Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7028
2026-02-05
Strafrecht
10/294773-24, 10/256854-25 en 10/131491-25 en 10/170241-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor belediging en witwassen. Ontslag van alle rechtsvervolging voor poging zware mishandeling. Oplegging van een werkstraf.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.759 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10/294773-24, 10/256854-25 en 10/131491-25 (gevoegd ttz)
Parketnummer vordering TUL: 10/170241-23
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] [postcode] [plaatsnaam] ,
Raadsvrouw: mr. S. Fattah, waargenomen door mr. N. Abraymi, beiden advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2026.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. Op de terechtzitting is de tenlastelegging met parketnummer 10/256854-25 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging(en) is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. L. de Jong heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
toepassing van het jeugdstrafrecht;
veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 195 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 180 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voorgesteld;
met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering – parketnummer 10/131491-25
Het onder parketnummer 10/131491-25 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewijswaardering – parketnummer 10/294773-24
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder parketnummer 10/294773-24 ten laste gelegde poging doodslag, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit de aangifte, de camerabeelden, de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en de verklaringen van de getuigen blijkt dat het slachtoffer zich vervelend gedroeg, dat er vervolgens ruzie is ontstaan tussen de verdachte en het slachtoffer en dat het slachtoffer is gestoken. De getuigen hebben het steekincident niet gezien, maar verklaren wel dat de verdachte erbij is geweest. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat hij een mes bij zich had en dat hij het moment kan herinneren dat hij het mes heeft gepakt. Daaruit blijkt voldoende dat de verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Het slachtoffer is in zijn linker oksel gestoken, wat in de buurt is van het hart en andere vitale lichaamsdelen. Hierdoor heeft de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden op de koop toegenomen. Dat het slachtoffer als gevolg van de steek met een mes enkel een wond en een klaplong heeft opgelopen doet daar niet aan af. Uit het dossier blijkt tevens onvoldoende dat de verdachte uit zelfverdediging heeft gehandeld. Ingeval de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding, dan nog is het handelen van de verdachte niet proportioneel geweest.
4.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het impliciet primair en subsidiair ten laste gelegde. Vast staat dat de verdachte het slachtoffer letsel heeft toegebracht. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat het potentieel dodelijk letsel, dan wel zwaar lichamelijk letsel betreft. Het slachtoffer heeft als gevolg van het steekincident een oppervlakkige snee opgelopen. Het staat niet vast dat ook de klaplong een gevolg is van het steekincident. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op het letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte weet alleen dat hij een mesje bij zich had, maar niet wat hij daarmee heeft gedaan.
4.2.3.
Beoordeling
Op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting stelt de rechtbank vast dat op 13 september 2024 een ruzie is ontstaan tussen het slachtoffer en de verdachte. De verdachte heeft die dag een mes bij zich gehad, dat hij tijdens de ruzie heeft gepakt. Het slachtoffer had na de ruzie met de verdachte een steekwond onder zijn linker oksel. Alhoewel de verdachte niet precies weet wanneer hij heeft gestoken, wordt door de verdediging niet betwist dat de verdachte het slachtoffer op enig moment heeft gestoken. Dat staat dan ook vast.
Poging tot doodslag
De vraag die de rechtbank vervolgens dient de beantwoorden is of de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.
In het dossier bevindt zich geen medische informatie over het opgelopen letsel. Uit het proces-verbaal van de verbalisanten die als eersten bij het slachtoffer kwamen, blijkt dat er sprake was van een steekwond onder zijn linker oksel ter grootte van een duim. Uit een telefoongesprek tussen de politie en een verpleegster de volgende dag kwam naar voren dat het slachtoffer een klaplong had opgelopen, waarvoor een drain was geplaatst. De verdachte is na twee dagen in het ziekenhuis ontslagen. Over de wond staat verder geen informatie in het dossier. Ook is er weinig bekend over het mes waarmee is gestoken. Het mes is niet gevonden en de foto van een mes dat ter vergelijking aan de verdachte is getoond tijdens het verhoor bij de politie is niet toegevoegd aan het dossier. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat door het handelen van verdachte sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht daarom de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte hiervan vrij.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank acht wel bewezen dat sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling. Het steken in het bovenlichaam in het gebied rondom de linker oksel is immers naar de uiterlijke verschijningsvorm beschouwd een begin van uitvoering van het voornemen en van het misdrijf om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het impliciet subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.2.4.
