Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:7602

2026-06-04 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/694601 / FA RK 25-1256 en C/10/696579 / FA RK 25-2266
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-06-04
Publicatiedatum
2026-06-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/694601 / FA RK 25-1256 en C/10/696579 / FA RK 25-2266
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/393

Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenverzoeken. Is de auto in dit geval een gemeenschapsgoed? Rb. oordeelt, mede op basis van art. 3:109 en 3:119 BW, dat de auto in de gemeenschap valt.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (49.733 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



zaaknummers / rekestnummers: C/10/694601 / FA RK 25-1256 en C/10/696579 / FA RK 25-2266





Beschikking van 4 juni 2026 over de echtscheiding




in de zaak van:





[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam,



t e g e n





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Polat te Rijswijk.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 18 februari 2025;


het bericht van de man van 18 maart 2025;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 maart 2025;


het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 6 mei 2025;


het bericht van 13 april 2026 met bijlagen van de man;


het bericht van 14 april 2026 met bijlagen van de vrouw.





1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij zijn verschenen:


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .








2De vaststaande feiten


2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op [huwelijksdatum] .



2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboortplaats] .




2.3.
Bij beschikking in het kader van voorlopige voorzieningen van 15 mei 2025 is bepaald dat:


de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning;


de minderjarige wordt toevertrouwd aan de vrouw;


de onderlinge regeling over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling), in die zin dat de minderjarige minstens vijf uur per week bij de man is en als partijen geen andere afspraken maken van 12.00 tot 17.00 uur op zondag, wordt opgenomen;


de man met ingang van 10 maart 2025 een kinderbijdrage van € 604,- per maand aan de vrouw zal voldoen.





2.4.
Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.






3De beoordeling


3.1.

Scheiding



3.1.1.
De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.



3.1.2.
De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.



3.1.3.
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.



3.1.4.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.



3.1.5.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).



3.1.6.
De man heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De man heeft voldoende gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de man daarom in zijn verzoek tot echtscheiding.



3.1.7.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.




3.2.

Opname ouderschapsplan



3.2.1.
De man heeft het verzoek tot opname van het ouderschapsplan ingetrokken.


3.2.2.
De rechtbank zal het verzoek om die reden afwijzen.




3.3.

Verblijfplaats



3.3.1.
Beide partijen verzoeken te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn.



3.3.2.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.



3.3.3.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.



3.3.4.
De rechtbank beslist volgens de verzoeken. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.




3.4.

Zorgregeling



3.4.1.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen en de vrouw voert gemotiveerd verweer.



3.4.2.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.



3.4.3.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.



3.4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling. De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking, omdat zij dit in het belang van de minderjarige acht.




3.5.

Huurrecht woning



3.5.1.
Beide partijen verzoeken het huurrecht van de woning. In zijn verweer op zelfstandige verzoeken stemt de man alsnog in met toedeling van het huurrecht aan de vrouw.



3.5.2.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.



3.5.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.



3.5.4.
De rechtbank beslist volgens het verzoek van de vrouw, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.






3.6.

Onderhoudsbijdragen



3.6.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 604,- per maand en te bepalen dat de man met ingang van 1 maart 2025 zal bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) met een zodanige ingangsdatum en bedrag als de rechtbank vermeent te behoren.



3.6.2.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek over de partnerbijdrage ingetrokken. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen.



Kinderbijdrage





Rechtsmacht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.




Toepasselijk recht




3.6.3.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.



3.6.4.
De man voert gemotiveerd verweer tegen de kinderbijdrage.




3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


3.7.1.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).



Ingangsdatum




3.7.2.
Partijen zijn het er over eens dat de door de man te betalen kinderbijdrage met ingang van de datum van deze beschikking zal worden vastgesteld.



Behoefte




3.7.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) in 2024 € 619,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 690,- per maand.



Draagkrachtberekening




3.7.4.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.



3.7.5.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-I.




3.7.6.

Tussen partijen is in geschil met welk inkomen de draagkracht van de man moet worden berekend. De man heeft sinds 1 april 2025 een andere baan met een lager inkomen. Volgens de vrouw is er sprake van verwijtbaar inkomensverlies en heeft de man onvoldoende rekening gehouden met het belang van de minderjarige door een baan te accepteren waarin hij een lager inkomen verdient. De vrouw is van mening dat de draagkracht van de man moet worden berekend aan de hand van het inkomen dat hij vóór
1 april 2025 had. De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat zijn draagkracht moet worden berekend aan de hand van zijn huidige inkomen. Zijn contract bij zijn vorige werkgever werd per 1 april 2025 niet meer verlengd. Hij moest daarom op zoek naar een nieuwe werkgever. Omdat hij nu ook de zorg voor de minderjarige in het weekend heeft, heeft hij er voor gekozen om bij zijn huidige werkgever te gaan werken omdat hij daar – in tegenstelling tot zijn vorige baan – niet in de weekenden hoeft te werken. Zijn inkomen valt daardoor wat lager uit dan bij zijn vorige werkgever.




