Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:6455
2026-06-02
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/10/718623 / KG ZA 26-392
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
KG. Partijen zijn gescheiden en de man heeft het aandeel van de vrouw in de voormalig echtelijke woning overgenomen. De man vordert dat de vrouw de woning verlaat op straffe van een dwangsom. De gevorderde ontruiming wordt afgewezen, omdat de man daarvoor al een titel heeft. De gevorderde dwangsom wordt wel toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.492 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718623 / KG ZA 26-392
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
[de man]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S.A.E. van Poppel te Rotterdam,
tegen
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Verweel-Nauman te Oostvoorne.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 mei 2026;
- de 9 producties van de man;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;
- de 14 producties van de vrouw;- de mondelinge behandeling op 19 mei 2026.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn op 11 december 2000 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
2.2.
Partijen waren, ieder voor de helft, eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).
2.3.
Op 19 december 2024 heeft de man de woning verlaten. Sindsdien woont de vrouw alleen in de woning.
2.4.
Bij beschikking van 27 mei 2025 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap bepaald. Ten aanzien van de woning staat, voor zover relevant, in de beschikking:
“De rechtbank:
(…)
3.2.
gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt:
aan de man wordt toegedeeld:
- de echtelijke woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] , onder de verplichting om de hypothecaire geldleningen volledig voor rekening te nemen en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid alsmede de vrouw uit te kopen;
(…)
3.4.
bepaalt, voor het geval dat de vrouw niet binnen twee weken, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking, zal meewerken aan de taxatie en vervolgens niet binnen één maand na voornoemde taxatie zal meewerken aan toedeling van de woning aan de man, in de breedste zin van het woord, dat deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door de vrouw van de door de notaris op te stellen akte van verdeling;
3.5.
bepaalt dat de vrouw uiterlijk één dag voor de leveringsdatum van de woning aan de man de woning dient te verlaten, waarbij zij de woning zal ontruimen met al haar spullen en met afgifte van de sleutels aan de man en indien de vrouw de woning niet uiterlijk één dag voor de leveringsdatum heeft verlaten, de ontruiming te doen bewerkstelligen met behulp van politie en justitie;
3.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
(…)”
2.5.
De echtscheidingsbeschikking is op 20 oktober 2025 ingeschreven in de openbare registers van de burgerlijke stand.
2.6.
Bij notariële akte van 9 december 2025 is het aandeel van de vrouw in de woning geleverd aan de man. Daarbij is het bedrag van overbedeling vastgesteld op € 36.305,44 en is de vrouw ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
2.7.
De man heeft de vrouw verzocht de woning te verlaten. De vrouw heeft meegedeeld de woning te zullen verlaten zodra zij andere woonruimte heeft gevonden.
3Het geschil
in conventie
3.1.
De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, te oordelen of te gelasten dat de vrouw met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] in [woonplaats] dient te verlaten, met medeneming van al haar spullen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft.
3.2.
De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vordering of tot afwijzing van deze vordering.
in reconventie
3.3.
De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man de woning mag blijven bewonen totdat zij elders een woning krijgt aangeboden of via de maatschappelijke opvang terecht kan.
3.4.
De man concludeert tot afwijzing van de vordering van de vrouw.
4De beoordeling
in conventie
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Voldoende gebleken is dat de man er een spoedeisend belang bij heeft dat de vrouw de woning verlaat. De woning is met ingang van 9 december 2025 volledig in eigendom van de man. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat de man de vrouw een termijn tot 1 april 2026 heeft gegeven om alternatieve woonruimte te vinden. Ook na die datum is de vrouw echter in de woning gebleven en weigert zij die te verlaten, ook al is gelet op de echtscheidingsbeschikking inmiddels sinds een jaar duidelijk dat zij degene is die de woning zal moeten verlaten. Nu de toestemming van de man daartoe ontbreekt, verblijft de vrouw zonder recht of titel in de woning. Daar komt bij dat de vaste lasten door de man worden gedragen.
4.3.