Conclusie
De rechtbank acht het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten de poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewijswaardering – parketnummer 10/256854-25
4.3.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 10/256854-25 ten laste gelegde witwassen, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Allereerst is onduidelijk op welke dagen de verdachte gezien zou zijn bij de scooter. De verdachte is maar op één dag aangetroffen bij de scooter en hij heeft op die dag alleen geprobeerd om de anderen te helpen met het starten van de scooter. Het enkel starten van de scooter is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdachte heeft niet gesleuteld aan de scooter en de scooter ook niet weggenomen. Daar komt bij dat de verdachte niet wist of kon vermoeden dat de scooter gestolen was.
4.3.2.
Beoordeling
Op 25 augustus 2025 is een scooter (kenteken: [kenteken] ), toebehorende aan [naam 1] , weggenomen. Er is op 26 augustus 2025 aangifte gedaan van diefstal van de scooter.
Op 25 augustus 2025 is de verdachte door een buurtbewoner gezien en gefilmd bij de scooter. Op pagina 40 en 42 van de doorgenummerde bijlage van het zaaksdossier staan foto’s van deze video. Op de foto’s is te zien dat de verdachte op de scooter zit en de scooter probeert te starten. Dit heeft de verdachte ter zitting bevestigd. De verdachte is ook op 26 augustus 2026 bij de scooter gezien. Dat blijkt uit de verklaring van de [getuige], de foto’s die zij daarvan gemaakt heeft (pagina 18 en 19 van de doorgenummerde bijlage van het zaaksdossier) en het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], opgeschreven in het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1]. De [getuige] heeft verklaard dat zij op 26 augustus 2025 de jongen die op het muurtje zat, aan de scooter heeft zien sleutelen. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de jongen op het muurtje was. De verbalisanten geven daarnaast aan dat zij de verdachte op 26 augustus 2025, vlak voor zijn aanhouding, aan de buddyseat van de scooter hebben zien trekken. Gezien het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachte de scooter op zowel 25 augustus 2025 als op 26 augustus 2025 voorhanden heeft gehad.
Bij de beoordeling of de verdachte wist dat de scooter gestolen was, weegt de rechtbank mee dat duidelijk zichtbaar was en de verdachte ook heeft verklaard dit deels te hebben gezien dat er veel niet klopte aan de scooter. Zo was het kentekenbord dubbelgevouwen, waren de kappen aan de voorkant afgebroken en was de bekabeling van de scooter losgetrokken. Ter zitting heeft de verdachte daarnaast verklaard dat hij eigenlijk wel wist dat de scooter niet van de andere jongens was. Dit alles in samenhang bezien maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte wist dat de scooter afkomstig was uit enig misdrijf. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan het witwassen van deze scooter.
4.3.3.
Conclusie
Het onder parketnummer 10/256854-25 ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de parketnummers 10/294773-24 en 10/256854-25 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder Parketnummer 10/131491-25 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
Parketnummer 10/294773-24
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een mes in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 10/256854-25
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Spijkenisse,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(van) een scooter (met kenteken [kenteken]), althans een of meer voorwerpen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat voorwerp voorhanden had(den),
- heeft verworven,voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
Parketnummer 10/131491-25
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
opzettelijk
een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] BOA domein 1 openbare ruimte Gemeente Nissewaard, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,
in zijn/haar tegenwoordigheid,
mondeling
heeft beledigd,
door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankermongooltjes", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid
De bewezen feiten leveren op:
Parketnummer 10/256854-25
medeplegen van witwassen.
Parketnummer 10/131491-25
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Parketnummer 10/294773-24
impliciet subsidiair: poging tot zware mishandeling.
5.1.
Strafbaarheid
5.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 10/294773-24 ten laste gelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Hiertoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, omdat de verdachte werd belaagd door het slachtoffer. De verdachte heeft geprobeerd de aanranding af te wenden door weg te lopen van het slachtoffer, maar het slachtoffer bleef dreigend op hem af lopen. Het slachtoffer was onder invloed van verdovende middelen en dusdanig agressief dat er schuim uit zijn mond kwam, zo heeft de politie later waargenomen. De verdachte voelde zich zo bedreigd dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat het steken de proportioneel en subsidiair was. De verdachte kon op dat moment geen minder ingrijpend middel kon inzetten om de aanranding af te wenden.
