Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7297
2026-06-04
Bestuursrecht; Belastingrecht
ROT 25/2816
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), compensatie. Beroep ongegrond. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie terecht heeft afgewezen. Het automatisch toekennen van kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 kan niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Verder hoefde de Dienst Toeslagen de invorderingskosten die eiseres heeft moeten betalen bij de terugvorderingen over de jaren 2012 en 2013, niet te betrekken bij de compensatieberekening over de jaren 2008 en 2009. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2025:5610 Raad van State 19-11-2025
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.848 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2816
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2012 en 2013 terecht heeft afgewezen. Het automatisch toekennen van kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 kan niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Verder hoefde de Dienst Toeslagen de invorderingskosten die eiseres heeft moeten betalen bij de terugvorderingen over de jaren 2012 en 2013, niet te betrekken bij de compensatieberekening over de jaren 2008 en 2009. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 26 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2008 en 2009 toegewezen en voor het jaar 2010 afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 22 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2011, 2012 en 2013 afgewezen en de compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op een hoger bedrag vastgesteld.
2.2.
Met het besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 26 september 2022 en 22 december 2023 gegrond verklaard en de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor het jaar 2010 toegewezen en de compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op een hoger bedrag vastgesteld.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft vijf kinderen, geboren op 24 februari 2004, 8 september 2005, 18 oktober 2006, 12 januari 2013 en 31 januari 2015. Zij heeft op 12 november 2020 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
3.1.
Met het besluit van 26 september 2022 ([kenmerk 1]) heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2008 en 2009 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres in aanmerking komt voor compensatie op grond van individuele vooringenomenheid ter hoogte van € 70.171,-. Met de besluiten van 26 september 2022 ([kenmerk 2] en [kenmerk 3]) heeft de Dienst Toeslagen het jaar 2010 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie. Met het besluit van 22 december 2023 ([kenmerk 4]) heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2008 en 2009 opnieuw beoordeeld en vastgesteld dat eiseres in aanmerking komt voor compensatie ter hoogte van € 75.618,-. Verder heeft de Dienst Toeslagen in dit besluit de jaren 2011, 2012 en 2013 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie.
3.2.
Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag om compensatie voor de jaren 2011, 2012 en 2013 gebleven. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ook beslist dat eiseres voor het jaar 2010 in aanmerking komt voor compensatie en dat de compensatieberekening voor de jaren 2008 en 2009 ongewijzigd blijft. De totale compensatie is vastgesteld op een bedrag van € 87.982,-.
Standpunt van eiseres
4. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ook voor de jaren 2012 en 2013 compensatie had moeten toekennen omdat voor die jaren de kinderopvangtoeslag automatisch is toegekend terwijl eiseres vanaf 1 april 2011 geen gebruik meer maakte van kinderopvang. Dit heeft tot gevolg gehad dat de kinderopvangtoeslag voor deze jaren werd verrekend met terugvorderingen over de jaren 2008 en 2009, waardoor zij niet door had dat de kinderopvangtoeslag doorliep. Ook heeft zij geen voorschotbeschikkingen ontvangen. Pas nadat in december 2012 een termijn werd uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en deze eiseres daarop wees, kwam zij erachter dat de kinderopvangtoeslag al die tijd had doorgelopen. Zij heeft de kinderopvangtoeslag toen stopgezet waardoor deze werd teruggevorderd. Subsidiair voert eiseres aan dat zij door de terugvorderingen invorderingskosten heeft moeten betalen. Deze kosten waren nooit ontstaan als de kinderopvangtoeslag niet automatisch zou zijn toegekend en als de onterechte terugvorderingen over de jaren 2008 en 2009 niet zouden hebben plaatsgevonden. Deze kosten moeten daarom vergoed worden in de compensatieberekening over de jaren 2008 en 2009 met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld door de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 en 2013 automatisch toe te kennen?
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de automatische toekenningen van kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 moeten worden aangemerkt als vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. De aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor de jaren volgend op het jaar waar de aanvraag op ziet. De Dienst Toeslagen moet de toekenning van kinderopvangtoeslag dus automatisch continueren voor volgende jaren. Eiseres heeft weliswaar op 2 augustus 2012 door middel van een antwoordformulier doorgegeven dat zij in 2011 geen gebruik maakte van kinderopvang, maar dit hoefde de Dienst Toeslagen niet op te vatten als mede betrekking hebbend op de jaren 2012 en 2013. Het is dus niet gebleken dat de Dienst Toeslagen met de automatische toekenningen over 2012 en 2013 fouten heeft gemaakt. Maar zelfs als dit anders zou zijn, leidt dit nog niet tot de conclusie dat deze fouten het gevolg zijn van institutionele vooringenomenheid ten aanzien van eiseres. De herstelregelingen in de Wht zijn niet bedoeld om fouten die mogelijk in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt, te herstellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moet de Dienst Toeslagen de invorderingskosten over de jaren 2012 en 2013 vergoeden in het kader van de compensatie over de jaren 2008 en 2009?
6. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres over de invorderingskosten zo dat, indien de onterechte terugvorderingen over de jaren 2008 en 2009 niet zouden hebben plaatsgevonden, de kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 niet met die terugvorderingen zou zijn verrekend maar zou zijn uitbetaald aan de kinderopvanginstelling of aan eiseres, waardoor eiseres eerder op de hoogte zou zijn geweest van het doorlopen van de kinderopvangtoeslag en zij bovendien de ten onrechte uitbetaalde kinderopvangtoeslag direct had kunnen terugbetalen. In dat geval zou er van invorderingskosten geen sprake hebben hoeven zijn. Volgens eiseres is er daarom reden om de invorderingskosten over 2012 en 2013 te betrekken bij de compensatie over de jaren 2008 en 2009.
6.1.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Hoewel er mogelijk een causaal verband bestaat tussen de onterechte terugvorderingen over 2008 en 2009 en de invorderingskosten over 2012 en 2013, kunnen laatstgenoemde kosten niet worden meegenomen bij het compensatiebedrag over 2008 en 2009. De componenten waaruit het forfaitaire compensatiebedrag bestaat, volgen namelijk dwingendrechtelijk uit de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Invorderingskosten over latere jaren vallen hier niet onder. Desgewenst kan eiseres een aanvraag doen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
6.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen de invorderingskosten ook niet met toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 9.1, eerste lid, van de Wht bij de compensatieberekening over de jaren 2008 en 2009 hoeft te betrekken. Met deze hardheidsclausule kan namelijk niet worden afgeweken van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht.
Heeft eiseres recht op een schadevergoeding?
7. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.1.
Zaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van de bezwaarschriften door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
7.2.
De bezwaarschriften zijn op 10 januari 2023 ontvangen. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn met afgerond een jaar en zes maanden overschreden. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 26 februari 2025, afgerond twee jaar en twee maanden na ontvangst van de bezwaarschriften. De overschrijding van de redelijke termijn is dus volledig toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres moet betalen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
9. Eiseres heeft recht op € 1.500,- schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De Dienst Toeslagen dient dit bedrag te betalen. Eiseres heeft verder recht op vergoeding van haar proceskosten in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot het betalen van € 1.500,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 15, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5610.
Dit volgt uit artikel 2.3, vijfde lid, van de Wht.
Artikel 2.1, derde lid, van de Wht.
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2816
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2012 en 2013 terecht heeft afgewezen. Het automatisch toekennen van kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 kan niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Verder hoefde de Dienst Toeslagen de invorderingskosten die eiseres heeft moeten betalen bij de terugvorderingen over de jaren 2012 en 2013, niet te betrekken bij de compensatieberekening over de jaren 2008 en 2009. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 26 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2008 en 2009 toegewezen en voor het jaar 2010 afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 22 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2011, 2012 en 2013 afgewezen en de compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op een hoger bedrag vastgesteld.
2.2.
Met het besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 26 september 2022 en 22 december 2023 gegrond verklaard en de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor het jaar 2010 toegewezen en de compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op een hoger bedrag vastgesteld.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft vijf kinderen, geboren op 24 februari 2004, 8 september 2005, 18 oktober 2006, 12 januari 2013 en 31 januari 2015. Zij heeft op 12 november 2020 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
3.1.
Met het besluit van 26 september 2022 ([kenmerk 1]) heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2008 en 2009 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres in aanmerking komt voor compensatie op grond van individuele vooringenomenheid ter hoogte van € 70.171,-. Met de besluiten van 26 september 2022 ([kenmerk 2] en [kenmerk 3]) heeft de Dienst Toeslagen het jaar 2010 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie. Met het besluit van 22 december 2023 ([kenmerk 4]) heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2008 en 2009 opnieuw beoordeeld en vastgesteld dat eiseres in aanmerking komt voor compensatie ter hoogte van € 75.618,-. Verder heeft de Dienst Toeslagen in dit besluit de jaren 2011, 2012 en 2013 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie.
3.2.
Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag om compensatie voor de jaren 2011, 2012 en 2013 gebleven. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ook beslist dat eiseres voor het jaar 2010 in aanmerking komt voor compensatie en dat de compensatieberekening voor de jaren 2008 en 2009 ongewijzigd blijft. De totale compensatie is vastgesteld op een bedrag van € 87.982,-.