De gevorderde ontruiming wordt echter afgewezen, omdat de man al beschikt over een titel om het vertrek van de vrouw uit de woning te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter wijst op overweging 3.5 van de beschikking van 27 mei 2025 (weergegeven in 2.4 hierboven). De rechtbank heeft daarin kort gezegd bepaald dat de vrouw, uiterlijk één dag voor de leveringsdatum van de woning aan de man, de woning moet verlaten. Die levering heeft inmiddels plaatsgevonden, zodat deze beschikking een executoriale titel geeft aan de man om te bewerkstelligen dat de vrouw de woning verlaat, indien nodig met behulp van politie en justitie. Dit onderdeel van de echtscheidingsbeschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat de man heeft gewacht met de executie van de beschikking en de vrouw eerst meer tijd heeft gegeven om andere woonruimte te vinden, maakt niet dat die titel is vervallen. Dat betekent dat de man geen belang heeft bij toewijzing van de vordering om de vrouw te gelasten de woning te verlaten.
4.4.
Wel is voldoende aannemelijk dat de man nog steeds belang heeft bij toewijzing van de gevorderde dwangsom. Ook al kan de man voor de uitvoering van de beschikking de deurwaarder inschakelen, de ervaring leert dat er enige tijd overheen gaat voordat een gedwongen ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt. Gelet op de weigerachtige houding van de vrouw acht de voorzieningenrechter in de onderhavige situatie en na een belangenafweging zinvol om een dwangsom op te leggen aan de vrouw als extra prikkel om tot tijdige ontruiming over te gaan. Daartoe is het volgende redengevend.
4.5.
De vrouw heeft weliswaar aangevoerd dat zij met de hulp van stichting Pameijer er alles aan doet om andere woonruimte te vinden, maar zij kon geen concrete termijn geven waarop zij de woning gaat verlaten. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor de vrouw lastig is om iets anders te vinden, maar die omstandigheid ligt in de risicosfeer van de vrouw. Van de man, die al anderhalf jaar in een kamer bij zijn ouders verblijft terwijl hij wel de vaste lasten van de woning betaalt, kan niet worden verlangd dat hij de vrouw nog langer in de woning laat verblijven zonder concreet uitzicht op het vertrek van de vrouw. Daar komt bij dat de vrouw, als dat nodig is, financieel in staat is om een woning in de vrije sector te huren, desnoods buiten Goeree-Overflakkee, nu de vrouw niet heeft gesteld dat zij aan die gemeente is gebonden. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om desnoods langs die weg aan vervangende woonruimte te komen. Na de echtscheidingsbeschikking hebben partijen overleg gevoerd over partneralimentatie, de woning en andere vermogensbestanddelen. De voorzieningenrechter begrijpt dat partijen tot op heden geen alomvattende regeling hebben getroffen, maar dat zij wel zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie betaalt van € 2.110,- bruto per maand. Daarnaast heeft de vrouw uit de verkoop van haar aandeel in de woning een bedrag van € 36.305,44 ontvangen. Het belang van de vrouw om langer in de woning te verblijven, weegt onder deze omstandigheden niet op tegen het belang van de man om op korte termijn te beschikken over de woning.
4.6.
De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt als zij de woning niet binnen vier weken na de betekening van dit vonnis verlaat. De dwangsom wordt vastgesteld op € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw na die termijn de woning niet heeft verlaten, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt. Dit doet er niet aan af dat de man bevoegd is de echtscheidingsbeschikking eerder te executeren, maar de voorzieningenrechter zou zich kunnen voorstellen dat de man de vrouw deze termijn van vier weken nog gunt.
4.7.
Nu zonder tijdsverlies een grosse wordt afgegeven en de man bovendien al over een executoriale titel tot ontruiming beschikt, bestaat geen aanleiding om het vonnis uitvoerbaar op de minuut te verklaren.
4.8.
Gelet op de relatie die partijen met elkaar hebben gehad worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
4.9.
De overwegingen in conventie leiden ertoe dat de vordering in reconventie wordt afgewezen.
4.10.