5.1.2.
Beoordeling
Op grond van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is voor een geslaagd beroep op noodweer vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’ van eigen lijf, eerbaarheid of goed, of dat van een ander. Ook moet zijn voldaan aan de eisen van subsidiariteit (de verdediging moet geboden zijn) en proportionaliteit (de verdediging moet in verhouding staan tot de aanval). Indien de grenzen van de propotionaliteit en subsidiariteit worden overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de aanranding is sprake van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.
De verdachte heeft op de terechtzitting meermalen gezegd dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. De verdachte heeft verklaard dat de aangever buiten zinnen was en als hij geen mes bij zich had gehad, hijzelf met bloed op de grond had gelegen en hij niet had geweten hoe hij zichzelf anders had moeten beschermen tegen de aanval. De verdachte heeft bij de politie verder verklaard dat de aangever hem meer keren klappen met een platte hand en later met zijn vuist in zijn gezicht gaf. Ik werd heel erg boos en emotioneel, aldus de verdachte in zijn verklaring bij de politie op 14 september 2024. Ter zitting heeft de verdachte verder verklaard dat hij zich heeft geprobeerd aan de aanval van de aangever te onttrekken, dat hij de aangever, die hem probeerde te slaan, van zich af heeft geduwd, is weggelopen en dat de aangever achter hem aan is gelopen. Verderop bij een tunneltje werd hij achterhaald door de aangever en opnieuw aangevallen. Voor zover hij zich kan herinneren heeft hij dáár gestoken.
De rechtbank acht op basis van het onderzoek op de zitting aannemelijk dat het is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard. Dat de aangever door het dolle heen was, wordt ook bevestigd door de verklaring van de verbalisanten opgeschreven in het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2]. De verbalisanten zagen dat het slachtoffer na het incident zeer agressief dreigementen aan het adres van de verdachte bleef schreeuwen, dat hij met zijn vuisten op een bank begon in te slaan en het schuim op zijn mond stond. Ook de aangever zelf heeft bevestigd dat hij onder invloed van alcohol was en irritant deed. Dat alles betekent echter niet dat het beroep op noodweer slaagt. Het slachtoffer heeft de verdachte met blote handen geslagen. Daarmee overstijgt het steken door de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging. Maar de rechtbank oordeelt wel dat de verdachte zich kan beroepen op noodweerexces. De verdachte heeft zich meermalen tevergeefs aan de aanranding van de aangever proberen te onttrekken; de aangever was kennelijk buiten zinnen; de aangever heeft de verdachte meermalen met een vlakke hand en een vuist in het gezicht geslagen; de verdachte is door dat alles boos en emotioneel geworden. Dat laatste is een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding van de aangever, die er op zijn beurt weer toe heeft geleid dat de verdachte heeft gestoken.
5.2.
Conclusie
Er is ten aanzien van de onder parketnummer 10/294773-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling een omstandigheid, te weten noodweerexces, aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is voor dit feit niet strafbaar.
Voor de overige bewezenverklaarde feiten zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is voor die feiten wel strafbaar.
6Motivering straf
6.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
6.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op achttienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het beledigen van een ambtenaar in functie. Tijdens een discussie met de ambtenaar heeft de verdachte ‘kankermongooltjes’ geroepen. Door het publiekelijk beledigen van de ambtenaar in functie heeft hij hem aangetast in zijn eer en goede naam. Personen met een publieke taak moeten in het belang van de openbare orde en veiligheid kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijke beledigingen. Daarnaast getuigt het handelen van de verdachte van gebrek aan respect voor het door de ambtenaar vertegenwoordigde gezag. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Vervolgens heeft de verdachte zich op negentienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan eenvoudig witwassen door een scooter voorhanden te hebben waarvan hij wist dat deze uit enig misdrijf afkomstig is.
