Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:7308

2026-06-09 Bestuursrecht; Belastingrecht ROT 25/8371
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-06-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/8371
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet op het kindgebonden budget en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om kindgebonden budget over de periode 2020 tot en met 2023 terecht afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ontvangen. Beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.787 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/8371


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),


en


Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).


Samenvatting


1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om kindgebonden budget voor de periode van 2020 tot en met 2023 afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond.




Procesverloop


2. Met het besluit van 3 september 2025 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om kindgebonden budget afgewezen.



2.1.
Met het besluit van 10 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 september 2025 ongegrond verklaard.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 31 maart 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.




Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft op 24 juli 2025 kindgebonden budget aangevraagd voor de periode van 2020 tot en met 2023. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ontvangen. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.

4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen haar aanvraag om kindgebonden budget ten onrechte heeft afgewezen. Vanaf 2 januari 2019 ontvangt eiseres kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Zij is nooit door de Dienst Toeslagen geïnformeerd dat zij recht heeft op kindgebonden budget. Eiseres ging ervanuit dat het kindgebonden budget automatisch zou worden toegekend. De brieven waarnaar de Dienst Toeslagen verwijst, heeft eiseres nooit ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft het motiverings-, zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel geschonden.

5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar kan tot en met 31 december van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend bij de Dienst Toeslagen. Deze termijn wordt verlengd tot de laatste dag van de termijn voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting. De ouder die recht heeft op kindgebonden budget en in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Dienst Toeslagen, wordt geacht een aanvraag voor kindgebonden budget te hebben gedaan.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres terecht afgewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de aanvraag om kindgebonden budget heeft ingediend na de termijn die is gesteld in artikel 15, eerste lid, van de Awir. De Dienst Toeslagen is niet bevoegd om van die termijn af te wijken. Bij het bepalen van die termijn heeft de wetgever uitdrukkelijk overwogen dat het karakter van de inkomensafhankelijke tegemoetkomingen, zoals het kindgebonden budget, het niet toelaat dat deze ook nog worden verleend als er een lange tijd is verstreken na het moment waarop de desbetreffende uitgaven zijn gedaan.

7. De Dienst Toeslagen was niet verplicht eiseres te informeren over het feit dat zij recht had op kindgebonden budget. Of eiseres de door de Dienst Toeslagen genoemde brieven heeft ontvangen, is daarom niet van belang. Anders dan eiseres betoogt, betekent het feit dat zij recht heeft op kinderbijslag, waarvan de uitvoering is opgedragen aan de SVB, niet dat de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget automatisch had moeten toekennen. Dat is alleen het geval als iemand recht heeft op een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Dienst Toeslagen, zoals de huur-, zorg- of kinderopvangtoeslag. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen recht had op die toeslagen in de periode van 2020 tot en met 2023. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht het kindgebonden budget niet automatisch aan eiseres toegekend.

8. In het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen toegelicht waarom de aanvraag van eiseres is afgewezen. Van een schending van het motiveringsbeginsel is daarom geen sprake. Niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. De Dienst Toeslagen heeft niet aan eiseres toegezegd dat aan haar het kindgebonden budget zou worden toegekend. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is daarom ook geen sprake.



Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).


Artikel 5, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget (Wkgb).


ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:138, r.o. 3.1.



Kamerstukken II 2004/05, 29764, nr. 3, p. 19.


Vgl. ABRvS 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2040, r.o. 4.2.