3.7.7.
De rechtbank is van oordeel dat van de man niet kan worden gevergd dat hij zijn oude inkomen gaat verdienen. Door de echtscheiding is een nieuwe situatie ontstaan waarbij de man in het weekend de zorg voor de minderjarige heeft. Daarbij past niet dat de man dan in het weekend moet werken. De rechtbank berekent daarom de draagkracht van de man aan de hand van zijn huidige inkomen, zoals dat blijkt uit de loonstrook van januari 2026 (productie 7). Uit de overgelegde loonstroken blijkt niet dat de man een onregelmatigheidstoeslag ontvangt of een dertiende maand. De rechtbank zal daar dan ook geen rekening mee houden.



3.7.8.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.807,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 3.307,- bruto per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 216,- per maand
- WIA premie € 19,- per maand
- SOOB bruto € 8.- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting



3.7.9.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 420,- per maand.



3.7.10.
Partijen zijn het er over eens dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand bedraagt.



Draagkrachtvergelijking




3.7.11.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarige kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.




Zorgkorting




3.7.12.
Gezien de overeengekomen zorgregeling van minimaal vijf uur per week en een verdeling van de vakanties in onderling overleg, stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld minder dan één dag per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 5%.



3.7.13.
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 690,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 34,- per maand.



3.7.14.
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Omdat de helft van dit tekort hoger is dan de zorgkorting kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage.



Conclusie




3.7.15.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 420,- per maand. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.



3.7.16.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.




3.8.

Verdeling



3.8.1.
De man verzoekt een verklaring voor recht dat de bestaande beperkte gemeenschap is verdeeld en dat partijen uit hoofde van die beperkte gemeenschap over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.



3.8.2.
De vrouw verzoekt het huwelijksvermogensregime van partijen vast te stellen en de verdeling van de bestanddelen vast te stellen zoals weergegeven in het zelfstandig verzoek van de vrouw. De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt het verzoek af te wijzen.



3.8.3.
Gelet op het verweer van de man op het zelfstandig verzoek van de vrouw en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling beschouwt de rechtbank het verzoek van de man tot een verklaring voor recht als ingetrokken. Dit verzoek wordt afgewezen.



Rechtsmacht




3.8.4.
Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).



Toepasselijk recht




3.8.5.
Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing.



3.8.6.
Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben gedaan.



3.8.7.
Op grond van artikel 26, lid 1 onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlandse recht, omdat partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.



3.8.8.
Partijen zijn na 1 januari 2018 in het huwelijk getreden, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.



3.8.9.
Partijen hebben geen (volledige) overeenstemming over de verdeling van de beperkte gemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de beperkte gemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.



3.8.10.

De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd:
goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift;
pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder c BW.
Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.




3.8.11.
Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op een bijzondere wijze verknocht zijn, vallen op grond van artikel 1:94 lid 5 BW slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.



3.8.12.
Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW.



3.8.13.
Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BW als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.



Wettelijke peildatum




3.8.14.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 18 februari 2025.



3.8.15.
Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.



3.8.16.
De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen die volgens partijen, dan wel één van hen, tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren.



3.8.17.
Partijen zijn het eens over de verdeling van de volgende bestanddelen:


de inboedel wordt in onderling overleg verdeeld;


de kleding, sieraden en persoonlijke goederen in de echtelijke woning worden toegedeeld aan degene aan wie het toebehoort;


de vrouw behoudt de saldi op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van de vrouw en op de aan die rekening gekoppelde spaarrekeningen en de man behoudt de saldi op bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] ten name van de man en op de daaraan gekoppelde spaarrekeningen, zonder nadere verrekening, waarbij partijen verklaren geen andere bankrekeningen te hebben;


ten aanzien van de verkoop van de Audi A3 met kenteken [kentekennummer 1] zal de man een bedrag van € 3.400,- aan de vrouw voldoen.


De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking.



Peugeot 308 met kenteken [kentekennummer 2]




3.8.18.
Partijen verschillen van mening of deze auto onderdeel uitmaakt van de beperkte gemeenschap van goederen.



3.8.19.
De man stelt dat hij de auto op 19 maart 2025, dus na de peildatum, heeft gekocht. Daarvoor heeft hij de auto die van een vriend was, gebruikt en omdat dat goed beviel heeft hij de auto van hem gekocht. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling de tenaamstelling van de auto van 5 juni 2025 laten zien. De vrouw betwist de stelling van man. Volgens haar heeft de man de auto gekocht voor de peildatum. Zij heeft een verkeersboete in de post gevonden van 11 maart 2025 in verband met een verkeerovertreding die door de man is begaan met deze auto. Het klopt volgens de vrouw dus niet dat de man pas op 19 maart 2025 de auto heeft overgenomen.