6.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
6.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
6.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hier: de jeugdreclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 januari 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
De verdachte is op 12 december 2025 met voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Hij houdt zich aan de voorwaarden en staat in goed contact met de jeugdreclasseerder. De verdachte heeft na het behalen van zijn mbo 2-diploma besloten dat hij wil gaan werken. De inschatting is dat een werkplek een goede invloed zal hebben op de verdachte als hij goed wordt gecoacht. De verdachte heeft gedurende de begeleiding twee behandeltrajecten positief afgerond. In 2024 MST PSB van de Viersprong en eind oktober 2025 een ART behandeling bij De Waag. Tijdens deze laatste behandeling is er naast het leren herkennen van emoties, het versterken van impulscontrole en het vinden van manieren om met stress om te gaan ook aandacht geweest voor het herkennen en vermijden van risicovolle situaties en voor zijn sociale contacten. De verdachte heeft in theorie geleerd hoe te handelen, maar de toepassing in de praktijk lijkt op sommige momenten lastig. Hij heeft nog veel sturing en begeleiding nodig en lijkt sociaal-emotioneel jonger te functioneren. Hierin is wel groei te zien, doordat hij meer verantwoordelijkheid lijkt te nemen. Met de behandelaar van De Waag is het recidiverisico besproken. Zij ziet op dit moment geen meerwaarde in een vervolgtraject of een andere vorm van behandeling. Haar advies is om binnen de begeleidingsgesprekken met de jeugdreclasseerder de geleerde vaardigheden blijvend aandacht te geven evenals de omgang met zijn sociale contacten buiten. De jeugdreclassering adviseert daarom dat, ingeval de verdachte schuldig wordt bevonden, om een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen en een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich inzet voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding.
Deskundige [naam 2], werkzaam bij de jeugdreclassering, heeft op de zitting naar voren gebracht dat de samenwerking met de verdachte goed verloopt. Hij staat goed in contact en is gemotiveerd. De verdachte heeft inmiddels werk gevonden waar hij zich goed voor inzet. Dat is positief en houdt hem van de straat. In oktober 2025 heeft de verdachte de behandeling bij De Waag afgerond. De behandelaar heeft aangegeven dat de verdachte de theorie heeft afgerond en dat hij het in de praktijk moet leren toepassen. Zo is de verdachte geneigd om snel de discussie aan te gaan, waar hij dat soms beter niet kan doen. Dat zijn onderwerpen waar het regelmatig over gaat. De komende tijd is het van belang dat de verdachte zich focust op werken en sporten. De verdachte ontvangt daarbij veel steun van zijn ouders, wat hij ook nodig heeft.
6.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt – recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.
Straf
Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen. Bij de bepaling van de duur van taakstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank houdt er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt en dat hij zich goed houdt aan zijn schorsingsvoorwaarden en de samenwerking met de jeugdreclassering positief verloopt. De verdachte stelt zich begeleidbaar op en heeft de noodzakelijk geachte behandelingen positief afgerond.
Gelet op het advies van de jeugdreclassering acht de rechtbank het passend om een onvoorwaardelijke werkstraf op te legen voor de hierna te noemen duur, zodat de verdachte de consequentie ervaart van zijn handelen. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, de verdachte ontslaat van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder parketnummer 10/294773-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit. Anders dan de jeugdreclassering adviseert acht de rechtbank het niet passend om een deel van de werkstraf voorwaardelijk op te leggen, omdat de verdachte nog in een schorsing met voorwaarden loopt van een ander feit waarvan hij wordt verdacht.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
7Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij], ter zake van het onder parketnummer 10/294773-24 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 190,18 aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte op grond van artikel 41, tweede lid, Sr deels wordt vrijgesproken en deels wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder parketnummer 10/294773-24 ten laste gelegde feit. De vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Daarnaast zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8Vordering tenuitvoerlegging
8.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 29 november 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van (poging tot) feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling veroordeeld – voor zover van belang – tot een jeugddetentie van 21 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 14 december 2023.
8.2.
