025 en 3 februari 2026 die [eiseres] heeft verstuurd is namelijk niet vermeld dat de kosten zijn verhoogd met btw omdat de btw niet kan worden verrekend (artikel 2 lid 3 Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten). De brieven voldoen daarmee niet aan de wet.
2.5.
De rente wordt ook toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en de bewindvoerder dat niet heeft betwist. Volgens [eiseres] bedraagt de rente tot 2 maart 2026 € 13,24.
2.6.
[persoon A] heeft nadat de vordering uit handen was gegeven aan het incassobureau nog in totaal € 503,30 betaald. Deze betaling komt eerst in mindering op de buitengerechtelijke incassokosten en de vervallen rente, en daarna in mindering op de hoofdsom (artikel 6:44 lid 1 BW). De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder in totaal nog € 991,65 + € 48,40 + € 13,24 - € 503,30 = € 549,99 aan [eiseres] moet betalen. Dit is de hoofdsom en hier komt dus nog rente bij vanaf 2 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald.
De bewindvoerder moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder, omdat de bewindvoerder ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan [eiseres] moet betalen op € 153,77 aan dagvaardingskosten, € 350,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 144 aan nakosten. Dat is in totaal € 935,77. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Betalingsregeling
2.8.
Partijen hebben na het uitbrengen van de dagvaarding een betalingsregeling getroffen. Op grond van die regeling betaalt de bewindvoerder € 50,- per maand om de schuld af te lossen, waarbij de eerste termijn op 26 maart 2026 moet zijn betaald. Onderdeel van die regeling is ook dat de rechter uitspraak doet en de bewindvoerder de kosten van de procedure is verschuldigd.
2.9.
Gezien deze betalingsregeling bepaalt de kantonrechter dat de bewindvoerder het toegewezen bedrag en de proceskosten niet in één keer hoeft te voldoen, zolang de bewindvoerder zich aan de regeling houdt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en de bewindvoerder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de bewindvoerder om aan [eiseres] te betalen € 549,99 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 2 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 935,77;
3.3.
bepaalt dat [eiseres] de in 3.1 en 3.2 genoemde bedragen niet kan opeisen zolang de bewindvoerder zich houdt aan de betalingsregeling van € 50,- per maand;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken.
68254
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12163050 CV EXPL 26-8317
datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde] , in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon B] .
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 4 maart 2026, met bijlagen;
het antwoord;
de repliek, met bijlagen;
de dupliek.
2De beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[persoon A] heeft met [eiseres] een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [persoon A] maandelijks premie aan [eiseres] betalen. [persoon A] staat onder bewind. Er is een betalingsachterstand ontstaan en [eiseres] eist dat de bewindvoerder veroordeeld wordt die betalingsachterstand met rente en kosten van in totaal € 598,39 aan haar te betalen. De bewindvoerder erkent dat er een betalingsachterstand is. Na het uitbrengen van de dagvaarding is er een betalingsregeling afgesproken tussen [eiseres] en de bewindvoerder.
2.2.
De bewindvoerder moet van de kantonrechter in totaal € 549,99 met rente aan [eiseres] betalen. De kantonrechter bepaalt wel dat de vordering pas opeisbaar is als de bewindvoerder zich niet houdt aan de betalingsregeling. Dit wordt hieronder uitgelegd.
De bewindvoerder moet in totaal € 549,99 met rente aan [eiseres] betalen
2.3.
Volgens [eiseres] is in de periode vanaf juli 2025 een betalingsachterstand van € 991,65 ontstaan. [eiseres] heeft deze vordering uit handen gegeven aan een incassobureau. De bewindvoerder heeft de betalingsachterstand erkend, zodat de kantonrechter deze vaststelt op € 991,65.
2.4.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 48,40 toegewezen. Dit is het bedrag dat staat in de brief van 28 oktober 2025 waarmee de bewindvoerder de kans heeft gekregen om alsnog de betalingsachterstand die op dat moment open stond, zonder extra kosten te betalen. Er bestaat geen recht op een hogere vergoeding. In de brieven van 26 november 2025 en 3 februari 2026 die [eiseres] heeft verstuurd is namelijk niet vermeld dat de kosten zijn verhoogd met btw omdat de btw niet kan worden verrekend (artikel 2 lid 3 Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten). De brieven voldoen daarmee niet aan de wet.
2.5.
De rente wordt ook toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en de bewindvoerder dat niet heeft betwist. Volgens [eiseres] bedraagt de rente tot 2 maart 2026 € 13,24.
2.6.
[persoon A] heeft nadat de vordering uit handen was gegeven aan het incassobureau nog in totaal € 503,30 betaald. Deze betaling komt eerst in mindering op de buitengerechtelijke incassokosten en de vervallen rente, en daarna in mindering op de hoofdsom (artikel 6:44 lid 1 BW). De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder in totaal nog € 991,65 + € 48,40 + € 13,24 - € 503,30 = € 549,99 aan [eiseres] moet betalen. Dit is de hoofdsom en hier komt dus nog rente bij vanaf 2 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald.
De bewindvoerder moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder, omdat de bewindvoerder ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan [eiseres] moet betalen op € 153,77 aan dagvaardingskosten, € 350,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 144 aan nakosten. Dat is in totaal € 935,77. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Betalingsregeling
2.8.
Partijen hebben na het uitbrengen van de dagvaarding een betalingsregeling getroffen. Op grond van die regeling betaalt de bewindvoerder € 50,- per maand om de schuld af te lossen, waarbij de eerste termijn op 26 maart 2026 moet zijn betaald. Onderdeel van die regeling is ook dat de rechter uitspraak doet en de bewindvoerder de kosten van de procedure is verschuldigd.
2.9.
Gezien deze betalingsregeling bepaalt de kantonrechter dat de bewindvoerder het toegewezen bedrag en de proceskosten niet in één keer hoeft te voldoen, zolang de bewindvoerder zich aan de regeling houdt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en de bewindvoerder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de bewindvoerder om aan [eiseres] te betalen € 549,99 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 2 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 935,77;
3.3.
bepaalt dat [eiseres] de in 3.1 en 3.2 genoemde bedragen niet kan opeisen zolang de bewindvoerder zich houdt aan de betalingsregeling van € 50,- per maand;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken.
68254