3.8.20.
Partijen zijn dus verdeeld of de auto op 18 februari 2025 (de peildatum) een gemeenschapsgoed was. De man beroept zich er daarbij op dat de auto pas op 5 juni 2025 is geregistreerd op naam van de man. De tenaamstelling in het kentekenregister levert echter geen bewijs van eigendom op. Verder heeft de vrouw als weerlegging van de stelling van de man onderbouwd naar voren gebracht dat de man in ieder geval op 11 maart 2025 gebruikmaakte van de auto. De man heeft ook erkend dat hij de auto al gebruikte, voordat die op zijn naam was gesteld. Die vaststellingen zijn van belang, omdat op grond van de artikelen 3:109 en 3:119 van het Burgerlijk Wetboek iemand die een goed houdt vermoed wordt rechthebbende te zijn van dat goed (in dit geval de auto). De stelling van de vrouw dat de man de auto ook al vóór de peildatum gebruikte, is onvoldoende weersproken. Het had op de weg van de man gelegen om nader te onderbouwen dat hij pas bij na de peildatum eigenaar is geworden van de auto bij de man. Zo had de man bewijsstukken van de aankoop van de auto in het geding kunnen brengen, bijvoorbeeld de overeenkomst dan wel een nadere onderbouwing vanaf welk moment de man gebruikmaakte van de auto.



3.8.21.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de auto in de beperkte gemeenschap van goederen valt en verdeeld moet worden. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de waarde van de auto € 6.424,- bedraagt. Dit betekent dat de auto aan de man wordt toegedeeld en dat hij de helft van de waarde van de auto met de vrouw moet verrekenen, dat wil zeggen hij een bedrag van € 3.212,- aan de vrouw moet voldoen.




3.9.

Uitvoerbaar bij voorraad


3.9.1.
Partijen de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding en het huurrecht. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De beslissing over het huurrecht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening een beslissing is genomen over het uitsluitend gebruik van de woning. Deze voorlopige voorziening blijft gelden tot de beslissing hierover in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Dit is het geval als er geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden ingesteld.




3.10.

Proceskosten



3.10.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 7 april 2020 te Rotterdam;



4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;



4.3.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de zorgregeling hebben getroffen, te weten:


de minderjarige is één keer per week minimaal 5 uur bij de man;


de man neemt het halen en brengen van de minderjarige voor zijn rekening;


partijen verdelen de vakanties in onderling overleg;


tijdens het Suikerfeest en Offerfeest is de minderjarige tot 14:00 uur bij de man en vanaf 14:00 uur bij de vrouw;





4.4.
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan Passerelstaat 5B te (3023 ZA) Rotterdam;



4.5.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 420,- per maand;



4.6.
neemt op in deze beschikking de onderlinge regeling die partijen ter zake van de verdeling van de volgende bestanddelen van de beperkte gemeenschap hebben getroffen, te weten:


de inboedel wordt in onderling overleg verdeeld;


de kleding, sieraden en persoonlijke goederen in de echtelijke woning worden toegedeeld aan degene aan wie het toebehoort;


de vrouw behoudt de saldi op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van de vrouw en op de aan die rekening gekoppelde spaarrekeningen en de man behoudt de saldi op bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] ten name van de man en op de daaraan gekoppelde spaarrekeningen, zonder nadere verrekening;


ten aanzien van de verkoop van de Audi A3 met kenteken [kentekennummer 1] zal de man een bedrag van € 3.400,- aan de vrouw betalen;





4.7.

gelast de volgende wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap:
deelt de Peugeot 308 met kenteken [kentekennummer 2] toe aan de man tegen een waarde van
€ 6.424,- onder de verplichting de helft van die waarde, te weten een bedrag van € 3.212,- aan de vrouw te voldoen;




4.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding en het huurrecht;



4.9.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



4.10.
wijst af het meer of anders verzochte.











Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. I.C.A. van der Lee, griffier, op 4 juni 2026.
















































Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.









Partij


Alimentatieplichtige




Zaak


694601




Berekening


draagkracht




Tarieven


2026-1




Datum uitdraai


02-06-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon (41-50)





41


Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking








€


39.684




44


Vakantietoeslag








€


3.175
















Bruto inkomsten





















€







42.859




































Premies (51-59)











Pensioenpremie





51


Ingehouden pensioenpremie





-


€


2.592




52


VUT / FPU-premie e.d.





-


€


228




53


Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat





-


€


96




54


Loon voor de premies werknemersverzekeringen








€


39.943



































59







Inkomsten





















€







39.943




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







39.943




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







39.943







- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)








€


13.900







- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426








€


398









95







Inkomensheffing box 1





















€







14.298




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


39.943









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


14.298







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


8.037







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


6.261
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







33.682


































Specificaties voor post: 115/116














Algemene Heffingskorting





€


2.462


jaar










Arbeidskorting





€


5.575


jaar






































120







Besteedbaar inkomen





















€







33.682




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







33.682




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


2.807