Beoordeling
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat de verdachte deels wordt vrijgesproken en deels wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder parketnummer 10/294773-24 ten laste gelegde feit.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg, 266, 267, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/294773-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit en de onder parketnummers 10/256854-25 en 10/131491-25 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte voor het onder parketnummer 10/294773-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;
verklaart de verdachte voor het overig bewezen verklaarde strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 20 (twintig) uren te verrichten werkstraf resteren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
wijst af de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/170241-23.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. S. Riege en M.J.C. Spoormaker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst (gewijzigde) tenlastelegging(en)
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10/294773-24
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een mes in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 10/256854-25
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Spijkenisse,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(van) een scooter (met kenteken [kenteken]), althans een of meer voorwerpen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat voorwerp voorhanden had(den),
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
Parketnummer 10/131491-25
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
opzettelijk
een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] BOA domein 1 openbare ruimte Gemeente Nissewaard, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,
in zijn/haar tegenwoordigheid,
mondeling
heeft beledigd,
door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankermongooltjes", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
Team jeugd
Parketnummers: 10/294773-24, 10/256854-25 en 10/131491-25 (gevoegd ttz)
Parketnummer vordering TUL: 10/170241-23
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] [postcode] [plaatsnaam] ,
Raadsvrouw: mr. S. Fattah, waargenomen door mr. N. Abraymi, beiden advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2026.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. Op de terechtzitting is de tenlastelegging met parketnummer 10/256854-25 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging(en) is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. L. de Jong heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
toepassing van het jeugdstrafrecht;
veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 195 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 180 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voorgesteld;
met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering – parketnummer 10/131491-25
Het onder parketnummer 10/131491-25 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewijswaardering – parketnummer 10/294773-24
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder parketnummer 10/294773-24 ten laste gelegde poging doodslag, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit de aangifte, de camerabeelden, de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en de verklaringen van de getuigen blijkt dat het slachtoffer zich vervelend gedroeg, dat er vervolgens ruzie is ontstaan tussen de verdachte en het slachtoffer en dat het slachtoffer is gestoken. De getuigen hebben het steekincident niet gezien, maar verklaren wel dat de verdachte erbij is geweest. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat hij een mes bij zich had en dat hij het moment kan herinneren dat hij het mes heeft gepakt. Daaruit blijkt voldoende dat de verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Het slachtoffer is in zijn linker oksel gestoken, wat in de buurt is van het hart en andere vitale lichaamsdelen. Hierdoor heeft de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden op de koop toegenomen. Dat het slachtoffer als gevolg van de steek met een mes enkel een wond en een klaplong heeft opgelopen doet daar niet aan af. Uit het dossier blijkt tevens onvoldoende dat de verdachte uit zelfverdediging heeft gehandeld. Ingeval de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding, dan nog is het handelen van de verdachte niet proportioneel geweest.
4.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het impliciet primair en subsidiair ten laste gelegde. Vast staat dat de verdachte het slachtoffer letsel heeft toegebracht. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat het potentieel dodelijk letsel, dan wel zwaar lichamelijk letsel betreft. Het slachtoffer heeft als gevolg van het steekincident een oppervlakkige snee opgelopen. Het staat niet vast dat ook de klaplong een gevolg is van het steekincident. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op het letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte weet alleen dat hij een mesje bij zich had, maar niet wat hij daarmee heeft gedaan.
4.2.3.
Beoordeling
Op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting stelt de rechtbank vast dat op 13 september 2024 een ruzie is ontstaan tussen het slachtoffer en de verdachte. De verdachte heeft die dag een mes bij zich gehad, dat hij tijdens de ruzie heeft gepakt. Het slachtoffer had na de ruzie met de verdachte een steekwond onder zijn linker oksel. Alhoewel de verdachte niet precies weet wanneer hij heeft gestoken, wordt door de verdediging niet betwist dat de verdachte het slachtoffer op enig moment heeft gestoken. Dat staat dan ook vast.
Poging tot doodslag
De vraag die de rechtbank vervolgens dient de beantwoorden is of de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.
In het dossier bevindt zich geen medische informatie over het opgelopen letsel. Uit het proces-verbaal van de verbalisanten die als eersten bij het slachtoffer kwamen, blijkt dat er sprake was van een steekwond onder zijn linker oksel ter grootte van een duim. Uit een telefoongesprek tussen de politie en een verpleegster de volgende dag kwam naar voren dat het slachtoffer een klaplong had opgelopen, waarvoor een drain was geplaatst. De verdachte is na twee dagen in het ziekenhuis ontslagen. Over de wond staat verder geen informatie in het dossier. Ook is er weinig bekend over het mes waarmee is gestoken. Het mes is niet gevonden en de foto van een mes dat ter vergelijking aan de verdachte is getoond tijdens het verhoor bij de politie is niet toegevoegd aan het dossier. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat door het handelen van verdachte sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht daarom de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte hiervan vrij.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank acht wel bewezen dat sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling. Het steken in het bovenlichaam in het gebied rondom de linker oksel is immers naar de uiterlijke verschijningsvorm beschouwd een begin van uitvoering van het voornemen en van het misdrijf om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het impliciet subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.2.4.