Ook in reconventie worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om, indien en voor zover zij binnen vier weken na de betekening van dit vonnis de woning niet heeft verlaten, aan de man een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na die termijn de woning niet verlaat, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.5.
wijst de vordering van de vrouw af;
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
2091/3194
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718623 / KG ZA 26-392
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
[de man]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S.A.E. van Poppel te Rotterdam,
tegen
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Verweel-Nauman te Oostvoorne.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 mei 2026;
- de 9 producties van de man;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;
- de 14 producties van de vrouw;- de mondelinge behandeling op 19 mei 2026.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn op 11 december 2000 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
2.2.
Partijen waren, ieder voor de helft, eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).
2.3.
Op 19 december 2024 heeft de man de woning verlaten. Sindsdien woont de vrouw alleen in de woning.
2.4.
Bij beschikking van 27 mei 2025 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap bepaald. Ten aanzien van de woning staat, voor zover relevant, in de beschikking:
“De rechtbank:
(…)
3.2.
gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt:
aan de man wordt toegedeeld:
- de echtelijke woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] , onder de verplichting om de hypothecaire geldleningen volledig voor rekening te nemen en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid alsmede de vrouw uit te kopen;
(…)
3.4.
bepaalt, voor het geval dat de vrouw niet binnen twee weken, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking, zal meewerken aan de taxatie en vervolgens niet binnen één maand na voornoemde taxatie zal meewerken aan toedeling van de woning aan de man, in de breedste zin van het woord, dat deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door de vrouw van de door de notaris op te stellen akte van verdeling;
3.5.
bepaalt dat de vrouw uiterlijk één dag voor de leveringsdatum van de woning aan de man de woning dient te verlaten, waarbij zij de woning zal ontruimen met al haar spullen en met afgifte van de sleutels aan de man en indien de vrouw de woning niet uiterlijk één dag voor de leveringsdatum heeft verlaten, de ontruiming te doen bewerkstelligen met behulp van politie en justitie;
3.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
(…)”
2.5.
De echtscheidingsbeschikking is op 20 oktober 2025 ingeschreven in de openbare registers van de burgerlijke stand.
2.6.
Bij notariële akte van 9 december 2025 is het aandeel van de vrouw in de woning geleverd aan de man. Daarbij is het bedrag van overbedeling vastgesteld op € 36.305,44 en is de vrouw ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
2.7.
De man heeft de vrouw verzocht de woning te verlaten. De vrouw heeft meegedeeld de woning te zullen verlaten zodra zij andere woonruimte heeft gevonden.
3Het geschil
in conventie
3.1.
De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, te oordelen of te gelasten dat de vrouw met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] in [woonplaats] dient te verlaten, met medeneming van al haar spullen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft.
3.2.
De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vordering of tot afwijzing van deze vordering.
in reconventie
3.3.
De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man de woning mag blijven bewonen totdat zij elders een woning krijgt aangeboden of via de maatschappelijke opvang terecht kan.
3.4.
De man concludeert tot afwijzing van de vordering van de vrouw.
4De beoordeling
in conventie
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Voldoende gebleken is dat de man er een spoedeisend belang bij heeft dat de vrouw de woning verlaat. De woning is met ingang van 9 december 2025 volledig in eigendom van de man. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat de man de vrouw een termijn tot 1 april 2026 heeft gegeven om alternatieve woonruimte te vinden. Ook na die datum is de vrouw echter in de woning gebleven en weigert zij die te verlaten, ook al is gelet op de echtscheidingsbeschikking inmiddels sinds een jaar duidelijk dat zij degene is die de woning zal moeten verlaten. Nu de toestemming van de man daartoe ontbreekt, verblijft de vrouw zonder recht of titel in de woning. Daar komt bij dat de vaste lasten door de man worden gedragen.
4.3.