Standpunt van eiseres
4. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ook voor de jaren 2012 en 2013 compensatie had moeten toekennen omdat voor die jaren de kinderopvangtoeslag automatisch is toegekend terwijl eiseres vanaf 1 april 2011 geen gebruik meer maakte van kinderopvang. Dit heeft tot gevolg gehad dat de kinderopvangtoeslag voor deze jaren werd verrekend met terugvorderingen over de jaren 2008 en 2009, waardoor zij niet door had dat de kinderopvangtoeslag doorliep. Ook heeft zij geen voorschotbeschikkingen ontvangen. Pas nadat in december 2012 een termijn werd uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en deze eiseres daarop wees, kwam zij erachter dat de kinderopvangtoeslag al die tijd had doorgelopen. Zij heeft de kinderopvangtoeslag toen stopgezet waardoor deze werd teruggevorderd. Subsidiair voert eiseres aan dat zij door de terugvorderingen invorderingskosten heeft moeten betalen. Deze kosten waren nooit ontstaan als de kinderopvangtoeslag niet automatisch zou zijn toegekend en als de onterechte terugvorderingen over de jaren 2008 en 2009 niet zouden hebben plaatsgevonden. Deze kosten moeten daarom vergoed worden in de compensatieberekening over de jaren 2008 en 2009 met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld door de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 en 2013 automatisch toe te kennen?
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de automatische toekenningen van kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 moeten worden aangemerkt als vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. De aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor de jaren volgend op het jaar waar de aanvraag op ziet. De Dienst Toeslagen moet de toekenning van kinderopvangtoeslag dus automatisch continueren voor volgende jaren. Eiseres heeft weliswaar op 2 augustus 2012 door middel van een antwoordformulier doorgegeven dat zij in 2011 geen gebruik maakte van kinderopvang, maar dit hoefde de Dienst Toeslagen niet op te vatten als mede betrekking hebbend op de jaren 2012 en 2013. Het is dus niet gebleken dat de Dienst Toeslagen met de automatische toekenningen over 2012 en 2013 fouten heeft gemaakt. Maar zelfs als dit anders zou zijn, leidt dit nog niet tot de conclusie dat deze fouten het gevolg zijn van institutionele vooringenomenheid ten aanzien van eiseres. De herstelregelingen in de Wht zijn niet bedoeld om fouten die mogelijk in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt, te herstellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moet de Dienst Toeslagen de invorderingskosten over de jaren 2012 en 2013 vergoeden in het kader van de compensatie over de jaren 2008 en 2009?
6. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres over de invorderingskosten zo dat, indien de onterechte terugvorderingen over de jaren 2008 en 2009 niet zouden hebben plaatsgevonden, de kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 niet met die terugvorderingen zou zijn verrekend maar zou zijn uitbetaald aan de kinderopvanginstelling of aan eiseres, waardoor eiseres eerder op de hoogte zou zijn geweest van het doorlopen van de kinderopvangtoeslag en zij bovendien de ten onrechte uitbetaalde kinderopvangtoeslag direct had kunnen terugbetalen. In dat geval zou er van invorderingskosten geen sprake hebben hoeven zijn. Volgens eiseres is er daarom reden om de invorderingskosten over 2012 en 2013 te betrekken bij de compensatie over de jaren 2008 en 2009.
6.1.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Hoewel er mogelijk een causaal verband bestaat tussen de onterechte terugvorderingen over 2008 en 2009 en de invorderingskosten over 2012 en 2013, kunnen laatstgenoemde kosten niet worden meegenomen bij het compensatiebedrag over 2008 en 2009. De componenten waaruit het forfaitaire compensatiebedrag bestaat, volgen namelijk dwingendrechtelijk uit de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Invorderingskosten over latere jaren vallen hier niet onder. Desgewenst kan eiseres een aanvraag doen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
6.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen de invorderingskosten ook niet met toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 9.1, eerste lid, van de Wht bij de compensatieberekening over de jaren 2008 en 2009 hoeft te betrekken. Met deze hardheidsclausule kan namelijk niet worden afgeweken van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht.
Heeft eiseres recht op een schadevergoeding?
7. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.1.
Zaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van de bezwaarschriften door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
7.2.
De bezwaarschriften zijn op 10 januari 2023 ontvangen. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn met afgerond een jaar en zes maanden overschreden. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 26 februari 2025, afgerond twee jaar en twee maanden na ontvangst van de bezwaarschriften. De overschrijding van de redelijke termijn is dus volledig toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres moet betalen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
9. Eiseres heeft recht op € 1.500,- schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De Dienst Toeslagen dient dit bedrag te betalen. Eiseres heeft verder recht op vergoeding van haar proceskosten in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot het betalen van € 1.500,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 15, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5610.
Dit volgt uit artikel 2.3, vijfde lid, van de Wht.
Artikel 2.1, derde lid, van de Wht.
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.