Conclusie
De rechtbank acht het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten de poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewijswaardering – parketnummer 10/256854-25
4.3.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 10/256854-25 ten laste gelegde witwassen, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Allereerst is onduidelijk op welke dagen de verdachte gezien zou zijn bij de scooter. De verdachte is maar op één dag aangetroffen bij de scooter en hij heeft op die dag alleen geprobeerd om de anderen te helpen met het starten van de scooter. Het enkel starten van de scooter is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdachte heeft niet gesleuteld aan de scooter en de scooter ook niet weggenomen. Daar komt bij dat de verdachte niet wist of kon vermoeden dat de scooter gestolen was.
4.3.2.
Beoordeling
Op 25 augustus 2025 is een scooter (kenteken: [kenteken] ), toebehorende aan [naam 1] , weggenomen. Er is op 26 augustus 2025 aangifte gedaan van diefstal van de scooter.
Op 25 augustus 2025 is de verdachte door een buurtbewoner gezien en gefilmd bij de scooter. Op pagina 40 en 42 van de doorgenummerde bijlage van het zaaksdossier staan foto’s van deze video. Op de foto’s is te zien dat de verdachte op de scooter zit en de scooter probeert te starten. Dit heeft de verdachte ter zitting bevestigd. De verdachte is ook op 26 augustus 2026 bij de scooter gezien. Dat blijkt uit de verklaring van de [getuige], de foto’s die zij daarvan gemaakt heeft (pagina 18 en 19 van de doorgenummerde bijlage van het zaaksdossier) en het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], opgeschreven in het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1]. De [getuige] heeft verklaard dat zij op 26 augustus 2025 de jongen die op het muurtje zat, aan de scooter heeft zien sleutelen. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de jongen op het muurtje was. De verbalisanten geven daarnaast aan dat zij de verdachte op 26 augustus 2025, vlak voor zijn aanhouding, aan de buddyseat van de scooter hebben zien trekken. Gezien het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachte de scooter op zowel 25 augustus 2025 als op 26 augustus 2025 voorhanden heeft gehad.
Bij de beoordeling of de verdachte wist dat de scooter gestolen was, weegt de rechtbank mee dat duidelijk zichtbaar was en de verdachte ook heeft verklaard dit deels te hebben gezien dat er veel niet klopte aan de scooter. Zo was het kentekenbord dubbelgevouwen, waren de kappen aan de voorkant afgebroken en was de bekabeling van de scooter losgetrokken. Ter zitting heeft de verdachte daarnaast verklaard dat hij eigenlijk wel wist dat de scooter niet van de andere jongens was. Dit alles in samenhang bezien maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte wist dat de scooter afkomstig was uit enig misdrijf. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan het witwassen van deze scooter.
4.3.3.
Conclusie
Het onder parketnummer 10/256854-25 ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de parketnummers 10/294773-24 en 10/256854-25 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder Parketnummer 10/131491-25 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
Parketnummer 10/294773-24
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een mes in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 10/256854-25
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Spijkenisse,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(van) een scooter (met kenteken [kenteken]), althans een of meer voorwerpen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat voorwerp voorhanden had(den),
- heeft verworven,voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
Parketnummer 10/131491-25
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
opzettelijk
een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] BOA domein 1 openbare ruimte Gemeente Nissewaard, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,
in zijn/haar tegenwoordigheid,
mondeling
heeft beledigd,
door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankermongooltjes", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid
De bewezen feiten leveren op:
Parketnummer 10/256854-25
medeplegen van witwassen.
Parketnummer 10/131491-25
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Parketnummer 10/294773-24
impliciet subsidiair: poging tot zware mishandeling.
5.1.
Strafbaarheid
5.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 10/294773-24 ten laste gelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Hiertoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, omdat de verdachte werd belaagd door het slachtoffer. De verdachte heeft geprobeerd de aanranding af te wenden door weg te lopen van het slachtoffer, maar het slachtoffer bleef dreigend op hem af lopen. Het slachtoffer was onder invloed van verdovende middelen en dusdanig agressief dat er schuim uit zijn mond kwam, zo heeft de politie later waargenomen. De verdachte voelde zich zo bedreigd dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat het steken de proportioneel en subsidiair was. De verdachte kon op dat moment geen minder ingrijpend middel kon inzetten om de aanranding af te wenden.
5.1.2.
