Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7214
2026-06-12
Bestuursrecht; Belastingrecht
ROT 25/3362
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht, aanhoudingsverzoek afgewezen. Geen sprake van vooringenomen handelen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:1961 Raad van State 30-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.309 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3362
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. P. Salim),
en
de Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (hierna: Wht).
1.1.
Met het besluit van 11 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2010 afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Op 11 juni 2026 in de middag heeft mr. A. Ramdas namens de gemachtigde van eiseres een schriftelijk verzoek gedaan tot aanhouding van de zitting. De rechtbank heeft dit verzoek op 12 juni 2026 schriftelijk (na een poging om telefonisch contact op te nemen) afgewezen.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de Dienst Toeslagen. Namens de gemachtigde van eiseres heeft zijn kantoorgenoot mr. A. Ramdas digitaal deelgenomen aan de zitting.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2010 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3. Op de zitting heeft mr. A. Ramdas nogmaals een aanhoudingsverzoek gedaan. De gemachtigde van eiseres is ziek en mr. A. Ramdas stelt dat hij de zaak niet heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank wijst dit aanhoudingsverzoek af. De rechtbank is van oordeel dat het aanhoudingsverzoek onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast is de rechtbank voldoende aan mr. A. Ramdas tegemoet gekomen door de zitting een aantal uur te verplaatsen en door mr. A. Ramdas digitaal te laten deelnemen aan de zitting. Verder is de gemachtigde van eiseres donderdag al ziek naar huis gegaan en had mr. A. Ramdas de overzichtelijke zaak vanaf dat moment kunnen voorbereiden.
4. De rechtbank stelt voorop dat eiseres alleen beroepsgronden heeft gericht tegen het toeslagjaar 2005. Eiseres heeft aangevoerd dat voor het jaar 2005 een fout is gemaakt. In eerste instantie is een voorschotbeschikking afgegeven voor € 30,- en dit is in augustus 2006 om onduidelijk redenen gewijzigd naar € 751,-. Er is volgens eiseres sprake van vooringenomen handelen.
5. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
6. De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor het toeslagjaar 2005 terecht heeft geweigerd. De herstelregelingen zijn niet bedoeld om eventuele fouten die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag mogelijk zijn gemaakt te herstellen. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen neerwaartse beschikkingen zijn afgegeven over het toeslagjaar 2005, waardoor geen sprake is van het niet ontvangen van kinderopvangtoeslag of van teruggevorderde kinderopvangtoeslag. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft betoogd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van vooringenomenheid in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten. Ook krijgt eiseres haar griffierecht niet terug.
8. Partijen zijn op de mogelijkheid gewezen om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.
Kamerstukken II, 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 72.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3362
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. P. Salim),
en
de Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (hierna: Wht).
1.1.
Met het besluit van 11 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2010 afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Op 11 juni 2026 in de middag heeft mr. A. Ramdas namens de gemachtigde van eiseres een schriftelijk verzoek gedaan tot aanhouding van de zitting. De rechtbank heeft dit verzoek op 12 juni 2026 schriftelijk (na een poging om telefonisch contact op te nemen) afgewezen.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de Dienst Toeslagen. Namens de gemachtigde van eiseres heeft zijn kantoorgenoot mr. A. Ramdas digitaal deelgenomen aan de zitting.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2010 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3. Op de zitting heeft mr. A. Ramdas nogmaals een aanhoudingsverzoek gedaan. De gemachtigde van eiseres is ziek en mr. A. Ramdas stelt dat hij de zaak niet heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank wijst dit aanhoudingsverzoek af. De rechtbank is van oordeel dat het aanhoudingsverzoek onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast is de rechtbank voldoende aan mr. A. Ramdas tegemoet gekomen door de zitting een aantal uur te verplaatsen en door mr. A. Ramdas digitaal te laten deelnemen aan de zitting. Verder is de gemachtigde van eiseres donderdag al ziek naar huis gegaan en had mr. A. Ramdas de overzichtelijke zaak vanaf dat moment kunnen voorbereiden.
4. De rechtbank stelt voorop dat eiseres alleen beroepsgronden heeft gericht tegen het toeslagjaar 2005. Eiseres heeft aangevoerd dat voor het jaar 2005 een fout is gemaakt. In eerste instantie is een voorschotbeschikking afgegeven voor € 30,- en dit is in augustus 2006 om onduidelijk redenen gewijzigd naar € 751,-. Er is volgens eiseres sprake van vooringenomen handelen.
5. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
6. De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor het toeslagjaar 2005 terecht heeft geweigerd. De herstelregelingen zijn niet bedoeld om eventuele fouten die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag mogelijk zijn gemaakt te herstellen. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen neerwaartse beschikkingen zijn afgegeven over het toeslagjaar 2005, waardoor geen sprake is van het niet ontvangen van kinderopvangtoeslag of van teruggevorderde kinderopvangtoeslag. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft betoogd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van vooringenomenheid in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten. Ook krijgt eiseres haar griffierecht niet terug.
8. Partijen zijn op de mogelijkheid gewezen om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.
Kamerstukken II, 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 72.