De gevorderde ontruiming wordt echter afgewezen, omdat de man al beschikt over een titel om het vertrek van de vrouw uit de woning te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter wijst op overweging 3.5 van de beschikking van 27 mei 2025 (weergegeven in 2.4 hierboven). De rechtbank heeft daarin kort gezegd bepaald dat de vrouw, uiterlijk één dag voor de leveringsdatum van de woning aan de man, de woning moet verlaten. Die levering heeft inmiddels plaatsgevonden, zodat deze beschikking een executoriale titel geeft aan de man om te bewerkstelligen dat de vrouw de woning verlaat, indien nodig met behulp van politie en justitie. Dit onderdeel van de echtscheidingsbeschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat de man heeft gewacht met de executie van de beschikking en de vrouw eerst meer tijd heeft gegeven om andere woonruimte te vinden, maakt niet dat die titel is vervallen. Dat betekent dat de man geen belang heeft bij toewijzing van de vordering om de vrouw te gelasten de woning te verlaten.
4.4.
Wel is voldoende aannemelijk dat de man nog steeds belang heeft bij toewijzing van de gevorderde dwangsom. Ook al kan de man voor de uitvoering van de beschikking de deurwaarder inschakelen, de ervaring leert dat er enige tijd overheen gaat voordat een gedwongen ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt. Gelet op de weigerachtige houding van de vrouw acht de voorzieningenrechter in de onderhavige situatie en na een belangenafweging zinvol om een dwangsom op te leggen aan de vrouw als extra prikkel om tot tijdige ontruiming over te gaan. Daartoe is het volgende redengevend.
4.5.
De vrouw heeft weliswaar aangevoerd dat zij met de hulp van stichting Pameijer er alles aan doet om andere woonruimte te vinden, maar zij kon geen concrete termijn geven waarop zij de woning gaat verlaten. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor de vrouw lastig is om iets anders te vinden, maar die omstandigheid ligt in de risicosfeer van de vrouw. Van de man, die al anderhalf jaar in een kamer bij zijn ouders verblijft terwijl hij wel de vaste lasten van de woning betaalt, kan niet worden verlangd dat hij de vrouw nog langer in de woning laat verblijven zonder concreet uitzicht op het vertrek van de vrouw. Daar komt bij dat de vrouw, als dat nodig is, financieel in staat is om een woning in de vrije sector te huren, desnoods buiten Goeree-Overflakkee, nu de vrouw niet heeft gesteld dat zij aan die gemeente is gebonden. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om desnoods langs die weg aan vervangende woonruimte te komen. Na de echtscheidingsbeschikking hebben partijen overleg gevoerd over partneralimentatie, de woning en andere vermogensbestanddelen. De voorzieningenrechter begrijpt dat partijen tot op heden geen alomvattende regeling hebben getroffen, maar dat zij wel zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie betaalt van € 2.110,- bruto per maand. Daarnaast heeft de vrouw uit de verkoop van haar aandeel in de woning een bedrag van € 36.305,44 ontvangen. Het belang van de vrouw om langer in de woning te verblijven, weegt onder deze omstandigheden niet op tegen het belang van de man om op korte termijn te beschikken over de woning.
4.6.
De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt als zij de woning niet binnen vier weken na de betekening van dit vonnis verlaat. De dwangsom wordt vastgesteld op € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw na die termijn de woning niet heeft verlaten, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt. Dit doet er niet aan af dat de man bevoegd is de echtscheidingsbeschikking eerder te executeren, maar de voorzieningenrechter zou zich kunnen voorstellen dat de man de vrouw deze termijn van vier weken nog gunt.
4.7.
Nu zonder tijdsverlies een grosse wordt afgegeven en de man bovendien al over een executoriale titel tot ontruiming beschikt, bestaat geen aanleiding om het vonnis uitvoerbaar op de minuut te verklaren.
4.8.
Gelet op de relatie die partijen met elkaar hebben gehad worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
4.9.
De overwegingen in conventie leiden ertoe dat de vordering in reconventie wordt afgewezen.
4.10.
Ook in reconventie worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om, indien en voor zover zij binnen vier weken na de betekening van dit vonnis de woning niet heeft verlaten, aan de man een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na die termijn de woning niet verlaat, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.5.
wijst de vordering van de vrouw af;
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
2091/3194