Beoordeling
Op grond van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is voor een geslaagd beroep op noodweer vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’ van eigen lijf, eerbaarheid of goed, of dat van een ander. Ook moet zijn voldaan aan de eisen van subsidiariteit (de verdediging moet geboden zijn) en proportionaliteit (de verdediging moet in verhouding staan tot de aanval). Indien de grenzen van de propotionaliteit en subsidiariteit worden overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de aanranding is sprake van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.
De verdachte heeft op de terechtzitting meermalen gezegd dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. De verdachte heeft verklaard dat de aangever buiten zinnen was en als hij geen mes bij zich had gehad, hijzelf met bloed op de grond had gelegen en hij niet had geweten hoe hij zichzelf anders had moeten beschermen tegen de aanval. De verdachte heeft bij de politie verder verklaard dat de aangever hem meer keren klappen met een platte hand en later met zijn vuist in zijn gezicht gaf. Ik werd heel erg boos en emotioneel, aldus de verdachte in zijn verklaring bij de politie op 14 september 2024. Ter zitting heeft de verdachte verder verklaard dat hij zich heeft geprobeerd aan de aanval van de aangever te onttrekken, dat hij de aangever, die hem probeerde te slaan, van zich af heeft geduwd, is weggelopen en dat de aangever achter hem aan is gelopen. Verderop bij een tunneltje werd hij achterhaald door de aangever en opnieuw aangevallen. Voor zover hij zich kan herinneren heeft hij dáár gestoken.
De rechtbank acht op basis van het onderzoek op de zitting aannemelijk dat het is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard. Dat de aangever door het dolle heen was, wordt ook bevestigd door de verklaring van de verbalisanten opgeschreven in het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2]. De verbalisanten zagen dat het slachtoffer na het incident zeer agressief dreigementen aan het adres van de verdachte bleef schreeuwen, dat hij met zijn vuisten op een bank begon in te slaan en het schuim op zijn mond stond. Ook de aangever zelf heeft bevestigd dat hij onder invloed van alcohol was en irritant deed. Dat alles betekent echter niet dat het beroep op noodweer slaagt. Het slachtoffer heeft de verdachte met blote handen geslagen. Daarmee overstijgt het steken door de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging. Maar de rechtbank oordeelt wel dat de verdachte zich kan beroepen op noodweerexces. De verdachte heeft zich meermalen tevergeefs aan de aanranding van de aangever proberen te onttrekken; de aangever was kennelijk buiten zinnen; de aangever heeft de verdachte meermalen met een vlakke hand en een vuist in het gezicht geslagen; de verdachte is door dat alles boos en emotioneel geworden. Dat laatste is een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding van de aangever, die er op zijn beurt weer toe heeft geleid dat de verdachte heeft gestoken.
5.2.
Conclusie
Er is ten aanzien van de onder parketnummer 10/294773-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling een omstandigheid, te weten noodweerexces, aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is voor dit feit niet strafbaar.
Voor de overige bewezenverklaarde feiten zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is voor die feiten wel strafbaar.
6Motivering straf
6.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
6.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op achttienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het beledigen van een ambtenaar in functie. Tijdens een discussie met de ambtenaar heeft de verdachte ‘kankermongooltjes’ geroepen. Door het publiekelijk beledigen van de ambtenaar in functie heeft hij hem aangetast in zijn eer en goede naam. Personen met een publieke taak moeten in het belang van de openbare orde en veiligheid kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijke beledigingen. Daarnaast getuigt het handelen van de verdachte van gebrek aan respect voor het door de ambtenaar vertegenwoordigde gezag. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Vervolgens heeft de verdachte zich op negentienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan eenvoudig witwassen door een scooter voorhanden te hebben waarvan hij wist dat deze uit enig misdrijf afkomstig is.
6.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
6.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
6.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hier: de jeugdreclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 januari 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
De verdachte is op 12 december 2025 met voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Hij houdt zich aan de voorwaarden en staat in goed contact met de jeugdreclasseerder. De verdachte heeft na het behalen van zijn mbo 2-diploma besloten dat hij wil gaan werken. De inschatting is dat een werkplek een goede invloed zal hebben op de verdachte als hij goed wordt gecoacht. De verdachte heeft gedurende de begeleiding twee behandeltrajecten positief afgerond. In 2024 MST PSB van de Viersprong en eind oktober 2025 een ART behandeling bij De Waag. Tijdens deze laatste behandeling is er naast het leren herkennen van emoties, het versterken van impulscontrole en het vinden van manieren om met stress om te gaan ook aandacht geweest voor het herkennen en vermijden van risicovolle situaties en voor zijn sociale contacten. De verdachte heeft in theorie geleerd hoe te handelen, maar de toepassing in de praktijk lijkt op sommige momenten lastig. Hij heeft nog veel sturing en begeleiding nodig en lijkt sociaal-emotioneel jonger te functioneren. Hierin is wel groei te zien, doordat hij meer verantwoordelijkheid lijkt te nemen. Met de behandelaar van De Waag is het recidiverisico besproken. Zij ziet op dit moment geen meerwaarde in een vervolgtraject of een andere vorm van behandeling. Haar advies is om binnen de begeleidingsgesprekken met de jeugdreclasseerder de geleerde vaardigheden blijvend aandacht te geven evenals de omgang met zijn sociale contacten buiten. De jeugdreclassering adviseert daarom dat, ingeval de verdachte schuldig wordt bevonden, om een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen en een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich inzet voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding.
Deskundige [naam 2], werkzaam bij de jeugdreclassering, heeft op de zitting naar voren gebracht dat de samenwerking met de verdachte goed verloopt. Hij staat goed in contact en is gemotiveerd. De verdachte heeft inmiddels werk gevonden waar hij zich goed voor inzet. Dat is positief en houdt hem van de straat. In oktober 2025 heeft de verdachte de behandeling bij De Waag afgerond. De behandelaar heeft aangegeven dat de verdachte de theorie heeft afgerond en dat hij het in de praktijk moet leren toepassen. Zo is de verdachte geneigd om snel de discussie aan te gaan, waar hij dat soms beter niet kan doen. Dat zijn onderwerpen waar het regelmatig over gaat. De komende tijd is het van belang dat de verdachte zich focust op werken en sporten. De verdachte ontvangt daarbij veel steun van zijn ouders, wat hij ook nodig heeft.
6.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt – recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.
Straf
Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen. Bij de bepaling van de duur van taakstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank houdt er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt en dat hij zich goed houdt aan zijn schorsingsvoorwaarden en de samenwerking met de jeugdreclassering positief verloopt. De verdachte stelt zich begeleidbaar op en heeft de noodzakelijk geachte behandelingen positief afgerond.
Gelet op het advies van de jeugdreclassering acht de rechtbank het passend om een onvoorwaardelijke werkstraf op te legen voor de hierna te noemen duur, zodat de verdachte de consequentie ervaart van zijn handelen. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, de verdachte ontslaat van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder parketnummer 10/294773-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit. Anders dan de jeugdreclassering adviseert acht de rechtbank het niet passend om een deel van de werkstraf voorwaardelijk op te leggen, omdat de verdachte nog in een schorsing met voorwaarden loopt van een ander feit waarvan hij wordt verdacht.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
7Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij], ter zake van het onder parketnummer 10/294773-24 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 190,18 aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte op grond van artikel 41, tweede lid, Sr deels wordt vrijgesproken en deels wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder parketnummer 10/294773-24 ten laste gelegde feit. De vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Daarnaast zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8Vordering tenuitvoerlegging
8.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 29 november 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van (poging tot) feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling veroordeeld – voor zover van belang – tot een jeugddetentie van 21 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 14 december 2023.
8.2.
Beoordeling
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat de verdachte deels wordt vrijgesproken en deels wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder parketnummer 10/294773-24 ten laste gelegde feit.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg, 266, 267, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/294773-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit en de onder parketnummers 10/256854-25 en 10/131491-25 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte voor het onder parketnummer 10/294773-24 impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;
verklaart de verdachte voor het overig bewezen verklaarde strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 20 (twintig) uren te verrichten werkstraf resteren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
wijst af de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/170241-23.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. S. Riege en M.J.C. Spoormaker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst (gewijzigde) tenlastelegging(en)
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10/294773-24
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met een mes in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 10/256854-25
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Spijkenisse,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(van) een scooter (met kenteken [kenteken]), althans een of meer voorwerpen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat voorwerp voorhanden had(den),
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
Parketnummer 10/131491-25
hij op of omstreeks 29 april 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
opzettelijk
een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] BOA domein 1 openbare ruimte Gemeente Nissewaard, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,
in zijn/haar tegenwoordigheid,
mondeling
heeft beledigd,
door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankermongooltjes", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;